Enige vergissingen van Mozes
Ingersoll stond volkomen alleen in zijn tijd, maar hij was niet klein te krijgen, en werd een lichtend baken van een geëmancipeerde wereld. Iedere protestantse dominee zou, wanneer hij op z’n knieën gaat om tot God te bidden, zich beter tot Ingersoll kunnen richten, om hem te bedanken voor het wegnemen van de leer van de hel en de eeuwige verdoemenis. Iedere protestantse dominee heeft het aan Ingersoll te danken dat zijn God nu humaner is, een godheid van ontferming in plaats van één van haat, naijver en wraak. Iedere protestantse dominee zou hem moeten bedanken voor de bevrijding van de demoraliserende leer van de erfzonde. In de tijd van Ingersoll werd het vanaf iedere kansel gepredikt dat de verkondiging van de verschrikkingen van de hel de enige manier was om mensen deugdzamer te maken. En toch werden de mensen er alleen maar slechter van. Ze volgden eenvoudig het voorbeeld van hun afschuwelijke God. Indien God zo handelde was er geen reden om in te zien dat de mens het anders zou moeten doen. Het resultaat was dat het leven in een nachtmerrie veranderde, gebaseerd op terreur van de laagste, de gemeenste en verachterlijkste gedragingen. Ieder lid van iedere familie was in de greep van een verlammende angst.
Robert Ingersoll maakte aan dit alles een eind. De godsdienstige wereld heeft het aan een atheïst te danken dat ze van de sadistische God werd bevrijd. Ik herinner me dat ik Enige Vergissingen van Mozes las, en deze uitspraak tegenkwam: ”Ik voor mij zou mijn vrouw zeer zeker niet doden, zelfs niet indien de enige ware God van het universum mij hiertoe de opdracht zou geven.” Vanaf dat moment was mijn innerlijk bevrijd. Er vond een mentale emancipatie plaats in mijn innerlijk. Opeens verdween voorgoed het geloof in een God die een tiran kan zijn. De angst had afgedaan in mijn denken. De enige adequate woorden die het gevoel van vrijheid dat erop volgde kan beschrijven zijn de woorden van Ingersoll zelf: ”Toen ik me ervan bewust werd dat het universum op natuurwetten berustte – dat alle geesten en goden slechts mythen waren – werd ik overweldigd door een gevoel dat zich uitstrekte over mijn hersenen, mijn ziel, mijn elke druppel bloed: de sensatie en vreugde van Vrijheid. Voor het eerst was ik werkelijk vrij. Ik stond voor het eerst overeind en keek alle werelden in de ogen. En mijn hart werd vervuld met dankbaarheid, met liefde voor alle helden, denkers, die hun leven hadden gegeven omwille van deze vrijheid van hand en denken. Ik zwoer daarna hun aangereikte toorts aan te pakken, hem hoog te houden en hem te gebruiken om de resterende duisternis mee te verdrijven.”
Ingersoll dreef de barbaarsheid van de bijbelse voorschriften over het slaan van kinderen – omdat ze anders verwend zouden worden – uit de huizen van ouders, en voor het eerst maakten kinderen gelijkwaardig deel uit van de familie. Lijfstraffen werden in Ingersolls tijd beschouwd als net zo noodzakelijk als een fornuis om op te kunnen koken. Hoe zou je zonder kunnen? Ingersoll sprak uit: ”Ik zou me beschaamd voelen, wanneer ik op mijn sterfbed lig, omringd door kinderen die ik heb geslagen. Denk je in op je stervende lippen de kus te voelen van het kind dat je eens sloeg.” Volgens hem was het net zo gemakkelijk het kind aan te sporen met een kus als met een klap. Ingersolls motto was deze: ”Wanneer je naar huis gaat, wees een lichtstraal zo sterk dat het de deuren en ramen uitbarst en de donkere nacht verlicht”.
Toen ik in 1948 George Bernard Shaw bezocht in zijn huis in Aylot, aan de rand van Londen, drong hij er steeds maar bij mij op aan alles te vertellen wat ik wist over Ingersoll. Hij liet weten dat Ingersoll een enorme indruk op hem had gemaakt, en dat waarschijnlijk niemand op hem zo’n grote invloed had uitgeoefend als deze man. Telkens weer herhaalde hij hoezeer Ingersoll een inspiratie voor zijn denken en handelen was geweest.
Ik herinner me ook nog één van mijn bezoeken aan Thomas Edison. Ik noemde de naam Ingersoll en vroeg de geniale uitvinder wat hij van hem dacht. Hij antwoordde: ”He was grand”. Ik zei Edison een uitnodiging te hebben ontvangen om een radiotoespraak te houden over Ingersoll, en vroeg hem of hij misschien enige woorden ter introduktie zou willen schrijven aan mij. Dit is wat hij mij even later schreef: ”Ik denk dat Ingersoll alle eigenschappen van een volkomen mens bezat, ik denk dat een geweldiger persoonlijkheid nooit bestaan heeft.” Ik noem dit voorval om aan te tonen hoezeer Ingersoll het intellectuele leven van zijn tijd beïnvloedde.
Wat zal nog de invloed zijn van deze grote man op toekomstige generaties die betoverd zullen worden door zijn magische woorden, die via zijn uitzonderlijk voorbeeld en moed, steun en richting zullen vinden in hun streven om de wereld een betere plaats te maken?
Joseph Lewis, gedeelten uit de toespraak Ingersoll the magnificent, 11 augustus 1954
Voorwoord
Gedurende geruime tijd beschouw ik de Pentateuch (dwz de vijf boeken van Mozes) eenvoudig als een verhaal van een barbaars volk, waarin vele barbaarse plechtigheden, vele zinloze en onrechtvaardige wetten en duizenden denkbeelden voorkomen, die met bekende en bewezen feiten onverenigbaar zijn. Het scheen mij zelfs een misdaad toe als iemand onderwijzen wilde dat die verhalen door ’geïnspireerde’ personen geschreven zouden zijn. Slavernij, polygamie en veroveringsoorlogen die tevens verdelgingsoorlogen waren, kunnen immers toch evenmin goed zijn als het denkbeeld dat er eens een tijd was waarin men de goedkeuring van een oneindig Verstand, oneindige Rechtvaardigheid en Liefde kon winnen met het verkrachten van jonge meisjes of met het ter dood brengen van kinderen. Het komt mij verstandiger voor het maken van zulke wetten aan onbeschaafde volken toe te schrijven, en daarom heb ik in lezingen met als onderwerp: ”Enige vergissingen van Mozes” getracht enige fouten, tegenspraken en onmogelijkheden die in de Pentateuch voorkomen, aan te tonen. Van deze voordrachten die niet op schrift stonden, zijn verschillende verslagen gemaakt, die zonder mijn toestemming en zonder door mij herzien te zijn, gedrukt en uitgegeven werden. Toch waren deze verslagen maar uittreksels en op sommige punten onjuist en werden ze als zodanig bekritiseerd, waar men nog steeds druk mee bezig is. Om nu die eerwaarde heren de moeite te besparen hun talenten voortaan nutteloos aan fouten van verslaggevers en drukkers te verspillen, besloot ik het voornaamste van al mijn voorlezingen over dit onderwerp uit te geven.
