Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra
1 Zarathoestra’s ondergang
Zarathoestra verlaat het meer en het land van zijn geboorte, dwz. vervreemdt van de christelijke denkbeelden, waarmee hij als kind opgegroeid is. Het meer is het beeld van een rustige en begrensde wereld waar alles op zijn plaats staat. De denkwereld waar hij uit vertrekt voldoet niet meer. Later zullen we telkens lezen over de zee. De zee is het beeld van de realiteit die opdoemt voor de mens wiens bewustzijn is toegenomen. Voor iemand die weet heeft van de zee is het meer niet langer bevredigend. Zarathoestra trekt het gebergte in, dwz. wil in zijn leven uitkomen op iets hogers. Deze gedachte is de kern van het gehele boek, de zin van de gehele filosofie van Nietzsche.
Iemand die in het buitenland terechtkomt is een totale vreemdeling voor zijn omgeving. Eenzaamheid is automatisch zijn grote metgezel. Zarathoestra lijdt echter niet onder deze eenzaamheid, maar ’proeft de vruchten van zijn geest’. Iemand die vruchten van zijn eigen geest wil proeven heeft als vereiste letterlijk totale eenzaamheid nodig. Het verband is zelfs zo sterk dat men kan zeggen dat eenzaamheid als vanzelf vruchten van eigen geest oplevert.
Deze enkele details over de gefantaseerde Zarathoestra-figuur, waarmee het boek begint, leggen natuurlijk meteen het verband met het werkelijke leven van Nietzsche. Diepe eenzaamheid (zielsverlatenheid) is de grootste sleutel tot het begrijpen van Nietzsche en Zarathoestra. Stephan Zweig schrijft nogal theatraal-dramatisch, maar ongetwijfeld toch feiten over het leven van Nietzsche, want vele anderen komen met soortgelijke verhalen:
De bijziende man zet zich voorzichtig aan een tafel; voorzichtig vanwege zijn gevoelige maag bestudeert hij ieder onderdeel van het menu: de thee mag niet te sterk zijn, het eten niet te gekruid, want van iedere vergissing in zijn dieet raakt zijn maag overstuur, het heeft zelfs dagenlange desastreuze gevolgen voor zijn lichtgevoelige zenuwen. Geen glas wijn, geen glas bier, geen alcohol, geen koffie waar hij woont, geen sigaar of sigaret na de maaltijd, niets dat enigszins stimuleert, opfrist of rust geeft; slechts een schamele maaltijd en een vluchtige, oppervlakkige conversatie op gedempte stem met een toevallige tafelgenoot (zoals een man spreekt die jarenlang niet meer gewend is geweest te praten, en bang is dat men hem teveel vragen gaat stellen).
En weer de trap op naar het smalle, nauwe, schaarsaangeklede eenvoudige bovenkamertje, dat een tafel bevat waarop stapels papieren, aantekingen, geschriften, bladzijden en proeflezingen liggen, maar geen enkele bloem, geen enkele versiering, nauwelijks een boek, slechts een enkele brief. Ergens in de hoek op de grond staat een grofhouten kist, zijn enige bezit, waarin zich twee hemden bevinden en zijn tweede nogal versleten pak. Voor de rest nog een stel boeken en manuscripten, en op een serveerblad een ontelbaar aantal flesjes, potjes en kruikjes: tegen de migraine, waar hij regelmatig hevige aanvallen van krijgt, tegen maagpijn, tegen aanvallen van overgeven, en vooral de rustgevende middeltjes tegen slapeloosheid, chloraalhydraat en Veronal. Een arsenaal van gif en drugs om bang van te worden, maar het enige wat soelaas biedt in de lege stilte van deze vreemde kamer, waarin hij nooit rust krijgt, tenzij kunstmatig opgewekt en voor korte tijd. Met zijn jas aan en sjaal om (want de ellendige kachel geeft voor het merendeel slechts rook en nauwelijks warmte), met zijn verkleumde vingers, zijn dubbele brilleglazen dicht op het papier gebogen, zit hij dan urenlang in snel tempo te schrijven – in een handschrift dat hijzelf bijna niet kan ontcijferen. Hij gaat er urenlang mee door, totdat zijn ogen branden.
Wat de vervreemding betreft in zijn denken krijgen we veel later, in hoofdstuk II.11, in een emotionele ontboezeming te horen wat de oorzaak was en wat hem de kracht ervoor gaf de teleurstelling te boven te komen.
De eerste zinnen van het boek geven ook nog enkele details over leeftijd: wanneer hij 30 is neemt dit ontgroeien aan zijn land van geboorte een aanvang, en het proces van opgroeien duurt wel 10 jaar voordat het voltooid is. Dit is niet alleen volgens de legende over Zarathoestra (geboren naast het meer Urmi, zijn ouderlijk huis verlatend op 30-jarige leeftijd, om na tien jaar in de bergen geleefd te hebben in volkomen eenzaamheid de Zend-Avesta te schrijven), maar ook een zinspeling op Nietzsches eigen leven (tien jaar geleden had hij zijn eerste boek geschreven en hij liep nu tegen de veertig; twee jaar tevoren had Nietzsche zijn baan opgegeven, en daarna had hij overal als eenzame rondgedoold, het liefst in de Zwitserse bergen), en bovendien nog een zinspeling op het optreden van Jezus. Jezus’ eigen geest begon ook vrucht te dragen op dertig jarige leeftijd (Lukas 3:23). Maar terwijl Jezus maar 40 dagen van afzondering in de wildernis nodig had om klaar te zijn voor zijn optreden, laat Nietzsche Zarathoestra wel tien jaar meer wijsheid opdoen voordat hij zijn publiekelijk optreden begint. Hij schrijft in I.20 dat Jezus de fout maakte te jong op te treden als grote leermeester, waardoor zijn optreden een schaduwkant heeft van vertoorndheid, fulmineren, briesen en agressiviteit. En in IV.6 voegt hij er deze kritiek aan toe:
Wie liefheeft moet aan gene zijde van goed en kwaad staan, en niet ook willen optreden als rechter.
Zarathoestra laat vervolgens weten hoe hij in die tien jaren van eenzaamheid zijn tijd heeft doorgebracht: niet zoals Jezus door de strijd aan te gaan tegen verleidingen, tegen het kwaad, de Satan, maar eenvoudig door iedere ochtend te wachten op de zonsopgang, om uit de overvloed van het zonlicht te putten. De zon is voor de mens bij uitstek het eeuwige symbool van God, het goddelijke. De zon schenkt licht, warmte, leven, oneindige kracht. Wie zich vereenzelvigt met de zon en uit zijn nooit aflatende overvloed voor zichzelf neemt, gaat uiteindelijk zelf stralen, wordt zelf licht en een zegening voor zijn omgeving. Het putten uit de oneindige overvloed van licht van de zon resulteert uiteindelijk in de verzuchting: ik ben mijn wijsheid zat en heb uitgestrekte handen – dwz. van mensen in nood – nodig om zelf ook zo te zegenen, licht te verspreiden, weg te geven en uit te delen, om armen rijk te maken en wijzen dwaasheid te schenken.
Ik zou willen weggeven en uitdelen, tot ooit weer de wijzen onder de mensen in hun dwaasheid vreugde hebben gevonden.
Dit is een moeilijke gedachte. Een wijze, dwz de ware (religieuze of a-religieuze) gelovige, iemand die denkt antwoorden te hebben, iemand die een overtuiging heeft, overtuigen van zijn dwaasheid is zoals iedereen weet nagenoeg een onmogelijkheid. Maar een wijze dwaasheid te schenken, dwz. zijn eigen dwaasheid te laten inzien, is de enige manier waarop de wijze nog vreugde kan ervaren, want het is het enige wat hem nog geschonken zou kunnen worden, de enige manier om hem nóg wijzer te maken. Dat wat aan de wijze geschonken kan worden zal veelal juist dat moeten zijn wat hij ooit al eens verworpen heeft als onwijs. Hoe zou hij hierin vreugde kunnen vinden? Wie bekend is met Nietzsches gedachten weet dat zijn wijsheid in de eerste plaats uit grenzeloze argwaan opborrelt: er is geen uiteindelijk doel, er zijn geen uiteindelijke antwoorden. Er is slechts ’de dwaasheid van de mens’, maar in plaats van deze toestand van de mens als een bedreiging te zien die beslist opgeheven dient te worden met religieuze waan en onwaarheden (metafysica), is het optreden van Zarathoestra een poging om vrede te sluiten met deze dwaasheid van de mens, deze eeuwige afwezigheid van de laatste waarheden. Het raadsel van het bestaan moet men niet geforceerd willen oplossen. Men dient levensgeluk te vinden door het raadsel juist te laten staan en in de gigantische ruimte van vrijheid en mogelijkheden die er dan zijn, zijn eigen weg te gaan. Op deze manier ’voltooit’ een mens zijn of haar leven. Zarathoestra’s taak is een voorbeeld te geven hoe men het kan doen, of een beeld te laten zien hoe de mens van de toekomst zichzelf zal bezien en begrijpen.
Zarathoestra’s voorrede is kunstig gemaakt volgens het schema dat we kunnen vinden in wat theologen de Voorrede van het evangelie van Johannes noemen (Joh. 1). In paragraaf 5 geeft Nietzsche voor de duidelijkheid nog een hint:
En hier eindigde de eerste rede van Zarathoestra, die men ook wel de Voorrede noemt.
In de eerste paragraaf wordt Zarathoestra neergezet als personificatie van de Zon, het equivalent van Johannes 1:1, en 1:4. Het vervolgt met de gedachte die men in de theologie Kenosis noemt, de ’ontlediging’ van het goddelijke, de incarnatie (vleeswording) (Joh. 1:14, Filipp. 2:5-8), Nietzsche noemt dit ’het ondergaan tot de mensen’, en nog sterker:
Zie! Deze beker wil leeg worden, en Zarathoestra wil weer mens worden.
We worden dus meteen aan het begin al geconfronteerd met een persoon die de kwaliteiten heeft van Jezus, zoals die door de bijbelschrijvers beschreven is. Het verhaal vervolgt dan ook op de manier die we kennen uit de evangeliën: alvorens Zarathoestra met zijn optreden begint wordt hij net als Jezus eerst herkend door een heilige in de wildernis (Joh. 1:19vv). Zarathoestra gaat vervolgens met zijn unieke nieuwe boodschap die gehoord moet worden de markt op. Het ideaal van de Bovenmens legt hij vervolgens in een dramatische toespraak voor de voeten van jan-en-alleman. Het resultaat is schokkend en verbijsterend: hij wordt totaal niet begrepen en zelfs uitgelachen (vgl. Joh. 1:7: ”Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen opdat iedereen door hem zou geloven”, en Joh. 1:11: ”Hij kwam naar wat van hem was, maar zij ontvingen hem niet”). Gelukkig houdt het publiek zich het liefst bezig met vertier en vermaak, en vergeten ze hem al meteen, anders zouden ze hem waarschijnlijk met geweld tot zwijgen hebben gebracht. We hebben hier de bittere ervaring van alle profeten uit alle tijden. Als gevolg van deze ervaring verandert Zarathoestra zijn manier van optreden: hij begint van nu af aan een groep van discipelen om zich heen te verzamelen en spreekt in het vervolg slechts tegen hen (Joh. 1: 35vv). Het vervolg van het boek Aldus sprak Zarathoestra is al even kunstig gemaakt. Het bestaat uit drie maal 22 (in de numerologie meestergetal) hoofdstukken, tesamen gelijk aan het aantal bijbelboeken. (Het laatste hoofdstuk van deel drie, met zinspelingen op het boek Openbaring, bestaat uit ’7 verzegelde hoofdstukken’.) Nietzsche schreef later ook nog een vierde deel, dat is een verhaal apart, waarover later meer.
Het enige woord dat op de eerste bladzijde gecursiveerd staat is ondergaan. Ondergaan betekent niet slechts het afdalen van de berg naar beneden om de mensen op te zoeken en een taak te vervullen, maar ook de automatische consequentie daarvan: eraan onderdoor gaan, eronder bezwijken. Zarathoestra weet net zoals Jezus van begin af aan dat hijzelf aan zijn taak kapot zal gaan, maar dit is juist de kern van zijn boodschap: de mens is een overgang. Het is zijn taak om zijn leven te geven voor iets beters dat ooit in de toekomst gestalte zal krijgen. Offer je leven op aan de aarde, schep met je leven iets groots dat nog niet of nauwelijks op aarde te zien is. Het scheppen van hoogwaardige mensheid die groter is dan hetgeen we nu op aarde zien beschrijft Nietzsche later altijd als opstijgen, klimmen, dansen of vliegen. Wees zo voortdurend bezig met het vormen van jezelf, op precies dezelfde manier als een kunstschilder zijn kunstwerk streek voor streek maakt. Maar de taak is tezelfdertijd zo zwaar dat het automatisch naar de ondergang leidt. Dat het zo zwaar is is het gevolg van ’de Geest der Zwaarte’ die overal om ons heen heerst, door ’Predikers des Doods’ onderwezen wordt en door ’Hiernamaalsgangers’ aangehangen wordt. Deze mensen zijn de doodsvijanden van mensen die als scheppers in het leven staan, en omgekeerd.
2 Ontmoeting met een oude wijze heilige
De eerste mens die Zarathoestra ontmoet is een kluizenaar, een heilige die in een eenzaam bos woont en leeft van wortels. De kluizenaar is een zinspeling op Johannes de Doper, de eenzame in de woestijn die sprinkhanen at, de man die mensen waarschuwde voor de straf van God, hen opriep tot berouw en (volgens de evangeliën) de komst van Jezus verkondigde. De heilige Johannes heeft inmiddels zijn lesje geleerd: hij is geen verkondiger van komende messiassen meer, maar kijkt Zarathoestra met argwaan aan. Zarathoestra lijkt inderdaad veranderd. Destijds droeg hij zijn as bergop (zocht hij troost bij God), maar nu lijkt hij vuur naar beneden te willen dragen. Weet Zarathoestra niet dat God het alleenrecht heeft op brandstichten (bliksem), en mensen die voor God spelen altijd zwaar straft? De heilige beziet Zarathoestra nog eens goed: Zarathoestra ziet er inderdaad uit als een rein mens, als een danser, zijn walging van de wereld is verdwenen en hij is geworden als een kind, als een Verlichte. Maar alweer geeft hij de raad van iemand die zijn lesje geleerd heeft: Ga niet naar de mensen toe, ze zijn het niet waard.
Zarathoestra antwoordt dat hij de mensen liefheeft. Deze zin moet men goed tot zich door laten dringen. Nietzsche is niet goddeloos, maar wordt gedreven door de liefde voor de mensheid. De heilige begrijpt het niet: hij had de mensen teveel lief, dwz. werd gedreven door de seksualiteit, en ging juist daarom het bos en de woestenij in. Alleen zó kun je God liefhebben. De mens moet je juist níet liefhebben, want de mens is zondig, onvolkomen. Slechts in eenzaamheid en afzondering verkrijgt een heilige verlichting van de eeuwige onwaardigheid van de mens, de gedachte die het stempel legt op al het religieuze denken. Zarathoestra merkt meteen op dat het begrip ’liefde’ hopeloos onduidelijk is, en gemakkelijk op een dwaalspoor brengt. Hij spreekt zich nu wat duidelijker uit, liefde moet beter worden omschreven: wat hij eigenlijk bedoelt is dat hij de mensen een geschenk wil aanbieden.
Ach, zegt de ervaren heilige, geef ze toch vooral niets. Ze zijn het niet waard. Je moet ze eerder iets afnemen, dat zal die verwende lui goeddoen. En draag alles wat ze je geven, doe je er gerust aan te goed, want van heldenverering genieten ze het meest. En wanneer jij hen iets geeft, laat het dan vooral niet meer dan een aalmoes zijn, en laat ze ook daar nog om bedelen. Nietzsche laat hier geraffineerd de religieuze heilige in bijtende bewoordingen naar voren brengen wat hij geleerd heeft van 1900 jaar christendom.
Vervolgens brengt hij in al even sublieme bewoordingen de superioriteit van de nieuwe leer die hij verkondigt naar voren:
’Nee’, antwoordde Zarathoestra, ’ik geef geen aalmoezen. Daarvoor ben ik niet arm genoeg.’
De kluizenaar lacht en geeft hem de volgende uit bittere ervaring geboren raad: alle mensen koesteren argwaan tegen profeten die zogenaamd schatten uitdelen. Wanneer ze ’s nachts iemand horen lopen is hun eerste gedachte altijd: waarheen wil de dief? Hij raadt Zarathoestra dus aan toch maar in het bos te blijven. Hij kan zich beter nog tot de dieren richten dan tot de mensen. Nietzsche legt hier in een paar zinnen de kern van religieuze vroomheid bloot: geloof in God is synoniem voor ongeloof in de mens. Het liefhebben van God spruit voort uit teleurstelling en ontgoocheling, uit moedeloosheid en haat tegen het aardse bestaan.
Zarathoestra vraagt waar hij zich zoal mee bezig houdt in dit bos. Het antwoord van de heilige is: ik besteed mijn tijd aan zingen, huilen, lachen en brommen, en dat allemaal ter ere van God. Wanneer de heilige tenslotte vraagt welk geschenk Zarathoestra in petto heeft, antwoordt deze hem: voor dezulken als jij heb ik niets te schenken, ik zou je hoogstens wat kunnen afnemen. Laat me daarom maar snel verdergaan. Nietzsche maakt zo duidelijk dat hij het als een volkomen onmogelijke zaak ziet ’ware gelovigen’ ooit op andere gedachten te kunnen brengen. Zij zullen de nieuwe boodschap onmogelijk kunnen vatten. Je kunt zulke mensen altijd hieraan herkennen dat de vraag ’wat heb jij eigenlijk te bieden?’ nooit in hun opkomt, of hoogstens – zoals in deze tekst – als een laatste terloops opgemerkte bijgedachte. Maar aangezien ze zich onschuldig met zingen en brommen en huilen bezighouden ziet Zarathoestra ook het nut er niet van in ze op andere gedachten te brengen. Wel verwondert hij zich over hen:
Hoe is het mogelijk! Deze oude heilige in het bos heeft er nog totaal geen weet van dat God dood is!
Hier hebben we de tweede instantie van cursivering van enkele woordjes in het boek. Nietzsche haalt hier zijn eigen uitspraak aan. De eerste keer dat in Nietzsches gedachten over de dood van God wordt gesproken is in het derde deel (paragraaf 108) van De Vrolijke Wetenschap (1882):
Nieuwe gevechten. – Na het sterven van Boeddha liet men nog eeuwenlang zijn schaduw zien in een zekere spelonk – een gigantische en ijselijke schaduw. God is dood: maar omdat mensen nu eenmaal zijn zoals ze zijn, kunnen er nog duizenden jaren volgen waarin men zijn schaduw nog zal zien. En wij – wij moeten uiteindelijk ook nog zijn schaduw overwinnen!
Even later volgt wat wellicht de beroemdste tekst van Nietzsche is:
Hebben jullie niet gehoord van die uitzinnige, die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt op ging en onophoudelijk riep: ”Ik zoek God! Ik zoek God! – Omdat er daar juist veel van die mensen bijeen stonden die niet aan God geloofden, verwekte dit groot hoongelach. ”Is hij soms verloren gegaan?” zei de een. – ”Is hij verdwaald als een kind?” zei de ander. – ”Of speelt hij verstoppertje? Is hij misschien bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Geëmigreerd? – zo schreeuwden zij en lagen ze krom van het lachen. De uitzinnige sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ”Waar God heen is? riep hij uit. ”Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee leeg kunnen drinken? Wie gaf ons de spons, om de hele horizon uit te vegen? Wat deden we toen we de aarde van haar zon losmaakten. Waarheen beweegt zij zich nu? Waarheen bewegen wijzelf? Weg van alle zonnen? Vallen we niet aan een stuk door? En terug, opzij, naar voren, naar alle kanten. Is er nog wel boven en beneden? Dwalen wij niet door een oneindig niets? Hijgt de leegte ons niet in de nek? Is het niet kouder geworden? Komt niet meer en meer de nacht? Moeten de lantaarnen niet in de ochtend aangestoken worden? Horen wij nog niets van het rumoer van de doodgravers die God begraven? Ruiken we nog niets van de goddelijke ontbinding? – Ook goden ontbinden! God is dood! – God blijft dood! En wij hebben hem gedood. Hoe troosten wij ons, moordenaars der moordenaars. Het Heiligste en Machtigste dat de wereld ooit bezat is onder onze messen doodgebloed – wie wist dit bloed voor ons weg? Met welk water kunnen wij ons reinigen? Welke zoenoffers, welke heilige spelen zullen wij moeten bedenken? Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf goden worden, om haar ook maar waardig te schijnen? Nooit was er een grotere daad – en wie er ook na ons geboren wordt, omwille van deze daad behoort hij tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!”