Het lijkt mij hier de geschikste plaats om meteen op te merken dat argumenten niet met persoonlijke aantijgingen beantwoord dienen te worden, en er ook geen logica in het lasteren bestaat. Elke leugen brengt uiteindelijk, al duurt het nog zo lang, zichzelf aan het licht. Mensen die immers hun vijanden lief moeten hebben, zouden in de eerste plaats zich moeten concentreren op de waarheid over hun vrienden. Al mocht het eens blijken dat ik de slechtste persoon op aarde ben, dan zou de geschiedenis van de zondvloed er niet waarschijnlijker op worden, en de tegenstrijdigheden in de Pentateuch nog evenzogoed op een verklaring wachten.
Er was een tijd dat de leugen op de kansel donderend uitgesproken werd en als een bliksem insloeg, maar het aanbod van leugens heeft al sinds lange tijd de vraag er naar overtroffen. Tegenwoordig zijn de verkeerde opvattingen van de vromen een onschuldig tijdverdrijf geworden. Maar ik wil een ieder eraan herinneren dat het nog maar kort geleden is dat mannen, vrouwen en zelfs kinderen gevangen genomen werden, op de pijnbank gelegd werden en verbrand werden, om veel onschuldiger uitdrukkingen over deze zaken dan die nu door mij gebezigd worden. Ik mag mezelf dus zeer gelukkig prijzen dat laster het enige wapen is dat de geestelijkheid nog als hulpmiddel voorhanden staat. De oude kwel- en pijninstrumenten worden tegenwoordig slechts nog in musea bewaard om de nieuwsgierigheid te bevredigen. De ketenen verroesten en de tand des tijds staat het ons zelfs toe een bezoekje af te leggen aan de gevangenissen van de Inquisitie. De kerk is onmachtig en boos, en in plaats van al die misbruiken te betreuren is ze slechts bezorgd om het verlies van haar macht. Ze tracht nu met leugens vast te houden wat ze eens met wreedheid en geweld, met vuur en zwaard zo stevig in haar hand hield. Het christelijk geloof kan met geen enkele andere geloofsvorm in vrede leven. Als dat geloof de waarheid is bestaat er maar één zaligmaker, één geïnspireerd boek en één smal pad dat ten hemel voert. Bijgevolg is zo’n geloof per definitie immoreel en arrogant. Het christelijk geloof veracht alle andere geloofsvormen, verdeelt de wereld in vijanden en vrienden en maakt de indrukwekkende verklaring van haar Stichter tot waarheid, zijn verklaring dat Hij was gekomen om het moordend zwaard te brengen. Met zo’n tekst in de hand konden gelovigen eeuwenlang met een gerust hart overal de gevreesde brandstapels aansteken.
Al te veel lof wekt de aandacht op, het brengt vaak duizenden fouten aan het licht die anders aan onze aandacht ontsnapt zouden zijn. Ware het ons vergund de bijbel te lezen zoals we ieder ander boek mogen lezen, dan zouden we de schoonheden in dat boek bewonderen, de goede denkbeelden die erin ontwikkeld zijn op prijs stellen en het onzinnige, ruwe en wrede toeschrijven aan de schrijvers ervan, die nu eenmaal in ruwe en barbaarse tijden leefden. Maar nu worden wij van eeuw tot eeuw geleerd dat het boek geschreven werd door mensen die door God zelf geïnspireerd waren, dat het boek de wil van God bevat en het boek op alle plaatsen zuiver en waar is, dat het boek het enige lichtpuntje en de grondslag is van alle menselijke verwachtingen, de enige gids voor de mens is, de enige fakkel in de donkere nacht van de natuur. Deze opvattingen zijn zo tegengesteld aan bekende en erkende feiten, zij zijn zo overduidelijk onzinnig, dat elk vrij en onpartijdig mens zich ertegen zal verzetten.
We lezen de heidense zogenaamde ”heilige boeken” altijd met groot genoegen. Mythe en fabel heeft ons altijd bekoord en we genieten van de eindeloze herhaling van het schone, het dichterlijke en het allegorische. Wij vinden in al deze verhalen uit het verleden bespiegelingen en menselijke dromen, weemoedige pogingen van grootse en liefhebbende wezens, mensen die het mysterie van leven en dood trachtten te doorgronden, die de eeuwige vraag naar het Waartoe en het Waarheen poogden te beantwoorden en die van enkele stukjes glas een spiegel trachtten te maken, waar de gehele natuur zich in weerspiegelde. Deze mythen ontstonden uit hoop en vrees, uit smart en vreugde en zij werden door iedereen bij vreugdevolle of smartelijke gebeurtenissen aangehaald en gekleurd vanaf de rozige schemering der geboorte tot aan de droevige duisternis van de dood. Zij gaven aan sterren hartstochten en kenden aan Godheden de gebreken en tekortkomingen van mensen toe. In die mythen zijn de winden en de golven muziek, en worden meren, bossen, rivieren, bronnen, bergen, en geurige dalen door duizenden fantastische vormen bevolkt. Zij deden het ontluiken van de lente trillen met verlangen, ze maakten van de goudglanzende zomer een troon en verblijfplaats van de liefde, zij vulden de armen der herfst met rijpe druiven en schoven graan en zij schilderden de winter als een zwakke oude koning, die evenals koning Lear de tranen van Cordelia op zijn bleek gelaat voelt vallen. Al deze mythen, hoewel onwaar, zijn schoon en hebben in menige eeuw op velerlei wijze het hart van mensen verrijkt en hem bezield. Maar indien ons wordt voorgehouden dat al die vertelsels door God geïnspireerd zijn en dat eeuwige straf het lot zal zijn van degene die ze durft te ontkennen of betwijfelen -dan verliest de liefelijkste mythe uit de fabelwereld haar schoonheid en wordt ze een bron van ergernis en verachting voor elk mens.
Robert Ingersoll

Enige vergissingen van Mozes
Dit is mijn grote wens: mijn land, voor zover mijn zwakke krachten me ertoe in staat stellen, in waarheid vrij te maken. Het is mijn wens het verstandelijke peil van het volk te verhogen; vooroordelen ontstaan uit onwetendheid en vrees weg te nemen; te breken met de blinde eerbied voor het onedele verleden, alsof alles wat gestorven is groot en goed was en alles wat leeft verdorven is; alsof alle genot in het leven zonde is; alsof zuchten en kermen alleen Gods goedkeuring heeft; alsof denken gevaarlijk is en uitspraken doen na verstandelijke overwegingen een misdaad; alsof lafhartigheid een deugd is en slechts één bepaald geloof zalig kan maken; alsof het dragen van je kruis in deze wereld je voorrecht geeft in het hiernamaals; alsof we het besturen van onze ziel aan priesters en dominees moeten overlaten. Zolang niet iedereen geheel vrij wordt toegestaan elk boek, geloof en dogma voor zichzelf te onderzoeken, zal de wereld niet vrij zijn. De mensen blijven net zo lang slaaf totdat ze over genoeg verstand beschikken om voor zichzelf te denken en te spreken. En de aarde zal in een paradijs veranderen wanneer mensen leren elkaar als vrienden de hand te geven, zelfs wanneer ze over vele vraagstukken van mening verschillen.