Hier zweeg de dolle man en keek opnieuw zijn toehoorders aan. Ook zij zwegen en keken hem verwonderd aan. Eindelijk wierp hij zijn lantaarn op de grond, zodat die in stukken sprong en uitdoofde. ”Ik kom te vroeg”, zei hij toen, ”het is mijn tijd nog niet. Dit ongelooflijk gebeuren is nog onderweg, het maakt een omweg – het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternten heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig, ook nadat ze gedaan zijn, om gezien en gehoord te worden! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesternten – en toch hebben ze haar zelf verricht!” Men vertelt verder, dat die dolle man diezelfde dag nog verscheidene kerken binnengedrongen is, en daar zijn Requiem aeternam deo (voor de eeuwige rust van God) aangeheven heeft. Naar buiten gebracht en ter verantwoording geroepen, zou hij telkens alleen maar het volgende geantwoord hebben: ”Wat anders zijn deze kerken nog, dan de graven en grafmonumenten van God?”(125)
Nietzsche heeft zich nooit theologisch-wetenschappelijk beziggehouden met het wel of niet waar zijn van de christelijke religie. Hij heeft zich nooit geïnteresseerd voor archeologische vondsten, de historische Jezus en dergelijke zaken. Typisch voor Nietzsche is dat wetenschappelijk empirisch onderzoek zelden of nooit aan de basis staat voor zijn opinies. Hij is eerder één van de eerste psychologen, iemand die zijn opinies uit eigen scherp denken over het menszijn opvist. Zo analyseert hij ascetische mentaliteit als de uiting van een ziekelijk persoon gekweld door een slecht geweten, en kan hij zo het vegetarisme uitleggen, maar wanneer hij zoekt naar de oorzaak voor deze ziekte van de menselijke psyche bedenkt hij van alles, zoals gebrek aan aanpassingsvermogen wanneer een bepaald ras in een veeleisend klimaat terecht komt, of dat een slecht dieet zoals vegetarisme zonder meer leidt tot karakterzwakte (Genealogie van de Moraal). In het geval van het christelijk geloof constateerde hij eenvoudig dat de boodschap al volkomen door de mand was gevallen en dus geen enkele geldigheid meer kon hebben. God is allang onder de mensen doodgegaan, dwz. heeft zijn geloofwaardigheid volledig verloren. En voor zover deze religie nog doorwerkt zijn het slechts restanten – de schaduw van God – die voor het merendeel schadelijk zijn voor de menselijke psyche en de ontwikkeling van de maatschappij. De beslissende reden voor Nietzsches afwijzing van het christelijk geloof is niet dat het onwaar is, maar de gedachte dat het traditionele geloof schadelijk is. Hij is slechts geïnteresseerd in de ethische Jezus, en de praktijk/beleving van het geloof, en concludeert dat de christelijke psyche uiting is van schuldgevoel, levensmoeheid, passieve berusting, krachteloze onderwerping en (latente) wraaklust. Zelfs indien de christelijke God zou bestaan, dan zou de mens zich van Hem moeten ontdoen, dezelfde conclusie die de psycholoog Albert Ellis een eeuw later ook maakte. In de Antichrist (§ 47) legt Nietzsche het zo uit:
Wat ons onderscheidt is niet dat wij nergens een God kunnen vinden, noch in de geschiedenis, noch in de natuur, noch achter de natuur, maar dat wij wat als God vereerd werd, niet als ’goddelijk’ ervaren maar als erbarmelijk, als absurd, als schadelijk; het gaat dus niet slechts om dwaling, maar om een misdaad tegen het leven. Wij loochenen [de christelijke] God als God. Indien men ons het bewijs zou leveren voor deze God van de christenen, zouden wij nog minder kunnen geloven. Opgesomd in één formule: De God zoals door Paulus geschapen, is de negatie van een god. Een religie als het christendom, die geen enkel raakpunt met de werkelijkheid heeft, die ogenblikkelijk instort zodra de werkelijkheid ook maar op een enkel punt tot haar recht komt, moet redelijkerwijs de doodsvijandin zijn van de ’wijsheid van de wereld’, dwz. van de wetenschap…Het geloof als imperatief is het veto tegen de wetenschap, in de praktijk de leugen tot elke prijs.
In De Wil tot Macht staan losse aantekeningen die Nietzsches denken tot op de bodem duidelijk maken:
Het hele absurde residu van de christelijke fabel, het spinnenwebben maken uit bespiegelingen, de hele bezigheid van theologie, interesseert me niet. Zelfs als het nog duizend maal absurder zou zijn zou ik er nog geen vinger tegen uitsteken.
De hele kwestie van ”de waarheid” wat betreft het christendom – of het nu gaat om het bestaan van God of de historiciteit van haar legenden en haar oorsprong, om nog maar niet te spreken van christelijke astronomie en natuurwetenschap – is van ondergeschikt belang. Waar het bovenal om gaat is de christelijke moraal. Is de christelijke moraal iets waard, of is het een schande en ontsiering van het leven, ondanks dat ze de heilige kunst tot het verleiden verstaat.
Wat ik in het christendom bovenal bestrijd is haar pogingen om alle krachtigen te breken, alle moedigen te ontmoedigen, hun slechte uren en hun zwakke momenten uit te buiten, hun trotse zelfverzekerdheid om te turnen in onvrede en gewetensnood. Het christendom verstaat de kunst de nobele instincten te vergiftigen en te verzieken, totdat kracht en wil tot macht tegen zichzelf gekeerd wordt en de sterken ondergaan in een orgie van zelfhaat en zelfverachting.[§ 251, 252]
In principe heeft Nietzsche dus niets op een God tegen, zoals de tekst van de dolle godzoeker, misschien wel de meest aangrijpende tekst aller tijden, in de eerste plaats sterk laat zien. Want wat bovenal op te merken is uit die tekst is dat Nietzsche meer lijdt dan ieder ander aan de dood van God. Omdat dit de centrale drijfveer is voor Nietzsches filosofie behoren voor mij alle teksten van hem tot de waardevolste die ik ooit onder ogen gehad heb. Voor de doorsnee mens voelt het aan alsof een filosofische God, religie, er moet zijn omdat het goddelijke onlosmakelijk verbonden is aan de zin van het leven. Zonder God is er geen boven en onder meer, ook niet in ons denken en handelen. God als persoonlijk wezen waar in de bijbel verhalen over worden verteld, mag dan niet bestaan, God als begrip in het menselijk denken is even springlevend als altijd. God is het antwoord van menselijk gevoel op wat rede ons over het leven vertelt, het is het middel waarop de mens zijn leven zingeving geeft, zijn naakte persoon mooie en warme kleren geeft. Met het wegvallen van het begrip God kan het ’warme gevoel’ op geen enkele manier meer verbonden worden aan de ’koele rede’. De mens vervalt dan in een ziekte die men ik-dissociatie noemt, het uiteenvallen van het ik. Religie lijkt een essentieel onderdeel van iedere gezonde cultuur. Religie is een instrument (net als politiek en zelfs wetenschap) om een hogere cultuur te scheppen, dwz het is een door mensen geschapen manier van denken en handelen om ons hoogste menszijn uit te drukken. Het is daarom niet juist Nietzsche als anti-religieus te bestempelen. Nergens houdt hij zich bezig met logische redeneringen om het bestaan van God te kunnen ontkennen. Hij heeft niet de minste behoefte aan zoiets. Het lijkt er op dat hij in de kern religieus blijft, maar hij doet zeer zijn best deze benaming voor zichzelf te vermijden. In een nagelaten fragment schrijft Nietzsche dat zijn denken opgesomd kan worden in één zin: dat de kunst meer waard is dan de ’waarheid’. Zelfs hier vermijdt hij nog het woord religie, hetgeen vanzelfsprekend onder dezelfde noemer als kunst gerangschikt kan worden. Aangezien Nietzsche streed tegen ’de draak christendom’ werd hij blijkbaar allergisch voor het woord ’religie’. Een andere mogelijkheid is dat hij het woord vermeed omdat hij bang was dat men zijn vorm van religie totaal zou misverstaan, en het zou verwarren met wat men traditioneel altijd onder religie verstaan heeft.
De inhoud die Nietzsche aan zijn religie geeft vertoont sterke gelijkenis met die van Spinoza, waarin God het woord is om over de natuur als één geheel en de zin van het bestaan als één samenhangend geheel te kunnen spreken.
De dood van de persoonlijke (christelijke) God is dus niet in de eerste plaats datgene wat Nietzsche beoogt, iets waar hij voor vecht, maar eerder een gegeven van de moderne tijd waar een denkend mens met geen mogelijkheid meer omheen kan. Men wordt gedwongen naar nieuwe antwoorden te zoeken, en Nietzsche heeft als eerste zijn leven volledig aan deze kwestie gegeven. De dood van God was de uiteindelijke reden waarom Zarathoestra de berg opging en tien jaar van zijn leven in eenzaamheid bezig was om de gevolgen ervan te overzien en om op andere antwoorden uit te komen. Waar hij mee terug kwam was ’volwassen geloof’. Nietzsche ging zijn klim geheel alleen, iedereen om hem heen stond of in het kamp van de veroordelers, de christenen die slechts een duivel in Nietzsche zagen, of in het kamp van de spotters, de atheïsten die met hoongelach komen wanneer iemand op klaarlichte dag met een lamp zoekt naar God, en helemaal niet begrijpen dat met de dood van God het licht is uitgedoofd, dat het hier gaat om de grond van ons bestaan. God is het symbool voor de hoogste menselijkste aspiraties.
De dood van God is de reden voor het laten optreden van de moderne Zarathoestra, een zoeken naar iets hogers en bestendigers dat christelijk geloof kan vervangen. Het optreden van Zarathoestra is een campagne om de geseculariseerde wereld te behoeden voor goddeloze degradatie van het leven. Het kan vergeleken worden met het optreden van de profeet uit alle tijden. Nietzsche wilde een nieuwe godsdienst stichten, een religie zonder God, maar met dienst aan het goddelijke, iets wat misschien in deze eeuw pas tot lezers doordringt en serieus genomen gaat worden. Nietzsche begrijpen is hetzelfde als begrijpen dat dit atheïstische boek toch een diep religieuze tekst is. Men zou het zelfs kunnen uitroepen tot de meest godserende boodschap die de mensheid ooit is aangeboden: een loflied op het aardse leven.
Ruim honderd jaar na de uitspraak ’God is dood’ hebben we merkwaardigerwijs nog steeds deze groep mensen die nog niet vernomen heeft van de dood van de christelijke God. Deze mensen die tot zo’n groep behoren leven in een nauwkeurig afgesloten kleine wereld, waar alle antwoorden op het leven in een boek beschreven staan, antwoorden waar niet aan getornd mag worden, omdat ze alleen door eeuwig en onfeilbaar te zijn serieus genomen kunnen worden. Met opgeheven armen zingen ze nog steeds, en roepen ze nog steeds luid halleluja, zien ze nog steeds godswonderen om zich heen, en spreken ze nog steeds over het meer van Galilea en de Olijfberg op dezelfde manier als de oude Grieken over hun Olympusberg. Ze praten nog steeds tegen een ingebeelde persoonlijke God, en Hij, in hun verbeelding, tot hen, en ze hebben nog steeds niet de betekenis van het woordje ’spoedig’ (in de profetie ’Zie, Ik kom spoedig’) geleerd. Misschien moeten we van Zarathoestra leren maar geduld te hebben met deze mensen. Ze zijn de kwaadsten niet, wie weet kun je er op dezelfde wijze manier mee omgaan als hier beschreven wordt:
En zo gingen ze uiteen, de grijsaard en de man, lachend zoals twee jongens samen lachen.
Deze vorm van omgaan met elkaar is gezond, vooral wanneer je tot het slag mensen behoort die in hun innerlijk zowel Zarathoestra als de Oude Heilige in het bos voortdurend in gesprek met elkaar horen. De dood van de christelijke God blijft een feit, omdat het tegenwoordig door de wetenschap in alle kleuren en toonaarden aangetoond is. Iedere christen die zich voortdurend blijft bezighouden met denken zal met zijn traditionele geloof op de klippen varen. Maar alles wat ja-zeggen tegen het leven is, alles wat het bestaan omarmt, het leven bevordert en dient, is religie, en daarom is religie eeuwig. Het resultaat van de botsing tussen religie en atheïsme zal zijn, dat religie in de toekomst op een volkomen nieuwe, rationele basis ervaren zal worden, waarin God een synoniem wordt voor ’de hoogste menselijke aspiraties’ en het universum gezien wordt als één samenhangend geheel. God blijft in het denken van velen wellicht ook bestaan als een vage entiteit vanwege conditionering in de cultuur waarin we opgroeien, het is de schaduw van de oude God die nog eeuwenlang blijft rondspoken. Wie weet blijft Hij altijd bestaan als een entiteit, omdat vele mensen zo’n denkbeeld nodig hebben en zich er niet ’bovenuit kunnen denken’. Maar in elk geval is ook voor deze mensen deze entiteit gegroeid in dezelfde mate waarin ons universum steeds groter is geworden. God is, zelfs voor de mens die Hem als een entiteit beschouwt, tot een gegeven geworden waar wij mensen verder geen enkele uitspraken over moeten/kunnen doen, omdat ons denk- en bevattingsvermogen te beperkt is om God te vatten en uit te leggen, en alles wat men over God uitspreekt de openbaring van de mens is. In de zin dat God op geen enkele manier uit te leggen is, is een modern mens god-loos. Indien de mens toch doorgaat met God uit te leggen, staat het óf gelijk aan godsverduistering (voorbeeld: ik noemde God daarnet ’Hem’!) óf aan taalverduistering, wat Herman Philipse noemt ’zwarte woordkunst’:
De gelovige kat springt liefst in het duister. Bij navraag naar de inhoud van zijn geloof geeft hij onbegrijpelijke en incoherente antwoorden. Hij spreekt woorden uit die niet meer betekenen wat ze betekenen en ziet stamelen en stotteren als waarmerk van religieuze authenticiteit. Religieuze filosofen hebben dit obscurantisme tot een subtiele kunst verheven en ze hebben daardoor de intellectuele zeden in de wijsbegeerte diepgaand bedorven. Ze schrijven over ’het Zijn’ dat zich ’onttrekt’ of over ’Sporen’ die men overal kan ontwaren, zonder precies uit te leggen wat ze bedoelen. Ze suggereren dat onhelderheid een merkteken is van diepte en dat een heldere stijl een symptoom is van oppervlakkigheid. Een oprecht intellectueel kan slechts walgen van deze zwarte woordkunst. Hij kan niet anders dan tot atheïsme concluderen.
Atheïstisch manifest
Een heldere formulering, maar is de laatste zin waar? Want is mijn conclusie dat God als entiteit mag blijven staan, maar wij over God dienen te zwijgen, niet even helder en gerechtvaardigd? Hierop antwoordt Philipse dat dit uitmondt in ”semantisch atheïsme”, dwz een vasthouden aan bepaalde taal, zoals aan het woord God, maar het ontdoen van enige inhoud:
De gelovige/theoloog kan ontkennen dat zijn religie enige cognitieve of dogmatische inhoud heeft. De ’verticale’ dimensie van zijn geloof verdwijnt nu in de ’horizontale’. Het probleem van deze strategie is dat de gelovige ophoudt gelovige te zijn. Wie niet letterlijk gelooft in het bestaan van god, heeft religie in feite opgegeven, zelfs al wil hij het niet bekennen.
Het atheïsme neemt nu een vorm aan van een disjunctie, dat wil zeggen een stelling bestaande uit twee delen die verbonden zijn door het woordje ’of’, reden waarom ik het ’disjunctief atheïsme’ noem. Ofwel het woord ’God’ heeft geen betekenis. Dan volgt semantisch atheïsme. Ofwel het woord krijgt een beschrijvende inhoud. In dat geval is de religieuze hypothese dat God bestaat veel minder aannemelijk dan een wetenschappelijke verklaring van religie. Hoe dit ook zij, godsdienst gaat pas werkelijk boeien zodra men er niet meer in gelooft. Dan ontstaat de noodzaak de diepten van de menselijke geest en de geschiedenis van de mensheid te doorvorsen om de immense verscheidenheid van geloofsvoorstellingen te verklaren. Atheïsme leidt tot zelfkennis, terwijl het geloof blijft steken in wishful thinking en atavistische projecties.
Bovenstaand schrijven bevat interessante noties. Philipse stelt dat het toegeven van de onmogelijkheid het woordje ’God’ een inhoud te geven die overeenkomt met wat wij als persoonlijk wezen beschouwen, maar tegelijkertijd wel in God blijven geloven, hetzelfde is als een zak met leeg in je handen houden. Maar is het niet zo dat wanneer iemand door groeiend inzicht tot de conclusie gedwongen wordt om over God te zwijgen, dit geenszins het begrip God uitwist, maar juist een passender invulling geeft van de inhoud die God altijd al gehad heeft? Hij is onmetelijk groot, Hij omvat alles. Hij kan niet meer in de zak en wordt eindelijk wat Hij altijd al was: God.
Ha, nu moet ik lachen om mijzelf, want door God ”Hij” te noemen laat ik exact zien dat Philipse gelijk heeft. Het is niet mogelijk in God te blijven geloven zonder het denkbeeld automatisch omlaag te halen tot antropomorfismen, oftewel tot menselijke proporties. Wil je daar niet aan meedoen dan blijft er niets over. We hebben niets om over God te denken! Zelfs het uitspreken van het woord is onmogelijk.
Zarathoestra zegt: ”De Bovenmens zal de zin van de aarde zijn.”
3 Zarathoestra’s boodschap aan de mensheid
Zarathoestra gaat regelrecht op stap naar het hart van de stad, waar op de markt toevallig een enorme menigte mensen zich staat te verdringen om het gevaarlijke optreden van een koorddanser te zien. Daar aangekomen steekt hij een redevoering af waar de vonken van afvliegen. ”Ik leer jullie de Bovenmens!” is de boodschap. De godsdienst heeft de mens vanouds als kroon op de schepping beschouwd, een lering die flink de menselijke trots aanwakkert. Zij leert ook dat de menselijke natuur door de zondeval verdorven is en hij nooit op eigen krachten beter kan worden, een lering die juist weer grondig teneerslaat. De eerste lering is goed voor het denkbeeld dat God zich voornamelijk bezighoudt met ons mensen en de tweede is goed voor de religieuze boodschap dat de enige hoop voor de mens bestaat uit een ’redding’, ’verlossing’ van boven, vergeving van zonden als genadegeschenk van God. Van de mens wordt slechts verwacht dat men in dit alles gelooft, deze lering aanneemt, in het stof bijt en zichzelf onvoorwaardelijk onderwerpt aan de godsdienst.
Deze leringen hebben dus niets te maken met de realiteit van ons bestaan, maar zijn eenvoudig gecreëerd om een godsdienstig systeem in stand te houden, reden waarom Zarathoestra al deze denkbeelden weggooit: de mens heeft geen verlossing nodig, hij moet juist overwonnen worden, want hij is een armetierige verschijning. Hij heeft geen redding nodig, maar moet juist ten onder gaan, hij moet gered worden van zichzelf, hij moet overwonnen worden. De mens is geen kroon op de schepping, maar moet zich zien als een overgangsvorm tot iets waardigers. De mens heeft geen geloof nodig om zich ermee in welzalige slaap te wiegen, maar de verachting van het erbarmelijke menszijn dat hij iedere dag ten toon spreidt. Hij moet aangespoord worden om zijn eigen toestand daadwerkelijk te veranderen. Men moet niet geloven in ’het licht der wereld’, maar zelf bliksem willen zijn. Het grootste wat een mens kan beleven is de ervaring dat men zijn eigen lamlendige denken en gezapige handelen beu wordt, en verandert in gloed en vuur.
Het woord Übermensch werd honderd jaar geleden vertaald met het woord ’oppermens’, in de Engelse vertaling ’the superman’. Tesamen met op de spits drijven van dramatische uitspraken van Nietzsche gaf dit veelal aanleiding tot karikatuurschetsingen van Nietzsche’s gedachten. Als treurig voorbeeld het volgende citaat:
De mens wordt in het middelpunt van het heelal geplaatst. Maar niet de massamens, o neen, de oppermens zal onbeperkt regeren. Met meedogenloze hardheid zal hij, in plaats van de zwakken te steunen, hen met ijzeren hand verpletteren; de mens is iets, dat overwonnen moet worden. Alles wat Nietzsche aan sarcasme en spot, aan hoon en bitterheid op het hart had branden tegen de schijnbeschaving en de huichelarij van de christelijke maatschappij, spuwde hij hier door de mond van Zarathustra in vlammende woorden, gloeiende beelden naar buiten. Een geestelijke Vesuvius is hier losgebrand.
Vloemans
We vinden hier in drie zinnen een eindeloos mitrailleurvuur van krachttermen: onbeperkt, meedogenloos, hardheid, ijzeren hand, verpletteren, sarcasme, spot, hoon, bitterheid, schijnbeschaving, huichelarij, spuwen, vlammende woorden, gloeiende beelden, geestelijke Vesuvius. Indien iemand nog steeds zó kleurenblind tegen Nietzsche aankijkt dan is dit óf uit bijzonder onnauwkeurig met de teksten van Nietzsche omgaan geboren, óf het resultaat van smaadcampagnes die al meer dan honderd jaar lang onophoudelijk tegen Nietzsche zijn gevoerd. ”Ik heb de mensen lief”, waren de allereerste woorden die Zarathoestra uitsprak! ”Ik breng de mensen een geschenk!”, de tweede uitspraak, ”Ik geef geen aalmoezen, daarvoor ben ik niet arm genoeg!” (=ik wil ze alles geven) de derde. Zarathoestra is dus een schenker, een eindeloze uitdeler (zie II.9). Indien zijn taal dramatisch is en krachttermen gebruikt dan is dat slechts vanwege het feit dat ’s mensen oren in de regel dicht zitten en men wakker geschud moet worden, bepaald niet omdat Nietzsche een soort gevoelloze Man van Staal als ideaal heeft.
De Bovenmens van Nietzsche is letterlijk dat wat het woord en de teksten eromheen zeggen: de mensheid die een gewilde evolutie doormaakt en uitgroeit tot een niveau dat ver boven het tegenwoordige menszijn staat. Bovenmens verwijst naar wat we bovenmenselijk noemen, dus naar het goddelijke, een ideaal dat we onbereikbaar achten. Het ideaal houden we voor onbereikbaar niet omdat het onbereikbaar is, maar omdat we onszelf zien als verdorven, in zonde geboren en daarom minderwaardig, en omdat we van onszelf nauwelijks inspanningen verlangen op dit niveau te komen. Beide houdingen zijn ons gedurende 2000 jaar door het christendom zo grondig aangeleerd dat het onze natuur is geworden. Door zondigheid als hopeloos te beschouwen boort men alle hoop op het aanpakken van zichzelf de grond in. Door vervolgens de klemtoon te leggen op hemelse verlossing wordt de mens zelfs verlost van de noodzaak hiertoe, verdonkeremaant hij zijn armzielige menszijn en bedriegt hij zichzelf. Tevredenheid en zelfingenomenheid creëren de allerergste toestand waarin een mens kan verkeren. Een mens heeft als eerste vereiste verachting voor zijn huidige toestand nodig. Verachting lijkt een extreme houding, maar zwakkere kritiek op de mens is niet toereikend om een proces van positieve ontwikkeling op gang te krijgen. Verachting is dus niet de omschrijving van het wezen van de Bovenmens, maar eenvoudig slechts een instrument dat de weg wijst en daadwerkelijk aan het werk zet om eens op een Bovenmens uit te komen. De Bovenmens zal een zee moeten zijn waarin de vuile stroom mensheid eindelijk gereinigd zal worden. Merk op dat Zarathoestra in de eerste plaats verachting wil opwekken voor het menszijn dat iemand in zichzelf kan constateren. Zarathoestra somt een reeks van algemeen voorkomende zaken in het tegenwoordige menszijn op die ieder mens zou moeten verachten: ons streven naar geluk is niet meer dan een streven naar erbarmelijk welbehagen, ons intellect wordt nauwelijks gebruikt, onze deugd is als een spaarvlammetje, onze rechtvaardigheid niet meer dan zucht in gezapige vrede voort te mogen dobberen, ons mededogen slechts een constatering dat iemand die liefheeft altijd aan het kruis genageld wordt, een zielig klagen dat medelijden synoniem is voor een akelige taak ’je eigen kruis opnemen’.