Is het niet de grootste waanzin dat het verschil van mening over zaken waarvan niemand met zekerheid iets over kan weten, haat, vervolging en verachting tot gevolg heeft? Waarom moest men wegens verschil in opvattingen over de predestinatieleer, over de Drie-eenheid, elkaar gevangen nemen en laten verbranden? Gaat dit niet elk menselijk begrip te boven? En toch werden in alle landen waar het christelijk geloof maar de overhand had, mensen om deze redenen verdelgd. Waarom moet een waarlijk gelovige een godloochenaar haten? De godloochenaar benadeelt God toch in het geheel niet, is toch evengoed een mens, heeft ook vreugde en smart, en heeft dus ook evenveel aanspraak op de rechten van de mens? Zou het niet beter zijn de godloochenaar net zo te behandelen als hij ons behandelt? Bovendien zeggen christenen nog dat ze zelfs hun vijanden lief hebben. Zoiets verlang ik niet eens van ze. Ik verlang zelfs niet eens dat ze hun vrienden lief hebben. Ik verlang slechts dat zij degenen die het met hen niet eens zijn met eenvoudige burgerbeleefdheid behandelen. Wij verlangen geen vergiffenis, we wensen slechts dat de christenen zich zo zouden gedragen dat wij hun nooit vergiffenis behoeven te schenken. Indien allen slechts zouden toegeven dat iedereen het recht heeft op zijn eigen opinies, dan zou de kwestie al opgelost zijn. Maar zolang georganiseerde en machtige kerkgenootschappen beweren de sleutels van hemel en hel te bezitten, en ieder die voor zichzelf denkt en hun gezag ontkent voor misdadiger uitmaken, zolang zal de wereld vol haat en nijd blijven. Mensen te haten en God te dienen zijn synoniemen van elkaar en dit is het voornaamste ingrediënt van elke geloofsuiting.
Wat in de meeste landen gebeurde is ook in Amerika gebeurd. Zodra een geloof wordt gesticht vertellen de ontwikkelden en machtigen -dwz de priesters en de edelen- aan de onwetenden en bijgelovigen -dwz aan het volk- dat dit geloof door God zelf aan hun voorouders werd gegeven, en dat het de enige ware godsdienst is; dat alle andere geloven door leugens en bedrog ontstonden en dat allen die het ware geloof onderschrijven eeuwig geluk zullen krijgen, en dat daarentegen alle anderen die dit geloof missen in de hel zullen moeten branden. Om over het volk te heersen, of in andere woorden, om door het volk onderhouden te worden, verklaren priesters en edelen dit geloof voor heilig en zeggen ze dat degenen die er iets aan toevoegen of er iets van afnemen, in dit leven door de mensen en in het hiernamaals door God zelf verbrand zal worden. Het resultaat hiervan is dat de priesters en de edelen het volk nooit zullen toestaan van geloof te veranderen. En in het geval dat na verloop van tijd de priester zelf nieuwe inzichten opdoet, dan zal het volk op zijn beurt het hem niet toestaan. Eerst wordt de menigte de slaafse navolger van priesters en later speelt de menigte de baas.
In de eerste plaats wens ik de orthodoxe geestelijkheid van dwingelandij vrij te maken. Ik ben met hen bevriend. Niettegenstaande hetgeen ze van mij zeggen ben ik bezig hun een grote en blijvende dienst te bewijzen. Zij mogen namelijk niet lezen en denken wat ze maar willen. Zij worden als papegaaien geleerd en de beste geestelijken zijn zij die zonder haperen de spreuken die zij geleerd hebben kunnen herhalen. Als uilen zitten ze allemaal op een dode tak van de boom der kennis en krijsen ze hetzelfde geluid wat al 1800 jaar geklonken heeft. Hun kerkgenootschappen zijn niet zeker genoeg en ook niet genoeg ontwikkeld om de arme predikanten het denken toe te staan. Het is ook niet nodig, want onderzoek is gevaarlijk. Predikanten worden daarom voortdurend gewaarschuwd dat niemand hier op staat te wachten en, in het geval het toch gebeurt, het niet geduld zal worden. Zij behoren zich in de eerste plaats aan het oude geloof vast te houden en elke oorspronkelijke gedachte te vermijden als een ziekte. Iedere predikant wordt dus gebruikt om een advokaat te zijn voor de eeuwige onveranderlijkheid van alle zaken, een advokaat voor zowel de klager als de beklaagde. En verandert hij van gedachten, dan wordt hij beschouwd als een deserteur en overeenkomstig hiermee veroordeeld, gehaat en gelasterd. Een orthodox geestelijke mag nu eenmaal nooit van gedachten veranderen. Hij doet de belofte nooit nieuwe feiten te vinden en ze te ontkennen in het geval hij ze ooit mocht vinden. Dit nu is de positie van de protestantse evangeliedienaar in de 19e eeuw. Ik wens hem een veel betere betrekking toe en om hem die te bezorgen zal ik alles doen wat in mijn vermogen is.
Er zijn enkele geestelijken die in staat zijn onafhankelijk te denken en zich als vrije mensen te handhaven, maar dit zijn uitzonderingen. De meesten zijn gedwongen zich aan de voorschriften van de orthodoxie en de overledenen te onderwerpen. Ze bekleden immers geen ambt om hun eigen gedachten te spuien, maar moeten slechts de gedachten van anderen herhalen. Zij mogen twijfels die bij hen opkomen nooit uitspreken. Men eist van hen dat ze op het dorre pad dat het verleden eens in onwetendheid insloeg, blijven doorlopen. De bossen, de velden aan elke kant van de weg hebben geheel niets voor hen te betekenen. Zij mogen niet kijken naar de purperen heuvels in de verte, zij mogen niet stilstaan om naar het murmelen van het beekje te luisteren. Ze moeten blijven lopen op de stoffige weg waarlangs allerlei verkeersborden staan. Hiertoe behoren richtingwijzers zoals ”de zondeval”, ”uitdrijving uit de hof van Eden”, ”het schema der zaligmaking”, ”de wedergeboorte” ”de boetedoening”, ”de zaligheid der verlosten”, en ”de ellende der verlorenen”. Ze moeten er zeer voor oppassen ooit zelf een richtingaanwijzer te plaatsen. Voor de zekerheid kan men het beste altijd de uitspraken van reeds lang gestorvenen aanhalen. Hoe levendiger zij het lijden beschrijven van hen die nog niet tot het geloof behoren, van hen die schouwburgen bezoeken of dansgelegenheden, of wijn drinken in zomertuinen op zondag, van hen die aan priesters ongehoorzaam zijn, des te geslaagdere predikanten ze zullen zijn. Zij moeten aantonen dat ellende de goeden geschikt maakt voor de hemel en voorspoed de slechten voor de hel voorbereidt; dat de bozen hier al het goede en de goeden hier al het kwade krijgen; dat God op aarde slechts hen kastijdt, die Hij liefheeft, en in het hiernamaals degenen die Hij haat; dat het geluk ons hier, maar niet in de hemel slecht maakt; dat pijn ons hier, maar niet in de hel goed maakt. Het komt er niet op aan hoe tegenstrijdig dit alles aan ons verstand moge toeschijnen, het moet slechts gepredikt en geloofd worden. Indien het geloof redelijk zou zijn zou er immers geen deugd om te geloven bestaan! Afpersers en zondaars geloven tenslotte ook in het redelijke. Het wordt de vrome en oprechte christen dus als verdienste aangerekend geheel losstaand van bewijs te geloven.
De geestelijken moeten vanwege hun ambt afstand doen van alle verstandelijke vermogens en aantonen dat wij God nooit welgevallig kunnen zijn, dan met de bekentenis dat wij arme, door zonde bedorvene, nietige aardwormen zijn, dat wij nooit geboren hadden moeten worden en dat wij het eigenlijk verdienen verdoemd te worden; dat onze zucht ons te vermaken schandelijk is, dat het liefhebben van onze vrouw en kinderen meer dan God al even schandelijk is; dat onze eventuele eerlijkheid slechts gebaseerd is op de slechtste beweegredenen en dat wanneer we het lef hebben te twijfelen aan de inspiratie van de Joodse Geschriften, we wel heel diep gevallen zijn. Kortom, zij moeten afstand doen van alle prettige wegen waarlangs schaduwrijke bomen groeien, ze moeten de velden en bloemen vervloeken en het kaf en het onkruid verheerlijken. Zij moeten zoveel mogelijk kwaadspreken over dat boze volk dat in groene valleien woont, bij opwellende bronnen zit, dat lacht en maar zijn gang gaat zoals het hun goeddunkt. Ze moeten steeds wijzen op de gevaren van vrijheid van gedachten, ze moeten de zekerheid van absolute gehoorzaamheid ophemelen, de ondeugd van filosofie en de deugd van geloof, de arrogantie van de wetenschap en de reinheid van de onwetenden altijd aantonen.
Sommige vrome lieden ontdekken af en toe een jongeman met religieuze neigingen, met een lichaam niet ziekelijk genoeg om te sterven en niet gezond genoeg om een vlieg kwaad te doen. Bij hen komt dan de gedachte op dat hij een zeer geschikt orthodox predikant zou kunnen worden. Ze houden dan onderling een collecte en sturen deze jongeman naar een theologische hogeschool, waar hij geleerd wordt een geloofsbelijdenis uit zijn hoofd op te dreunen en het gebruik van het verstand te verachten. Mocht het gebeuren dat deze jongeman over eigen verstand beschikt en na wat studie te hebben opgedaan eigen meningen begint te verkondigen die in strijd zijn met het zuivere leerstelsel, dan zal iedere gelovige die een euro voor zijn scholing heeft bijgedragen zich bedrogen voelen en hem als oneerlijk beschouwen.
Kerken moesten hun predikanten enige vrijheid toestaan. Zij moesten hen op z’n minst toestaan de waarheid te zeggen. In Massachusetts hebben we een plaats Andover genaamd, waar zo’n bijbelschool is gevestigd, waar iedere professor eens in de vijf jaar -de tijd die men de levensduur van zo’n eed waard acht- zweert gedurende de volgende vijf jaar niet van de vastgestelde meningen te zullen afwijken. Waarschijnlijk is geen enkele andere eed zo gemakkelijk te houden. In ieder geval is het geheel zeker dat er in dat instituut nog nooit een meineed is gepleegd. Het oude geloof wordt er al jaren geheel zuiver onderwezen. Ze houden ook nu nog steeds vol dat God oneindig wijs, machtig en goed is en dat alle mensen volledig door de zonde bedorven zijn. Ze beweren dat het edelste wezen dat God schiep al een paar momenten nadat hij geschapen werd verdoemd was. Andover zet zijn stempel op elke predikant, op dezelfde manier als dat de industriële plaatsen Sheffield en Birmingham hun handelsmerk overal opzetten. Iedereen die hen tegenkomt weet precies wat voor vlees hij in de kuip heeft, welke boeken de predikant heeft gelezen, welke de argumenten zijn waarop hij steunt en welk kaliber verstand hij heeft. Ik heb de Andover-school niet gekozen omdat ze van inferieure kwaliteit zou zijn. Integendeel, alle bijbelscholen zijn ongeveer gelijk. de leerkrachten zijn meestal predikanten die niet zo geschikt zijn op de preekstoel te staan. Vaak worden ze naar het seminarium teruggestuurd vanwege hun gebrek aan verstand en hun overvloed van blind geloof. Over het algemeen weten ze totaal niets van deze wereld en nog minder van het hiernamaals, maar zij hebben de verdienste alle tegenstrijdigheden zonder blikken of blozen met stelligheid te kunnen verkondigen.
Voor deze mensen zou ik zo graag iets willen doen. Ik zou ze zo graag willen vrijmaken. Hen moest worden toegestaan eens te mogen beginnen met leven, – zon en lucht te mogen hebben. Zij zouden niet meer gebonden moeten worden aan geloofsbelijdenissen, aan stoffige boeken en achterhaalde opvattingen. Ik weet dat er duizenden predikanten zijn die er diep naar verlangen hun oprechte mening eens te mogen uitspreken, maar ze moeten voor hun gezin zorgen en durven het niet. Ze moeten brood hebben en worden daarom gedwongen leerstelsels te prediken die ze in de grond van hun hart verfoeien. Ter verkrijging van huisvesting, spijs en kleren moeten ze alle kinderachtige wonderen van het verleden verdedigen en de verhevendste ontdekkingen van het heden ontkennen. Ze worden gedwongen iedere moderne gedachte te bestrijden, de gevaren van de wetenschap aan te tonen, op de de slechtheid van het onderzoek wijzen en de bedervende invloed van de logica bloot te leggen. Ze moeten steeds aantonen dat deugd gelijk staat aan onwetendheid en geloof, terwijl ondeugd synoniem is voor feiten en bewijzen. Hun ambt brengt met zich mee dat ze voortdurend de Voltaires, de Humes, de Paines, de Humboldts, Tyndals, Haeckels en de Darwins, de Spencers en de Drapers moeten aanvallen, belasteren, en vernederen terwijl ze hun hoofd moeten buigen voor onbuigzame authoriteiten die ruime ervaring hebben met vervolging en laster. Zij moeten de jongelui van begin af aan al een vooroordeel tegen de wetenschap aanpraten. Voortdurend maken ze het gebruik van het verstand belachelijk.
Deze predikanten voegen natuurlijk nooit ook maar iets toe aan de kennis. Zij produceren in het geheel niets. Ze leven van wat werkende mensen hun geven. Aan vrolijkheid en vreugde hebben ze een gruwelijke hekel. Ze hebben de leiding bij het trouwen, ze sprenkelen wat water over het hoofd van pasgeboren kindertjes en lepelen wat betekenisloze woorden en uit de lucht gegrepen beloften op boven het lijk. Ze spotten wanneer ze ongelovigen in doodsangst zien, of hen in tranen zien, en over hun zorgen maken ze zich bijzonder vrolijk. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Heel af en toe staat er op de kansel een echt oprecht en dapper mens. Zij zijn ongetwijfeld verbonden aan een geloofsgemeenschap dat het hen toestaat met enige vrijheid meningen te uiten. Hoe beschaafder onze maatschappij wordt, des te meer de predikanten vrijheid zal worden toegestaan. Er komt nog een tijd dat alle predikanten hun beste en verhevendste gedachten zullen uitspreken. De kerken zullen het een keer zat worden altijd te moeten luisteren naar patriarchen en heiligen en over mirakels en wonderen.
Scholen zonder ideologie
Het is ook mijn wens de scholen vrij te maken. Wanneer een professor van een hogeschool een feit, een waarheid vindt, moet hij hierover vrij mogen spreken, zelfs indien het onverenigbaar is met hetgeen de Bijbel ons vertelt. De publieke opinie mag de professor niet dwingen zulke waarheden maar stil voor zich te houden, zoals een indiaan een parel in zijn hand houdt en hem wegwerpt. Op een enkele uitzondering na bestaat er in de Verenigde Staten geen hogeschool waar de waarheid altijd welkom is. Zodra een leraar de inspiratie van de Bijbel ontkent, krijgt hij zijn ontslag. Indien hij een feit ontdekt dat niet overeenstemt met de Schrift, des te slechter voor het feit en in het bijzonder voor de vinder ervan. Hij mag het verstandelijk vermogen van zijn leerlingen niet met bewijzen bederven. Hij moet trachten elke waarheid op de één of andere wijze met het bijgeloof der Joden in overeenstemming te brengen, of het nu mogelijk is of niet.