Naast het Ik leer jullie de Bovenmens staat in deze toespraak het Blijft de aarde trouw gecursiveerd:
De Bovenmens is de zin der aarde. Moge jullie wil zeggen: de Bovenmens zal de zin der aarde zijn! Ik bezweer jullie, mijn broeders, blijft de aarde trouw en schenkt geen geloof aan hen die jullie spreken van bovenaardse hoop! Gifmengers zijn het, of zij het weten of niet. Verachters van het leven zijn het, afstervend en zélf vergiftigd. Die de aarde moe is: mogen zij heengaan!”
Zarathoestra bindt hier regelrecht de strijd aan met de heersende godsdienst. De godsdienst wordt altijd gezien als de voorvechtster van al het goede en alle deugd. Dit is de eerste maal in de geschiedenis dat de rollen volkomen omgekeerd worden en de godsdienst te horen krijgt dat zij juist godslasterend is, of in modern verstaanbare taal – want aangezien de bijbelse persoonlijke God dood is, bestaat er ook geen godslastering meer – dat zij aardelasterlijk is. In de Antichrist legt Nietzsche het ’gifmengen’ zo uit:
Als men het zwaartepunt van het leven niet in het leven legt, maar verlegt naar een ’hiernamaals’, – dus naar het niets – dan heeft men aan het leven elk gewicht ontnomen. De grote leugen van de persoonlijke onsterfelijkheid doet alle rede, en alle natuur in het instinct teniet. Alles wat aan de instincten weldadig is, het leven begunstigt en de toekomst garandeert, roept voortaan wantrouwen op. Zo te leven dat het geen zin meer heeft om te leven, dat wordt nu de ’zin’ van het leven.
Deze vorm van inhoud geven aan het menszijn noemt Zarathoestra het creëren van spoken. Het ideaal van de Bovenmens staat diametraal tegenover de traditionele godsdienst, omdat die de mens eeuwig klein en zondig wil houden en steunend op God, op bovennatuurlijke machten en krachten. De godsdienst vervloekt de mens en veracht het op menselijke kracht steunen – hoogstens worden wij mensen ternauwernood gered van de vreselijke goddelijke straf die wij allemaal geheel verdiend eigenlijk zouden moeten ondergaan – en de godsdienst vervloekt en veracht het aardse bestaan, want het bestaan is in de ban van de zonde en van boze machten die altoos hun best doen tegen God in te gaan.
Zarathoestra’s taak is de aarde na duizenden jaren van haat tegen het lichaam en tegen het aardse bestaan, haat tegen al het natuurlijke, tegen alles wat sterk is en geslaagd (Nietzsche noemt dit ’ressentiment’), eindelijk weer terug te winnen voor de mens. Dit kan alleen gedaan worden door het opgeven van dromen van een wereld achter deze wereld, die als ’echte wereld’ wordt gezien (in tegenstelling tot deze wereld die men ’schijnwereld’ noemt), en als mensheid niet meer passief het leven en de toekomst (’de wederkomst van Christus’) af te wachten, maar zélf scheppend bezig te zijn: de Bovenmens zal de zin der aarde zijn. De Bovenmens als het bewust creëren van de zin van het aardse menselijk bestaan onderscheidt hem van de plant, de levensvorm die blind door het leven gaat.
De lering over de aarde vloeit noodzakelijkerwijs voort uit de lering over de Bovenmens, want de Bovenmens zal op aarde en in de verre toekomst gestalte moeten krijgen. Zarathoestra roept mensen dus op in plaats van de hemel, de wereld van de toekomst, van onze nakomelingen te eren. Nu wordt de uitspraak ”Voor aalmoezen ben ik niet arm genoeg” nog duidelijker: Zarathoestra is niet geïnteresseerd in verzachting van eeuwig lijden, maar in de verheffing van het gehele mensenras, zodat aalmoezen in het geheel niet meer nodig zijn.
Op dit punt aangekomen hoort men plotseling iemand uit de massa als grap roepen dat we nu wel genoeg over de koorddanser gehoord hebben, en men hem nu eindelijk maar eens moet laten aantreden! Alle mensen lachen Zarathoestra uit…
4 Zarathoestra’s Zaligsprekingen
Zarathoestra staat verbaasd vanwege deze interruptie. Maar terwijl een koorddanser zijn act begint, pakt Zarathoestra meteen de draad weer op en steekt hij een tweede toespraak af. De toonzetting is op slag geheel anders. We hebben hier één van de allermooiste passages van het boek onder ogen, één van de meest sublieme teksten die ooit geschreven zijn. De mooiste omschrijvingen om liefde in de betekenis die Zarathoestra eraan geeft inhoud te geven, komen hier als een prachtig voortstromende beek voorbij. Men zou ze De Zaligsprekingen van Zarathoestra kunnen noemen (vgl. Mattheüs 5, de Zaligsprekingen van Jezus, ook wel Bergrede genoemd).
Alles wat meewerkt aan de uiteindelijke komst van de Bovenmens is om lief te hebben. Om het nog duidelijker te maken gebruikt Zarathoestra het optreden van de koorddanser als schitterende metafoor:
De mens is een koord, geknoopt tussen dier en Bovenmens, een koord boven een afgrond. Een gevaarlijk naar-de-overkant, een gevaarlijk onderweg, een gevaarlijk achteromkijken, een gevaarlijk huiveren en staanblijven.
Groot aan de mens is dat hij een brug is en geen doel: te beminnen aan de mens is dat hij een overgang is en een ondergang.
Een overgang, dwz. geen eindpunt, maar een schakel naar steeds hogere manifesteringsvormen.
De ondergang is dus niet tragisch, maar vanwege de eigenschap ’overgang’ een zegen. De mens maakt gelukkig altijd plaats voor het grotere dat ná hem komt. Indien de mens niet zou ondergaan, zou de Bovenmens nooit kúnnen verschijnen.
Zij die niet weten te leven tenzij als onder-gaanden, zijn de mensen die Zarathoestra zalig verklaart, want dit zijn de mensen die hun levensdoel bereiken. Zij die de grote vereerders en pijlen van verlangen naar de andere oever zijn, zijn zalig, dus niet de met haat vervulde verachters, maar zij die verachten uit hunkering naar beter. Zij zijn zalig die zich aan dit leven opofferen, en niet hun tijd verdoen met een buitenaardse zin van het leven, want zij bouwen aan de wereld van de Bovenmens. Zij zijn zalig die leven om inzicht te verkrijgen waar de Bovenmens – dus de toekomst – mee gediend is. Zij zijn zalig die werken en uitvinden om de aarde, dier en plant toe te bereiden voor de Bovenmens. Zij zijn zalig die zich toeleggen op de deugd die de wil tot ondergang is, omdat zich inzetten voor een verlangen naar beter altijd tot ondergang leidt. Zij zijn zalig wiens ziel zich verkwist: want hij schenkt altijd en wil zichzelf niet behouden. Zij zijn zalig die zelfs hun God weten te vermanen, want zij hebben innerlijke oprechtheid hoger aangeschreven dan zelfbehoud. Let ook op deze tere zaligspreking, één die met alle aantijgingen over Nietzsche als ’meedogenloze man van staal’ de vloer aanveegt:
Hem heb ik lief wiens ziel diep is, ook in de verwonding, en die aan een klein gebeuren te gronde kan gaan: zo gaat hij over de brug.
Elke nieuwe zaligspreking is als een pijl die recht op zijn doel – de moderne mens – afstevent. Mensen die al deze kwaliteiten aan de dag leggen zijn verkondigers van de bliksem, herauten van de Bovenmens, zware druppels uit de wolk. ”Deze bliksem echter heet Bovenmens” zijn de woorden waarmee de toespraak eindigt. Veel is geschreven over Nietzches ideaal van de Übermensch. Maar we merken op dat de Bovenmens in de hele rest van het boek niet meer aan de orde komt. De Bovenmens is een ideaal dat voor de mens altijd een ideaal blijft en nooit verwezenlijkt zal worden. De Bovenmens als doel neemt de plaats in van wat vroeger geloof in God genoemd werd. God bleek niet te bestaan zoals we hem gedacht hadden, maar de Bovenmens blijft voor de mens eeuwig een zinnig denkbeeld.
Zarathoestra zet mensen dus niet aan Bovenmensen te worden, maar slechts om wegbereiders van de Bovenmens te worden, zoals hij ook zichzelf ziet. Op ieder moment van de geschiedenis kan worden opgeroepen tot het leren van de Bovenmens, altijd moet de mens worden opgeroepen tot overstijgen van zijn huidige verschijning. De mens die zich uitroept tot Bovenmens heeft er niets van begrepen; hij heeft juist het tegenovergestelde bereikt: de eb van de vloed te willen zijn, liever terugkeren tot dier dan tot het overwinnen van de mens. Voorzichtigheid is geboden met Nietzsches lering over de Bovenmens, want zoals gezegd is deze lering van eeuwige gewilde evolutie de aanzet, maar eindigt het boek met de lering van de eeuwige wederkomst van hetzelfde. Het eerste idee gaat uit van een lineaire ontwikkeling naar gestadig hoger, het tweede idee is volkomen tegengesteld aan ontwikkeling, dus een circulair, cyclisch proces. De hoogste menselijke wijsheid omvat de paradox van deze volkomen tegengestelde zienswijzen.
5 De Laatste Mens
Wanneer de preek uitgesproken is, de allergrootste woorden die ooit iemand uitsprak gesproken zijn, kijkt Zarathoestra naar de menigte om te zien wat voor effect het had.
’Zie ze daar staan’, sprak hij tot zijn hart, ’zie ze lachen: ze verstaan mij niet, ik ben niet de mond voor deze oren.’
Ongetwijfeld is dit één van de diepste ervaringen die Nietzsche in zijn eigen leven opdeed, en, indien we het gewicht van deze ervaring maar intens tot ons door laten dringen, veel van zijn schrijven begrijpelijk maakt. Hij vraagt zich af op welke wijze hij mensen om zich heen de grootste dingen waar het in het leven om gaat moet duidelijk maken.
Moet men eerst hun oren stukslaan?…moet men ratelen als pauken en boetepredikers, of schenken ze alleen aan stotteraars hun geloof?
Hij doorziet de geest van de mens: mensen luisteren wanneer men ze vleit, mensen verzetten zich wanneer hun trots gekrenkt wordt. Door de beschaving waar ze zo trots op zijn te verachten, zorgt hij automatisch voor de verwerping van zijn boodschap. Hij krijgt een idee: nog een derde toespraak houden. De eerste riep op iets verhevens te scheppen – het werd niet verstaan. De tweede wás de meest verheven tekst – er werd niet geluisterd. Nu probeert hij het nog eens: een toespraak over het meest verachtelijke, iets zó verachtelijks dat de domste het nog zal begrijpen en zich trots voelen tenminste dáár niet toe te behoren…
Het onderwerp van deze toespraak is De Laatste Mens. Eerst laat Zarathoestra nogmaals weten dat het nu tijd is om de kiem te planten voor ’s mensen hoogste hoop. Nu is de grond er nog rijp voor en rijk genoeg. Maar dan kijkt hij een toekomst in waar het op uit zal lopen wanneer men niet naar zijn woorden luistert. Er zal dan een tijd komen dat de mens volkomen verleerd zal hebben te verlangen naar grootse dingen en het najagen van sterren. Zarathoestra ontpopt zich opeens tot een bijbelse onheilsprofeet: ”Wee!” klinkt drie maal. ”Ziet! Ik toon jullie de laatste mens.” Deze mens, het produkt van generaties lang zelfingenomenheid, gezapigheid en geestelijke luiheid, zal vragen: ”Wat is liefde? Wat is schepping? Wat is verlangen? Wat is ster?” Hij lacht om al die zotte aspiraties en hemelbestormers van vroegere generaties, hij weet alles nu beter: allemaal drukte om niets. Alleen de kleine dingen, de alledaagse, zijn belangrijk. Het gaat erom lang te leven. Het gaat erom het geluk uit te vinden en tevreden te zijn. Het gaat erom lekker warm en behaaglijk te zijn, knus en gezellig koffie te drinken, weelde om je heen te hebben, alle plaatsen van hardheid te ontvluchten, vooral geen risico’s nemen. Men werkt nog net, want men heeft een manier gevonden om van arbeid ontspanning te maken, maar windt zich nergens meer over op. Men loopt nog net, maar past op niet moe te worden. Men wordt niet meer arm noch rijk: allebei te bezwaarlijk. Wie wil nog regeren? Wie nog gehoorzamen? Beide te vermoeiend. Geen herder meer en één kudde, dat is het ideaal. Iedereen wil hetzelfde, iedereen is gelijk: wie anders voelt gaat vrijwillig naar het gekkenhuis. ’Vroeger was iedereen in de war’ is hun lievelingsfrase. Men is schrander en weet vanalles, maar let op: met als voornaamste doel goed te kunnen spotten! Men maakt nog ruzie natuurlijk, maar verzoent zich vlug, anders bederft de maag. Men heeft zijn pretje voor de dag, en natuurlijk zijn pretje voor de nacht, maar men houdt de gezondheid in ere.
De lezer vindt hier wellicht enige beschrijvingen van levenswijzen die de moderne mens overal om zich heen ziet. Geen wonder, want wanneer Zarathoestra dit gezegd heeft schreeuwt de menigte:
Geef ons deze laatste mens! Dan schenken we jou wel die Bovenmens!
En iedereen jubelt en joelt en lacht vanwege deze prachtig opgevoerde show van Zarathoestra. Hier schildert Nietzsche bewust een parallel met het verhaal over de veroordeling van Jezus. Wanneer Pilatus tot de slotsom komt dat Jezus onschuldig en een goed man is, laat hij het volk kiezen tussen Barabbas, een terrorist, en de vreedzame Jezus. En het volk schreeuwt: Geef ons Barabbas! en Aan het kruis met Jezus!
Zarathoestra’s leer over de Laatste Mens staat als alternatief tegenover de leer aangaande de Bovenmens. Beide zijn extreme uitersten van het menszijn. Beide vormen van menszijn zijn mogelijk als gevolg van de dood van de christelijke God. Atheïsme heeft twee gezichten. Het atheïsme van de laatste mens wordt gevoed door de restanten van de oude christelijke religie. ”Lief zijn voor elkaar”, ”alle mensen zijn gelijk”, ”fatsoenlijkheid”, ”doe maar gewoon” en ”de scherpe kantjes van de menselijke natuur afslijpen” zijn de hoogtepunten in deze levensvisie, hoogtepunten als Nederlandse bergjes. Voor het merendeel wordt dit denken echter gevoed door luiheid, stilzitten en zucht tot enerverend vermaak en spotten. Dit denken behoort tot de essentie van het christendom. Ludwig Feuerbach staat aan de basis van Nietzsche’s inzicht in de laatste mens, het produkt van eeuwenlange christelijke prediking waar alle scherpe kantjes van af zijn geslepen. In zijn de Essentie van het Christelijk Geloof (1841) laat Feuerbach in elk hoofdstuk zien dat het christelijk geloof een denksysteem is dat perfect voldoet aan de vervulling van alle menselijk wensdromen, waarvan het hoogtepunt altijd een passieve zelfbevrediging is:
De dogma’s die aan de basis staan van het christelijk geloof zijn allemaal invullingen van de wensdromen van het hart, anders gezegd, de essentie van het christelijk geloof is identiek aan de essentie van het menselijk gevoel. Het is aangenamer passief te zijn dan te moeten handelen, aangenamer verlost te worden door een ander dan zichzelf te verlossen, aangenamer behoudenis van een persoon af te laten hangen dan van een kracht die men zelf moet zien te produceren, aangenamer een object van liefde voor zich te hebben, dan voor de taak van een grote krachtsinspanning te staan. Het is aangenamer zichzelf door God geliefd te voelen, dan slechts te leven met de eenvoudige natuurlijke liefde voor zichzelf, waarmee alle wezens geboren worden; aangenamer zichzelf te zien als het object van liefde in de stralende ogen van een ander, dan zichzelf in de holle spiegel van het zelf te zien of in de koude diepten van de oceaan van de Natuur. kortom, het is aangenamer toe te geven aan de eigen gevoelens en ze te beschouwen als de werkingen van een ander, wiens gevoelens toevallig juist identiek zijn met de eigen gewilde gevoelens, dan zichzelf te besturen door de rede.
Hoofdstuk 15
De Verlosser, de Godmens, is de bevrediger van alle innerlijke morele behoeften en wensen, want hij zorgt ervoor dat de mens van zijn kant niets meer hoeft te doen. Alles wat men wenst is al tot stand gekomen. Gij wenst te winnen, geluk te verdienen? De moraal is de voorwaarde, het middel tot geluk. Maar men kan aan deze voorwaarde niet voldoen…maar gelukkig, in werkelijkheid hoeft men er niet aan te voldoen. Dat waar men naar op zoek is, is al tot stand gebracht. Men behoeft het slechts passief in ontvangst te nemen, men heeft slechts geloof nodig, men hoeft er slechts van te genieten. Gij wilt dat God u welgezind is, Hij niet vertoornd is, dat uw geweten vrede ervaart? Maar deze vrede bestaat al; de vrede is de Middelaar, de God-mens. Hij is uw tot rust gekomen geweten. Hij is de vervulling van alle eisen, en daarmee de vervulling van uw eigen wensen en krachtsinspanningen.
In het vervolg van het boek zullen om beurten de traditioneel christelijk gelovigen en de ’moderne mensen’ aangesproken worden. Wat die laatsten betreft is het geheel onduidelijk of die nu atheïstisch of christelijk genoemd moeten worden, want modern aangepast christendom is vrijwel hetzelfde als atheïsme zonder Bovenmensidealen. Maar de term Laatste Mens zal door Zarathoestra niet meer worden gebruikt. Ikzelf lees het boek verder als iemand die ergens in zichzelf flarden van zowel streven naar de Bovenmens als kenmerken van de Laatste Mens in zichzelf herkent. Een mens is een koord geknoopt tussen dier en Bovenmens. Te beminnen aan mij en u is dat we een overgang zijn. Ook in één en hetzelfde leven.
Op dit punt eindigt de eerste rede van Zarathoestra, ”die men ook wel ’Voorrede’ noemt”. De Voorrede (die uit drie onderdelen bestond) is zo’n gepassioneerde, dramatische tekst, dat zij het gevaar oplevert de gehele rest van het boek in haar schaduw te stellen. Richard Strauss, de componist die het concertstuk ’Also sprach Zarathustra’ schreef viel juist in deze val, maar Nietzsche niet. We blijven elke volgende bladzijde van het boek zonder moeite met de grootste aandacht volgen. De indrukwekkende opening van Nietzsches boek is het gevolg van tien jaar filosoferen over slechts deze ene vraag: nu de mensheid op de drempel van ongekende veranderingen in het denken staat – op welke manier kan de toekomst van de mensheid in goede banen worden geleid en kunnen de grootste ontwrichtingen en negatieve ontwikkelingen vermeden worden? Nietzsche voelde al anderhalve eeuw geleden heel sterk dat de stroom de richting van ’de laatste mens’ op zou gaan. Mensen lachen niet alleen om de boodschap van Zarathoestra, diep in hun hart haten ze hem. Zelfs met precies dezelfde haat die men altijd heeft gehad voor de vroom gelovige!
6 De Koorddanser
De ’voorrede’ houdt op, maar het verhaal gaat nog verder. Wat volgt is de les van het mislukken van Zarathoestra’s optreden. De oude heilige had het Zarathoestra al voorspeld, maar hij moest het zelf ondervinden voor hij het kon geloven, want de consequentie – er is geen hoop voor de massa – is bijna te moeilijk om te aanvaarden.
Het wordt opeens spannend: de koorddanser is al halverwege, maar er springt opeens een hansworst tevoorschijn die met snelle stap hem achterna loopt. Deze behendige figuur begint de koorddanser uit te schelden:
Vort, lampoot, vort, luilak, gluiperd, bleekscheet! Pas maar op dat ik je niet kietel met mijn hiel! Wat voer jij hier uit tussen torens? In de toren hoor je thuis, opsluiten moesten ze jou, een betere dan jij versper je de vrije baan!
Opeens springt hij met een forse sprong over de koorddanser heen, waardoor de koorddanser uit balans raakt. Hij tuimelt naar beneden, de diepte in. Overal stuiven mensen uiteen en buitelt men over elkander heen. Maar Zarathoestra blijft rustig staan, en het lichaam valt precies naast hem op de grond. Zwaar gewond, maar nog niet helemaal dood. Wanneer de verbrijzelde man zijn bewustzijn nog even terugkrijgt zegt hij:
Ik wist allang dat de duivel mij ooit beentje zou lichten. Nu sleept hij mij naar de hel.
Zarathoestra zegt hierop met klem dat er helemaal geen duivel bestaat en ook geen hel. Er valt niets te vrezen! Hierop zegt de stervende koorddanser:
Als jij de waarheid spreekt verlies ik niets wanneer ik het leven verlies. Ik ben niet veel meer dan een dier dat men heeft leren dansen, met slaag en karige brokken.
Hoewel deze pijnlijke conclusie maar al te waar is geeft Zarathoestra hem een andere gedachte, een gedachte die óók waar is:
Jij hebt van het gevaar je beroep gemaakt, daar is niets verachtelijks aan. Nu ga je aan jouw beroep te gronde: daarvoor wil ik jou met mijn handen begraven.
Opnieuw zien we hier hoe Zarathoestra verre van meedogenloos en verbitterd over het leven is, maar het positieve in het leven zoekt. Verre van waardeloos is het leven van de koorddanser waardevol geweest, want hij verhief zichzelf ver boven de massa en was altijd moedig. Deze eigenschappen krijgen het grootste respect van Zarathoestra.