De wetenschap heeft niets met geloof gemeen. Feiten en wonderen sluiten elkaar uit en zullen dus nooit met elkaar overeenstemmen. Het zijn gezworen vijanden van elkaar. Wat heeft godsdienst met feiten te maken? Niets. Bestaat er een Doopsgezinde wiskunde, een Katholieke sterrenkunde of een Anglicaanse plantkunde? Waarom dus moeten er scholen bestaan op ideologische basis? Men behoort toch enkel onderwijs te geven in hetgeen we weten. Ons belastinggeld wordt niet betaald om raadsels op te lossen via geloofsovertuigingen. De school zonder ideologie is dus van levensbelang voor ieder volk, en het mag niet aangetast worden met de klamme en dorre handen van het bijgeloof.
Zolang er geen duidelijke scheiding tussen kerk en school bestaat zal ons schoolsysteem nooit op hoog peil staan. Zolang de verminkte verhalen van een barbaars volk door priesters en professoren worden voorgetrokken boven het menselijk verstand, kan er maar weinig nut uit school of kerk voortkomen. In plaats van professoren die iets uitvinden te ontslaan, zou men er beter aan doen hen te ontslaan die nooit met iets nieuws komen. Iedere wetenschapsman moet ervan verzekerd kunnen zijn dat onderzoek voor hem geen gevaar op zal leveren, dat zijn broodwinning niet afhangt van de resultaten van het onderzoek, en dat zijn salaris niet zal worden ingetrokken wanneer hij tot de slotsom komt dat die oude Joden niets van de gehele geschiedenis van de wereld afwisten. Bovendien is het ook niet eerlijk dat de Katholieken voor de Protestantenschool moeten bijdragen, evenmin dat ongelovigen en atheïsten belasting moeten betalen voor scholen op religieuze basis.
De wetenschap heeft niets te maken met sektegeest. Mensen hebben elkaar nooit vervolgd omdat zij in de wiskunde niet met elkaar overeenstemden. Gezinnen worden nooit verdeeld vanwege de resultaten in de botanie, en naar aanleiding van de sterrenkunde zal iemand nooit zijn vader en moeder haten. Alleen over dingen waarvan de mensen eigenlijk totaal niets met zekerheid weten, vervolgen zij elkaar. De wetenschap brengt geen zwaard, maar vrede. Zolang het geloof op de scholen overheerst, deugt de wetenschap niet. De scholen moeten worden opgedragen aan de Wetenschap der Eeuwige Waarheid. Wij moeten iedere leraar toestaan om zoveel mogelijk feiten (waarheden) te verzamelen als hij maar kan om ons licht te schenken en de Natuur te begrijpen, onverschillig waar de feiten ons brengen. Wij moeten hem toestaan eerlijk te zijn voor zichzelf, volstrekte eerlijkheid van uitspraken moet zelfs van hem verlangd worden. Hij moet weten dat hij geen enkel boek hoeft te ontzien, evenmin de uitspraken van overledenen of nog levende authoriteiten. Van hem moet slechts verwacht worden dat hij alles onderzoekt en op basis van zijn eerlijke opinies uitspraken doet terwijl hem de waarborg wordt gegeven dat hij de vruchten van zijn onderzoek volkomen zonder vrees aan ons mag voorleggen.
Vele wetenschappers die onder hun collega’s geen naam konden maken, proberen tegenwoordig erkenning van de Kerk te krijgen met het uitgeven van vage en onduidelijke theorieën over de overeenstemming van Genesis met de geologie. Precies zoals huichelaars gewoon zijn, vereenvoudigen deze lieden de zaken en verdraaien en veranderen zij de feiten en betekenis der woorden, zodat ze er in slagen van andere huichelaars handgeklap te ontvangen. Maar onder de ware wetenschappers worden deze mensen gewaardeerd zoals veldheren de marktkooplui waarderen, die hun waar aan beide legers aanbieden. Ongetwijfeld zal er eens een tijd komen dat de welvaart van volken niet meer verkwist zal worden aan propaganda voor geloven berustend op onwetendheid en overtuigingen gebaseerd op wonderen. Er zal ooit eens een tijd komen dat kerken en kathedralen ten nutte van de mens gebruikt zullen worden, dat predikanten en priesters de ontdekkingen van de levenden van hoger belang zullen achten dan de dwalingen van de doden; een tijd waarin de waarheden van de Natuur de ”heilige” leugens van het verleden van tafel zullen vegen, en een enkel feit van meer betekenis zal zijn dan alle wonderen van de Heilige Schrift. Wie kan zich de vooruitgang van de wereld indenken, indien al het geld dat nu verkwist wordt aan bijgeloof, besteed zou worden aan het schenken van kennis aan iedereen ter wereld, om iedereen op te voeden en iedereen te beschaven? Wanneer elke kerk een school wordt, elke kathedraal een hogeschool, elke geestelijke een onderwijzer en al hun toehoorders gezonde en eerlijke denkers worden, dan en niet eerder zal de droom van de dichter, van de patriot, van de filantroop en van de wijsgeer tot een werkelijke en gezegende waarheid worden.
Politiek zonder godsdienstige ideologie
Ook is het mijn wens de politiek vrij te maken. Thans is het zo dat nooit iemand op zijn eigenwaarde geschat wordt. Hij behoort tot kerken, verenigingen en allerlei ’ismen’, en zonder die bijvoegsels kan hij de politiek niet in. Kandidaten worden bijgevolg altijd gedwongen te zeggen dat ze Katholiek zijn met Protestantse neigingen, of Christen met een liberale kijk op de zaken, of gelovigen die toch ook wel een glaasje wijn kunnen waarderen, of indien ze niet tot een kerk behoren er meteen aan toevoegen dat hun vrouw wel aktief is, en hij toch wel de kerken geldelijk steunt voor het goede wat ze doen. Het resultaat hiervan is dat wij huichelaars belonen en lieden kiezen die geen enkele vaste principes hebben. Zoiets zal nooit veranderen wanneer het mensen niet toegestaan wordt individueel te denken wat men verkiest.
Politiek moet geheel seculier zijn. De godsdienstige overtuigingen van een kandidaat behoren geheel buiten spel blijven. Hij zou geen verantwoording van zijn godsdienstige overtuigingen moeten hoeven afleggen. Dingen zoals wat hij van mening is over de inspiratie van de Bijbel, over de kinderdoop, of over de onbevlekte ontvangenis. Zulke zaken zijn strikt privé en doen er niet toe. Hij moet dat voor zichzelf mogen uitmaken, en mocht hij dan tegen de wet en wil van God ingaan, laat dat dan een zaak tussen hem en God zijn.