In de bijbel van Nietzsche zijn we nu aangekomen op de zondeval (Genesis 3). Aangezien Zarathoestra ontkent dat er een duivel bestaat moeten we ons afvragen wie er dan met de hansworst bedoeld wordt, wie er voor de val van de koorddanser verantwoordelijk is. Het is natuurlijk niet moeilijk dit te raden: deze figuur staat voor de kleine club mensen die de massa’s in bedwang houden door ze ’op te voeden’ met godsdienst, mensen die zichzelf vanouds uitdossen in bonte gewaden om indruk te maken. Het is de godsdienst die de mens zondig maakt door hem voor zondaar en nietsnut uit te schelden. Het is de godsdienst die zelf lopen verbiedt en mensen in torens opsluit. De geestelijke leiders zijn zelf zeer behendig. Ze zijn taalacrobaten en ontspringen zelf de dans die ze voor alle anderen noodlottig maken. In de Antichrist (§29) geeft Nietzsche de beroemde 19e eeuwse theoloog Renan zelfs letterlijk de benaming ’hansworst’. Nietzsche geeft hier trouwens in een pikant detail een hint voor de theologen. Ze zullen zich bij het lezen van dat vreemde woordje ”de hiel” meteen herinneren wat er in de bijbel staat. God zegt in het verhaal van de zondeval (Genesis 3) tegen de duivel, die in de vorm van een slang de mens verleidde: ”Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, en jij bijt hen in de hiel.” Nietzsche laat hier nu de geestelijke leider optreden als de sluwe duivel: hij is het die de mens ”kietelt met zijn hiel”, dwz. die iedereen laat zien dat hijzelf niet door de slang gebeten is, maar als enige hoogstaande mensheid aan de dag legt. De geestelijke kweekt alle andere mensen tot grote zondaar en laat iedereen zo vallen tot hun dood, maar ziet zichzelf als ’begenadigde’, instrument in de hand van God, de enige die kan lopen.
7 Het midden tussen een nar en een lijk
De massa wordt slechts bespeeld door nieuwsgierigheid en door angst, en natuurlijk door vermoeidheid. Zo gaat iedereen tenslotte heen en zit Zarathoestra ’s avonds eenzaam naast een dode op de grond. Voordat de koorddanser zijn laatste snik gaf, bewoog hij nog even zijn hand, ”alsof hij Zarathoestra’s hand zocht als dank”. ”Een mooie visvangst vandaag!” zegt Zarathoestra, de alternatieve visser van mensen (Matth. 4:19). Als eerste maar ook enige bekeerling vangt hij een lijk.
Naargeestig is het menselijk bestaan en nog altijd zonder zin: een hansworst kan het noodlottig worden.
Alweer een zinspeling op de christelijke hansworsten: de gelovigen hebben zich vanwege het naargeestige bestaan absurde fantasieën geschapen – zoals de mythe van de zondeval – die noodlottig zijn geworden voor het denken van de mens. Maar Zarathoestra vraagt zich nu ook af of hijzelf niet eenzelfde hansworst genoemd kan worden. Heeft hij zich misschien eveneens een absurde fantasie geschapen? Hij wil de mensen de zin van het leven leren – de Bovenmens -, maar niemand begrijpt hem. De mensen zijn het er nog niet helemaal over eens of hij nu een nar is waar je goed om kunt lachen of een gevaarlijke idioot die je beter uit de weg kunt ruimen.
De vraag blijft onbeantwoord, maar als het ware knagen aan Zarathoestra: in de grond van de zaak is hij een idealist op dezelfde manier als de religieus gelovigen, waartegen hij zich afzet. Zarathoestra heeft zelfs dezelfde geestesgesteldheid als de evangelist en ondergaat hetzelfde lot: beiden zetten ze zich af tegen de geseculariseerde mens die zich tot het dagelijks leven beperkt en welgenoegzaamheid tot hoogste geluk uitroept, beiden stellen ze er een alternatief tegenover waar volgens hen beslist naar geluisterd dient te worden, en beiden worden door de grote massa verworpen.
8 Spotters en verleiders
Zarathoestra besluit het lijk zoals beloofd te begraven. Tijdens het lopen met het lijk op z’n rug komt hij plotseling de hansworst tegen. Nu weten we het zeker dat hij dominee/priester is: hij ontpopt zich als iemand die niet zo erg is als hij er op het eerste gezicht uitzag, als iemand die het beste met zijn medemensen voor heeft. In de behoedzame politiek-uitgekookte stijl waarvoor hij al eeuwenlang beroemd is – vooral in de katholieke kerk – vertelt hij hier de waarheid over zijn kudde, en laat hij zien dat hijzelf hier eigenlijk boven staat. Hij fluistert Zarathoestra nu in het oor:
Ga weg uit deze stad, velen hier haten je. Jou haten de goeden en rechtvaardigen, en zij noemen je hun vijand en verachter; jou haten de gelovigen van het ware geloof, en zij noemen jou een gevaar voor de menigte. Je had geluk dat ze om je lachten, en inderdaad, je praatte ook als een hansworst. Je had geluk dat je het gezelschap van deze dode hond koos: door je zo te vernederen heb jij jezelf voor vandaag gered. Vertrek nu uit deze stad, of ik zal morgen over je heen springen, een levende over een dode.
En meteen is deze man weer verdwenen. Hij legt overduidelijk de reden aan de dag waarom hij van mening is dat de massa in de toren opgesloten behoord te zijn: ze is gevaarlijk. Hij alleen begrijpt de ware natuur en afkomst van de mens (beestachtig), en dat hij niet gelooft in de mens, maar in zijn zondigheid en verdorvenheid, is de hoogste wijsheid. Dat Zarathoestra met de tegengestelde leer aan komt getuigt er wel van dat laatstgenoemde aartsdom is. Natuurlijk behoort deze geestelijke leider zelf niet tot dit verdorven menszijn, hij is een zeldzame uitzondering. Om de geestelijke superioriteit voor zichzelf te bewijzen komt hij deze daad van menslievendheid nu bewijzen aan Zarathoestra. Hoe scherp legt Nietzsche hier het hart van menige geestelijke uit alle eeuwen bloot!
In De Wil tot Macht schrijft Nietzsche over priesters:
Priesters zijn de toneelspelers die het bovennatuurlijke op een eenvoudige manier aan de man moeten brengen, of het nu idealen, goden of verlossers betreft; hiertoe zijn zij geroepen, hiertoe bewijst hun instinct zijn diensten. Om alles zo geloofwaardig mogelijk te maken moeten ze zo ver als mogelijk gaan in het doen alsof en de schijn ophouden. De sluwheid van deze toneelspelers ligt bovenal in de kunst zichzelf een goed geweten te verschaffen. Dit is namelijk de eerste voorwaarde om een ware overtuiging aan te hangen. (138)
Middelen [die de priester gebruikt]: Alleen hij heeft kennis; alleen hij beschikt over deugd; alleen hij beheerst soeverein zichzelf; alleen hij is in zekere zin God en gaat terug op het goddelijke; alleen hij is de middelaar tussen God en alle andere mensen; de godheid straft elk verzet, elke gedachte gericht tegen de priester. De waarheid bestaat en er is maar één manier tot de waarheid te komen: priester worden. Alles wat goed is in de maatschappij, in de natuur en in de traditie kan men terugleiden op de wijsheid van priesters. (139)
De hier gebezigde woorden van de geestelijke laten goed zien hoezeer het gaat om een frontale botsing tussen ’het ware geloof’ (christendom) en de nieuwe leer van Zarathoestra. Het gaat hier om een wereldwijde oorlog tussen tegengestelde zienswijzen die allebei ’het beste voor de mensheid’ zeggen te bieden en elkaar voor hansworsten uitmaken.
Vervolgens stuit Zarathoestra op doodgravers. Ze herkennen hem en drijven voortdurend de spot met hem en voorspellen dat hij spoedig aan zijn eind zal komen. Het zijn alweer ’professionelen’, mensen die het beter weten, illustraties van de laatste (postmoderne) mens waar Zarathoestra over zei:
Men is schrander en weet van alles wat er gebeurd is: dus kan men eindeloos spotten.
De spotters zijn ’de doodgravers van God’, zoals we lazen in het fragment over de uitzinnige die God zocht.
De doodgravers maken hem ook uit voor dief, en alweer had de heilige die Zarathoestra waarschuwde gelijk. Zarathoestra zegt geen woord tegen de doodgravers en loopt door. Hij volgt de raad van Jezus op: laat de doden de doden begraven.
Wanneer hij honger krijgt klopt hij op de deur van een afgelegen huis waar een vreemde brompot woont: ”Wie komt mij en mijn slechte slaap bezoeken?” Zarathoestra herinnert hem aan de oude leer: ”Wie de hongerige spijzigt, verkwikt zijn eigen ziel: zo spreekt de wijsheid”. De oude kluizenaar haalt brood en wijn op (=dwz is ontvankelijk voor godsdienst) en zegt dat hij niet de kwaadste is. ”Maar zeg ook jouw metgezel, dat hij eet en drinkt, hij is vermoeider dan jij.” Wanneer Zarathoestra uitlegt dat de metgezel dood is antwoordt de kluizenaar vreemd: ”Gaat mij niets aan, wie aan mijn huis klopt, moet ook nemen wat ik hem biedt. Eet en vaart wel!” Blijkbaar gaat hierop de deur weer dicht en eet en drinkt Zarathoestra niets. De kluizenaar is het beeld van de gelovige mens die de realiteit wil ontvluchten door contact met de barre en boze wereld zoveel mogelijk te vermijden en zijn ogen, oren en deuren zoveel mogelijk dicht te doen voor de feiten. Zijn levensinstelling is negatief. Hij volgt de raad van religie nog steeds op maar ervaart geen vreugde. Hij gaat nog steeds door met de eucharistie (de maaltijd van brood en wijn), hoewel hij er al lang van overtuigd is dat Jezus geen levende realiteit is, maar dood.
Zarathoestra heeft zo oog in oog gestaan met drie verleidingen van de duivel, of drie vormen waarin de duivel zich aan ons voordoet; uiteraard dezelfde als de verleidingen die de duivel in petto had voor Jezus (Matth. 4:1-10): toegeven aan honger (de kluizenaar), een gemakkelijke manier om overwinnaar te worden (de cynische geestelijke leider), en een verleiding van ijdele trots, de verleiding spotters (de doodgravers) de mond te snoeren.
9 Het nieuwe inzicht
Na goed geslapen te hebben wordt Zarathoestra vroeg in de ochtend wakker met een blijmakend nieuw inzicht:
Metgezellen heb ik nodig, en wel levende – geen dode metgezellen en lijken die ik meedraag waar ik heen wil. Levende metgezellen heb ik veeleer nodig, die mij volgen omdat zij zichzelf willen volgen – en daarheen waar ik heen wil.
Zarathoestra wil volgelingen, maar op een andere manier dan vroeger: hij wil geen herder over een kudde worden, maar mensen vinden wiens eigen wil overeenkomt met zijn wil, dwz. volwassen mensen met volwassen geloof. Van nu af aan zal hij zich bezig houden met het weglokken van de kudde vandaan. Laten de herders over de kudde (=dominees/priesters) maar boos op hem zijn en hem rover noemen; rover is juist wat hij wil zijn.
Zarathoestra laat vervolgens zijn gedachten gaan over de christenen: ze noemen zich ’de goeden en rechtvaardigen’ en ’gelovigen van het ware geloof’ (iets wat hij uit de mond van hun leidsman, de hansworst gehoord had), dus het is niet anders dan logisch en onvermijdelijk dat ze al het andere zwart maken. Hun stenen tafels (verwijzing naar de tien geboden) zien ze als de beste, dus iedereen die hun waardetafels verbreekt moeten ze wel haten. Maar wie anders is de wettenbreker dan de schepper! Vernietigers worden ze genoemd, en verachters van goed en kwaad, maar in werkelijkheid zijn scheppers oogsters van velden die rijp staan om geoogst te worden (=dwz noodzakelijk zijn en op het juiste moment komen) en feestvierders.
Metgezellen zoekt de schepper, en medeoogsters: want alles staat bij hem rijp om te oogsten. Maar hem ontbreken de honderd sikkels: dus rukt hij aren uit en heeft spijt.
Medescheppers zoekt Zarathoestra, metgezellen in het oogsten en feesten zoekt Zarathoestra: wat heeft hij met kudden en herders en lijken van doen!
Kudden (christengelovigen), herders (hun dominees/priesters) en lijken (=de gekruisigde Jezus) is de aanduiding voor het christelijk geloof.
Zarathoestra begraaft zijn eerste metgezel in een holle boom, goed verborgen voor de wolven. Daarna spreekt hij uit:
Geen herder zal ik zijn, geen doodgraver. Zelfs praten wil ik niet meer met het volk; voor het laatst sprak ik tot een dode.
Het volk op zichzelf ziet Zarathoestra als een ’dode massa’, equivalent van de dode op zijn schouders. Het heeft geen nut zich hierop te richten. Vanaf nu spreekt Zarathoestra alleen tot mensen die hem als van nature begrijpen. Over de weifelaars en talmers zal hij heenspringen. ”Laat zo mijn gang hun ondergang zijn.” Een zinspeling op wat de koorddanser overkwam: die raakte volledig uit balans toen een behendiger persoon over hem heen sprong en moest de vreselijke consequenties ervan ondergaan.
10 De adelaar en de slang
Nadat Jezus de verleiding in de woestijn had doorstaan lezen we in Mattheüs 4:11:
”Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.”
Voor Zarathoestra gaat het zo: Wanneer de zon op zijn hoogst staat richt Zarathoestra zijn blik op en komt er een adelaar aanvliegen.
En aan hem hing een slang, niet als een prooi, maar als een vriendin: want zij had zich om zijn nek gekronkeld.
Dit blijken de dieren van Zarathoestra te zijn. De adelaar, het trotste dier onder de zon, en de slang, het schranderste dier. In de oude religie van Zarathoestra stond de adelaar als het symbool voor licht en de slang als het symbool voor duisternis. De nieuwe Zarathoestra ziet ze samengebonden, symbool voor het overwinnen van het dualisme, van licht en duisternis, hemel en hel, God en mens. Vanaf nu zijn goed en kwaad een harmonie. Trots en schranderheid (andere symbolen waar de adelaar en de slang in de oudheid voor stonden) worden streng veroordeeld in het christelijk geloof, maar vanaf nu staan ze juist aan de basis van gezond menszijn. ”Moge mijn dieren mij leiden!”, spreekt Zarathoestra uit. Maar dan komt opeens de oude heilige in het bos hem weer voor de geest, de persoon die totaal niets snapte van de bedoelingen van Zarathoestra. Daarom roept hij uit:
Mocht ik toch scherpzinniger zijn! Mocht ik toch hartgrondig schrander zijn, zoals mijn slang! Maar een onmogelijkheid vraag ik daar. Zo vraag ik dan mijn trots, dat hij steeds mijn scherpzinnigheid zal vergezellen! En mocht mijn scherpzinnigheid mij ooit verlaten: – ach, hoe graag niet vliegt zij heen! – laat mijn trots dan met mijn dwaasheid vliegen!
De laatste zin vraagt om scherpzinnigheid die zijn trots waardig is.
Zo wordt Zarathoestra’s Voorrede bewust besloten als een kerkdienst met de zegen.
Tenslotte volgt nog één zin: ”Aldus begon Zarathoestra’s ondergang.” Paragraaf 1 eindigde exact met dezelfde woorden. Paragraaf 2 tot 10 was dus als het ware een valse start, en het verhaal begint nu overnieuw. Zarathoestra had de woorden van Jezus niet geloofd (”Ik zend jullie als schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang.” Mt. 10:16) en moest eerst een lesje leren. Wellicht moest hij leren niet uit de hoogte neder te dalen en tegen mensen te spreken waar hij op neerkijkt, maar zichzelf als mens onder gelijken te zien. In het vervolg zien we hem dan weer alsof hij al een superieur Bovenmens is, dan weer als worstelend mens, zichzelf pijnigend, zoals u en ik rondlopen. We kunnen er nooit zeker van zijn of hij zijn les nu uiteindelijk leerde of niet…
In het vervolg van het boek lokt Zarathoestra velen weg van de kudde (inwoners van de stad ”De Bonte Koe”, een naam die humoristisch aanduidt dat de inwoners ervan kuddedieren zijn) door hen alle kleuren van de regenboog te tonen en alle opwaartse trappen tot de Bovenmens.
De diepere zin van de Voorrede
Wanneer men de gehele Voorrede opnieuw en opnieuw langsgaat en overdenkt, zal men telkens weer nieuwe zaken opmerken. Allereerst zal men opmeken dat Nietzsche in de kern dezelfde boodschap predikt als alle christelijke eeuwen: een evangelie dat aan de wereld verkondigd moet worden, waaraan gehoorzaamd moet worden, omdat het de uiting is van ’de hoogste hoop’ en omdat een cultuur die zegt ”Wij geloven nergens meer in” te gronde gaat of op z’n minst te verafschuwen is. De Bovenmens neemt hier de plaats in van Christus en het streven naar de Bovenmens is hier de opvolger van de Imitatio Christi, de oude navolging van Christus, de god-mens. Het dienen van de godin Aarde als zijnde goed komt in de plaats voor het dienen van de God van de Hemel. Zowel de god-mens als het begrip God zijn als fantomen ontmaskerd. De Laatste Mens heeft zijn parallel in de zondige mens (in de bijbel ook wel de Eerste Mens, Adam) van het christelijk geloof. Beiden dienen om in mensen het verlangen op te wekken iets beters te zoeken. De ’verachting’ en walging van Zarathoestra is dezelfde verachting en walging die gelovigen altijd gehad hebben voor het lage menszijn; de laatsten noemden het in de regel ’het zondige menszijn’. Zarathoestra en het christelijk geloof kleuren ’verachtelijk’ precies op tegengestelde manieren in: voor de christenen is ’aards’ verachtelijk, voor Zarathoestra juist alles wat niet aards is. En net als vele zaken die gelovigen als ’zonden’ bestempelen zijn de kenmerken van het Laatste Menszijn waar Zarathoestra zo’n hekel aan heeft voor het merendeel geheel onschuldig en kunnen ze zelfs gemakkelijk gezien worden als een zeer redelijke vorm van leven. Verbluffende overeenkomsten voor zulke diametraal tegenovergestelde denkwerelden! We kunnen dus concluderen dat in Zarathoestra-Nietzsche precies dezelfde ’geest’ huist als in de gelovige, iets wat hij later in het hoofdstuk over priesters (II.4) zelf ook toegeeft, en hij ook al aanduidde door het boek ”een soort vijfde evangelie” te noemen.
Het grote verschil met het christelijk geloof is dat de mens nu de functie van God moet zien over te nemen. De moderne mens wordt hiertoe gedwongen, omdat de oude God door het moderne weten is uitgewist, maar hij weet ook dat zoiets een hachelijke onderneming is, een onderneming waaraan hij ten onder zal gaan. Dit is de diepere betekenis van het verhaal van de koorddanser. Wanneer we dit gedeelte nog eens analyseren komt de gedachte boven drijven dat het wellicht niet slechts de beschrijving is van de gevaarlijke weg die de mens in het algemeen bewandelt, of een beeld van de christelijke mens die ’de smalle weg bewandelt’ en door de godsdienst naar beneden wordt gegooid, maar de beschrijving van Nietzsches eigen persoon, de persoon die op precies dezelfde manier als Jezus het lef heeft een nieuwe smalle weg aan te wijzen en er natuurlijk zelf als eerste op moet lopen: een gevaarlijk naar-de-overkant. ”Zoiets kan een hansworst noodlottig worden”. Iedereen die een poging doet om het bestaan uit te leggen, die zoekt naar teleologie (een leer die uiteindelijke zin en doel aan het leven geeft) is een hansworst. De boodschap van iedere teleologie klinkt verheven en inspirerend (het equivalent van de act van de koorddanser), maar het koord van Nietzsche (de moderne mens) is niet gespannen over een rivier of bergruggen, maar boven een zinloze hoogte, de markt: de Bovenmens is een ongrijpbaar doel, op precies dezelfde wijze als de oude hemel, want wie kan boven zichzelf uit scheppen? De tocht over het koord is in de grond slechts een toneelspel, een gevaarlijke act waar iemand zélf voor gekozen heeft en die hij wíl opvoeren, hoewel hij weet dat het een zinloze tocht is van de ene toren naar de andere toren die er precies eender uitziet. Dit kan men de kern van het menszijn noemen. Naderhand ziet deze mens in dat de hansworst die de koorddanser opjut eigenlijk zijn eigen schaduw is, onze innerlijke duivel, de schaduw die zoals we hierboven zagen in het eerste citaat over de ’dood van God’ ook het symbool voor de oude God is. De mens schept zijn eigen eenacter en valt te pletter. Dat Zarathoestra niet opzij gaat en het lijk vlak naast hem neervalt laat zien dat het bij hem hoort; het lijk is hijzelf. Uiteindelijk loopt Zarathoestra met zijn eigen lijk op z’n schouders. ”Aldus begon Zarathustra’s ondergang” moet misschien nog veel zwaarder worden opgevat dan we op het eerste gezicht hadden gedacht: wat dit boek biedt is een eindeloze reis naar de allerdiepste zin van het bestaan, en die zin ontglipt uiteindelijk ook Zarathoestra, en Nietzsche weet wat de consequentie daarvan is. Opeens staren de woorden waar we eerder overheen lazen ons aan: ”Jouw ziel zal eerder dood zijn dan je lichaam: vrees nu niets meer” is als een profetie en bemoediging aangaande Nietzsches eigen levenseinde. Nietzsche werd zes jaar later waanzinnig en verkeerde daarna tien jaar in een katatonische staat. Nietzsche duikt dieper dan wie ook vóór hem in een speurtocht tot de grond van ons bestaan. Bij afwezigheid van God moet hij zich de rol van God zelf aanmeten, en daarom is zijn ondergang groter dan van welk ander mens ook. Maar het is alsof Nietzsche de hoogste zin van het leven juist vindt in het ten onder gaan, zijn ondergang wordt bewust door hemzelf bewerkstelligd, want alleen in deze reis is de allergrootste eerlijkheid vervlochten, de laatste en moeilijkste deugd die de mensheid heeft uitgevonden. ’Liefde’ en ’ten onder gaan’ zijn voor hem ook synoniemen van elkaar, zoals hij later in II.15 zegt. Déze deugd wilde hij tot het einde cultiveren. ”Jij hebt van het gevaar je deugd gemaakt, daar is niets verachtelijks aan. Nu ga je aan jouw beroep te gronde: daarvoor wil ik je met mijn handen begraven.” Hij maakt er werk van om van zo hoog mogelijk te vallen, zodat zijn leven de allerhoogste menselijke inhoud krijgt die men zich zou kunnen indenken.