De mensen zouden kandidaten moeten kiezen op basis van wat ze over staatkundige zaken afweten. Mensen die verstand hebben van de tegenwoordige grootte van ons land, en de toekomstige grootte kunnen voorzien. Als we storm op zee krijgen en er vakkundig ingegrepen moet worden, vragen we niet eerst aan de zeeman die klaar staat om in het want te klimmen wat zijn opinie is omtrent de vijf hoofdpunten van het Calvinisme. Ons staatsbestuur heeft met het geloof niets te maken. Het is noch christelijk, noch heidens, het is eenvoudig werelds. Maar zolang als men doorgaat met voor of tegen kandidaten te stemmen op grond van hun godsdienstige overtuigingen, zolang zal ook de huichelarij hoogtij vieren. Zolang de kandidaten hun werkelijke meningen moeten verbergen, en de politicus steeds moet proberen mensen van een andere godsdienstige overtuiging die hij veracht, vleiend te laten zien dat hij toch wel zo ongeveer met hen overeenstemt, zolang zullen alle eerlijke mensen geen kans hebben gekozen te worden. De kerken worden zo politieke instellingen. In Amerika is bijna elke katholiek een democraat en bijna elke methodist een republikein. Straks zijn de kerken politiek al even scherp verdeeld als leerstellig.
De vrijheid van de mens is in de handen van de kerk nooit veilig. Waar bijbel verbonden wordt aan wereldse macht wordt de mens altijd een slaaf. Alle wetten die de mens dwingen God te dienen zijn gemaakt door dezelfde geesten die de brandstapels aanstaken en de kerkers van de inquisitie lieten bouwen. Alle wetten die atheïsme verbieden en straffen, die er dus een misdaad van maken wanneer een mens zijn eerlijke gedachten laat gaan over de Bijbel, die er een misdaad van maken wanneer men zich vrolijk maakt om de onnozelheid van antieke joodse schriften, die er een misdaad van maken om plezier en vermaak op zondag te hebben, al die wetten zijn door schaamteloze dwepers gemaakt en moeten door eerlijke mensen herroepen worden. Een almachtige God is zeer wel in staat voor zichzelf op te komen en heeft de beschermende hand van de staatswetgeving helemaal niet nodig. Indien God de God is waarvoor men Hem uitmaakt zou Hij er voor moeten zorgen dat Hij zo handelde dat zulke wetten om het bespotten van Hem te voorkomen in het geheel niet nodig zouden zijn. Niemand komt er op het beledigen en belachelijk maken van Shakespeare strafbaar te stellen. Eenvoudig omdat zoiets niet lukt. Het verbaast mij dan ook ten zeerste dat een God wél een boek kon schrijven dat in staat is de spotlust van zijn kinderen op te wekken. Maar wat onze politici betreft, ze kunnen wel wat beter werk verrichten dan telkens de letterkundige reputatie van een joodse God te beschermen en op te houden!
De dictatuur van godsdiensten
Laten we in dit hoofdstuk nu eens vergeten dat wij Baptisten, Methodisten, Katholieken, Calvinisten of Vrijdenkers zijn, maar slechts mannen en vrouwen. ”Man en Vrouw” is trouwens de hoogst mogelijke titel die men ons geven kan. Alle andere titels maken ons kleiner, want ze tonen aan dat wij onze eigen persoonlijkheid hebben opgegeven en ons gezag ergens anders van hopen te krijgen, in andere woorden dat we volgelingen van één of ander systeem zijn geworden. Laten we al die etiketten opgeven om de volgende vraagstukken niet als partijgangers te onderzoeken, maar als mensen die allemaal vervuld zijn van dezelfde vrees en hoop.
We weten dat onze meningen hoofdzakelijk afhangen van onze leefomgeving, van het ras waartoe we behoren, van de landstreek en van onze opvoeding. Wij zijn het resultaat, het produkt van talloze voorwaarden; we erven deugden en ondeugden, waarheden en vooroordelen vanaf de geboorte. Waren wij in Engeland geboren, met weelde omgeven, met macht omkleed, dan zouden we tot de Anglicaanse kerk behoren en geloven aan het samengaan van kerk en staat. We zouden er dan op aandringen dat godsdienst een noodzaak en behoefte voor het volk is. En wanneer het volk niet verstandig genoeg was dit in te zien, zouden we het als een plicht zien er één voor hen te maken en ze te dwingen die aan te nemen. In die omgeving zouden we het als zeer oneerbiedig beschouwen zonder toga de kansel op te gaan, en onze gebeden zouden we uit een boek voorlezen. Maar indien we tot de lagere klasse zouden behoren dan zouden we vast tot de afgescheidenen behoren en tegen de pracht en praal van de High Church protesteren. Waren wij -om nog maar iets te noemen- in Turkije geboren, dan zouden we naar alle waarschijnlijkheid islamieten zijn en in de inspiratie van de Koran geloven. We zouden dan geloven dat Mohammed de hemel bezocht had en we zouden weet hebben van de engel Gabriël, die zó groot is en wiens ene oog zó ver van het andere verwijderd is, dat een forse kameel driehonderd dagen nodig heeft om die afstand af te leggen. Had iemand deze geschiedenis ontkend, dan zouden we hem voor een gevaarlijk persoon hebben gehouden, voor iemand die de grondvesten van de maatschappij tracht te ondermijnen en die van plan is het onderscheid tussen goed en kwaad te vernietigen. We zouden zo iemand uitgedaagd hebben wat hij ons voor die geweldige engel in ruil zou geven. Wij zouden een engel van dergelijke afmetingen toch niet voor niemandal afstaan. We zouden hem er bovendien op wijzen dat de beste, de wijste mensen hun vertrouwen op de Koran gesteld hadden. Als bewijs dat de Koran het beste boek is zouden we aankomen met de brieven van filosofen, veldheren en sultans. We zouden hem erop wijzen dat Turkije zijn grootsheid en voorspoed aan dat boek alleen te danken had. We zouden hem beschuldigen van verwaandheid het beter te weten dan de grootste geesten van het land, zich wijzer te achten dan al zijn voorvaderen. We zouden hem er nog op wijzen dat duizenden in de ure des doods door bladzijden uit de Koran getroost werden en gestorven waren met glans in hun ogen, starende naar de visioenen van de hemelse harem en verheugd deze wereld van smart te mogen verlaten en in te ruilen voor een betere. We zouden de christenen als een lage soort van mensen beschouwd hebben en zouden telkens herhalen: Er is maar één God, en Mohammed is zijn profeet.
Maar waren we daarentegen in India geboren, dan zouden we het geloof van dát land hebben aangenomen. We zouden dan de oude verhalen die daar de ronde doen voor even waar en heilig houden en zouden een bedelmonnik voor een beter mens aanzien dan de mensen waarvan hij bedelt en door wie hij onderhouden wordt. We zouden dan aan één God met drie hoofden geloven in plaats van aan drie Goden met één hoofd, zoals nu.
Iemand beweert wel eens, dat het geloof van zijn vader en moeder goed genoeg voor hem is en hij verwondert zich erover dat men een beter geloof zou verlangen. Toch zijn wij evenmin verplicht onze ouders in het geloof na te volgen als we ze navolgen in de politiek, de wetenschap of de kunst. China is als het ware versteend enkel uit eerbied voor zijn voorouders. Waren onze voorouders tevreden gebleven met het geloof van hun voorouders, dan zouden we nooit vooruitgang gemaakt hebben, maar nog steeds barbaren gebleven. Toch toont men geen ware eerbied voor zijn ouders wanneer men hun dwalingen voort zou zetten. Goede vaders en moeders wensen altijd dat het hun kinderen beter zal vergaan. Zij wensen dat hun kinderen de hinderpalen waarover zij eens struikelden zullen overwinnen en de fouten van hun opvoeding niet nog eens herhalen. Indien u uw ouders eer wilt aan doen, breng het dan verder dan zij. Los problemen op die voor hen onoplosbaar waren, bouw beter op dan zij het konden. Uw onafhankelijke mannelijkheid op het graf van vader en moeder op te offeren, is een eerbetoon zonder de minste waarde. Waarom moet een zoon die een onderwerp onderzoekt zijn verstand aanranden en het altijd precies zo blijven zien als zijn moeder het deed? Is zulk een besluit niet voor beiden een belediging?
We moeten er op wijzen dat dit voorouders-argument tenminste zo oud is als de tweede generatie en dat het nooit ergens anders voor diende dan om de mens tot slaaf te maken. Het ontstond meestal om die reden dat instemming altijd veel gemakkelijker is dan eigen onderzoek. Indien we dit principe aan zouden hangen zou het de vooruitgang van iedereen beletten, behalve van mensen die vrijdenkers als ouders hebben.
Het is natuurlijk voor veel mensen moeilijk het geloof waarin men is opgevoed aan de kant te zetten, en toe te geven dat hun ouders zich hadden vergist en dat de verhalen die in het land voor heilig werden gehouden slechts mythen en fabels waren. Wanneer we maar een ogenblik in de wereld rondkijken komen we overal heilige verhalen, religies en denkbeelden over het eren van God tegen. Al die verschillende denkbeelden kunnen toch niet tegelijkertijd waar zijn. Aangezien het wel een mensenleeftijd duurt om alle elementen van deze verschillende systemen te onderzoeken, is het zeer onredelijk om iemand voor eeuwig te verdoemen alleen omdat hij door toeval een verkeerd geloof erop nahield.
Bijna alle godsdiensten zijn produkten die stammen uit barbaarse tijden. De beschaafde volken stelden zich ermee tevreden het barbaarse geloof van hun voorvaderen enigszins bij te stellen, maar hebben nooit een nieuw geloof gemaakt. Bovendien hebben alle godsdiensten het kenmerk van zeer egocentrisch te zijn. Een geloof kwam in de regel voort uit een kleine volksstam die zichzelf van het hoogste belang achtte en op alle andere volken neerkeek als buiten de belangstelling van hun God staande. In alle landen was het altijd een misdaad de ’heilige verhalen’ te loochenen, de priesters te bespotten, oneerbiedig van de goden te spreken en in gebreke te blijven de nietsdoende huichelaars die het hiernamaals voor een ieder regelden, van goederen en geld te voorzien. In de alleroudste tijden bestond deze godgeleerde klasse die als het ware als parasieten van de eerlijke mensen en harde werkers leefden uit waarzeggers, zieners, tovenaars, goochelaars, profeten, sterrenwichelaars en planeetlezers. Tegenwoordig noemen we hen ’geestelijken’.
Wij moderne mensen maken op deze algemene regel geen uitzondering en hebben dus ook onze ’heilige boeken’ op dezelfde manier als alle andere volken. ook wij beweren dat onze boeken de enig ware zijn, de enige boeken die God werkelijk inspireerde en uit God zelf zijn voortgekomen. We houden staande dat alle andere ’heilige boeken’ door bedriegers of huichelaars geschreven werden. We beweren dat het Joodse volk het enige was waar God persoonlijk mee sprak en dat alle andere profeten en zieners alleen door bedrog en leugens geïnspireerd werden.
Het is natuurlijk een ongeëvenaarde vreemde zaak dat God een barbaars, klein en onbekend volk, dat met andere volken weinig of niets te maken had, tot zijn boodschappers voor de gehele mensheid uitkoos, maar we kunnen het moeilijk een almachtige God verwijten dat Hij een volk op zulk een lage trap van ontwikkeling plaatste dat het een openbaring nodig had. We kunnen natuurlijk ook niet begrijpen waarom een openbaring -indien die nu eenmaal voor iedereen noodzakelijk was- maar aan zeer weinigen gegeven werd. Ik weet natuurlijk best dat het bijzonder slecht van mij is zulke gedachten op te schrijven en dat onwetendheid altijd het beste wapen is waarmee men zich kan beschermen tegen de toorn van God. Ik weet ook dat onderzoekers die het van hun verstand verwachten nooit de hemel zullen vinden, dat diegenen die goed uit hun ogen kijken om de juiste weg te kunnen zien, die weg zeer zeker nooit zullen zien, maar dat slechts de mens die zich vrijwillig laat blinddoeken of zich door blindheid laten geleiden met zekerheid op het smalle pad zullen blijven.
Wie dus onze heilige boeken leest moet ze of geloven of de kwellingen van de verlorengaanden ondergaan. Men zegt ons dat we tegenwoordig het voorrecht hebben dit voor onszelf te onderzoeken, maar aan dit voorrecht kleeft de voorwaarde dat wij móeten geloven, of het ons nu redelijk voorkomt of niet. Wij mogen met anderen over alles wat in de bijbel staat van mening verschillen, maar niet de waarheid van enig woord daaruit in twijfel trekken. We moeten geloven dat dit boek wat men noemt ’geïnspireerd’ is. Gehoorzamen we aan alle voorschriften, maar niet aan de inspiratie van de bijbel, dan worden we nog evenzogoed verdoemd als wanneer we aan al zijn woorden ongehoorzaam waren. Wij hebben het recht niet alles op de weegschaal van het verstand te leggen, en ook niet om de bijbel te toetsen aan de natuurwetten of aan de feiten die de ondervinding en ervaring oplevert. Doen wij dit toch, dan stellen wij ons -zo zegt men- boven het Woord van God en kritiseren wij bijgevolg het werk van onze Schepper.
Wat mij betreft, ik geloof er niets van dat geloven een vrijwillige zaak is. Het komt mij voor dat een bewijs waartegen alles in onszelf in opstand komt geen bewijskracht heeft, en ook dat hoezeer we ook een bewijs in handen zouden willen hebben, we dit niet kunnen krijgen zonder behoorlijk op de weegschaal te letten om nauwkeurig te zien wat het juiste resultaat is.
Te zeggen dat wij de bijbel verwerpen omdat we haatdragend en boos zijn gaat niet op. Onze boosheid moet niet door ons geloof maar door onze daden worden vastgesteld. De geestelijkheid vertelt mij dat ik de Bijbel niet zou moeten aanvallen; dat ik daardoor duizenden ten verderve voer en daardoor de verdoemenis van mijn ziel bevorder. Men is vriendelijk genoeg mij te waarschuwen dat zo ik bekeerlingen zoek, ik een geheel verkeerde weg wijs. Ik zou me ook zachter moeten uitdrukken en slimmere woorden moeten kiezen, zo zeggen anderen, om bekeerlingen te krijgen. Wensen ze inderdaad dat ik bekeerlingen zal maken? -dan zijn ze wanneer hun raad oprecht is verraders van hun eigen geloof. Maar is hun raad niet oprecht, dan zijn ze verre van beleefd tegen mij. Want met zekerheid wensen ze dat ik die weg zal volgen die de minste bekeerlingen maakt, maar toch blijven ze me adviseren hoe ik het beter zou kunnen aanpakken.
Ik heb in weerwil van de raad die de geestelijken mij gaven, besloten mijn eigen weg te gaan, eerlijk en oprecht mijn denkbeelden te verkondigen en mijn vrijheid op deze wereld te behouden, ongeacht wat mijn lot in het hiernamaals moge zijn.
De werkelijke onderdrukker en bederver van het volk is de Bijbel. Dat boek is de keten die de geestelijken vastklampt, de kerker waarin ze gevangen zitten. Dat boek spreidt een doodskleed over onze scholen uit. Dat boek steekt de wetenschap de ogen uit en maakt van eerlijk onderzoek een misdaad. Dat boek vervult de wereld met fanatisme, schijnheiligheid en angst.
Een tijdje geleden was ik in de gelegenheid een middeleeuwse Bijbel te zien. Het boek was zo’n 60 centimeter lang en 45 cm breed. Het was voorzien van kolossale eikenhouten banden, met beugels, klampen en scharnieren, groot genoeg voor de deuren van een biechtstoel. Het was versierd met schilderingen van gevleugelde engeltjes en heiligen met aureolen. In mijn verbeelding zag ik dit boek met plechtige statie naar het altaar gedragen worden; ik hoorde het zingen van lang bebaarde en knielende priesters, ik voelde het dreunen van het orgel, ik zag het licht door de gebrandschilderde vensters naar binnen stromen, de koorknaap het wierookvat rondzwaaien en de wierook omhoog stijgen het hoge dakgewelf in. Naar boven kijkend voelde je je duizelig worden van de hoogte. Het dakgewelf was rijk versierd met legenden in steen gebeiteld, en de muren waren kleurrijk beschilderd met de vreugde en smart die getuigden van het martelaarschap van Jezus. Het volk viel op de knieën. Het boek werd geopend en de priester las de boodschap van God aan de mensen voor. De menigte, dat was duidelijk te zien, vond het boek bepaald geen werk van mensenhanden. Hoe konden deze vreemde tekens, regels en punten de gedachten van mensen bevatten? Hoe zouden deze letters de grote afgrond kunnen overspannen die het veleden scheidt van het heden, anders dan dat ze van God uitgingen?
De Pentateuch
De vijf eerste boeken van de Bijbel staan bekend als de Pentateuch. Sedert lange tijd meende men dat Mozes daarvan de schrijver was en sommige onwetende mensen leven nog steeds in deze veronderstelling. Toch is het zo goed als bewezen dat Mozes met het schrijven van die boeken niets te maken heeft, en zij geschreven werden toen Mozes allang tot stof en as was vergaan, namelijk honderden jaren na zijn dood. Maar aangezien er nog steeds kerken zijn die volhouden dat hij de schrijver was, en zelfs dat hij het verslag van zijn eigen dood en begrafenis beschreef, zullen we maar net doen alsof ze door hem geschreven zijn. Wat doet het er ook toe, aangezien diezelfde mensen ook zeggen dat God de eigenlijke maker van de boeken is. Wie Hij dus als pen of klerk daarvoor gebruikte is toch al bijzaak.
Bijna alle schrijvers van heilige boeken geven een verhaal van het ontstaan of van de schepping van het heelal, de oorsprong van de materie en de bestemming van het mensengeslacht. Bijna alle schrijvers vervolgen dit door er met nadruk op te wijzen hoeveel de mens wel niet aan zijn Schepper verplicht is, omdat Hij de mens hier op aarde neerzette en het leven en lijden schonk. Ze leren dan ook dat wij, vooral door in eerbied niets te kort te komen jegens deze God, wij Hem misschien enigszins de moeite en arbeid die Hij zich getroost heeft ten behoeve van ons welzijn, kunnen vergoeden. Ze dringen er dan op aan dat wij dankbaar behoren te zijn voor al het goede dat wij in het leven genieten mogen. Maar aan de andere kant berichten ze ons niets over wie we voor alle ellende die we tegenkomen aansprakelijk moeten stellen. Mozes verschilt echter met de meeste andere schrijvers van heilige boeken hierin, dat hij ons volstrekt niets omtrent een hiernamaals, niets over de belofte van een hemel of bedreiging van een hel heeft te zeggen. Over leven in een hiernamaals valt in de Pentateuch met geen woord te lezen. Waarschijnlijk was het toen nog te vroeg en vond God het nog niet de moeite waard zich over de eeuwige bestemming van de mens iets te openbaren. Hij schijnt te hebben gemeend dat Hij de Joden door belonen en straffen hier op aarde ook wel aardig in bedwang kon houden. Hij hield voor hen dus de werkelijkheid van een eeuwige vreugde of eeuwige verdoemenis diep geheim. Hij vond het veel belangrijker de Joden te vertellen van hun afkomst dan van hun bestemming na de dood.
Er moet op gewezen worden dat iedere stam en elk volk op zijn eigen wijze allerlei vreemde natuurverschijnselen doorvertelde. Die verhalen gingen van vader op zoon verder, en werden door talloze vertellers veranderd of gewijzigd al naar gelang het verstand zich ontwikkelde en men rekening hield met nieuw ontdekte feiten, of zijn best deed om de zucht naar wonderbaarlijke geschiedenissen te bevredigen. De uitleg die een stam of volk gaf aan de betekenis van de dag en de nacht, de verandering der jaargetijden, het vallen van sneeuw en regen, van het trekken van vogels, het ontstaan van de regenboog, van bijzondere dieren, van dromen, visioenen van krankzinnigen, van het ontstaan van aardbevingen, vulkanen, stormen, onweer en duizenden andere verbazingwekkende dingen, dus van het wonderbaarlijke, dat bewondering of vrees bij de mens deed ontstaan, zou men de filosofie van de oude volken en stammen kunnen noemen. En aangezien al deze natuurverschijnselen bij de primitieve mens aan het werk van verstandige wezens werden toegeschreven, die er bepaalde bedoelingen mee hadden, en die wezens de macht hadden om de mens bij te staan, of tegen te werken, moest men er alles aan doen om die hulp te verkrijgen of om aan de toorn van God te ontsnappen. Dit was de aanzet tot het ontstaan van bepaalde ceremoniën; tesamen met de geloofsveronderstellingen vormden ze een godsdienst. Zo berusten alle godsdiensten ten diepste op dwalingen omtrent de oorzaak of de bedoeling van natuurverschijnselen.
De godsdienst heeft noodzakelijk het geloof ten gronslag, dat er een Wezen bestaat, die als Hij wil bij machte is de natuurlijke gang van zaken te veranderen. De primitieve mens bidt tot een steen, die hij een God noemt, en de christen bidt tot een God, die hij geest noemt, maar de gebeden hebben precies dezelfde betekenis, bedoeling en uitwerking. Zowel de primitieve mens als de christen plaatst boven het heelal ’een verstandelijk iets’, en dit iets, of het nu God of Goden wordt genoemd maakt niet uit, was gedurende vele eeuwen het voorwerp van aanbidding. Een stenen God bij zich te hebben, gebeden op te zeggen, de rozenkrans te bidden, te vasten, een lam, kind of de vijand op te offeren aan God, het zijn allemaal uitingen van de manieren waarop de mens hulde en eerbied trachtte te betonen, en allemaal ontsproten ze uit waandenken. Er moeten reeds eeuwen lang veel soorten godsdienst bestaan hebben voordat de kunst van het schrijven was uitgevonden, en ze moeten reeds vele wijzigingen hebben ondergaan, voordat de geschiedenissen, wonderverhalen, profetiën en waangedachten in geschreven woorden werden vereeuwigd. Daarna konden wijzigingen in de godsdienst slechts geschieden door nieuwe uitlegging aan aloude woorden te geven. Dit bleek telkens noodzakelijk vanwege de voortdurende vermeerdering van feiten, die in strijd waren met de letterlijke opvatting over de heilige verhalen. Op deze wijze zet een eerlijk geloof zich op oneerlijke wijze voort, en op dezelfde oneerlijke wijze trachten christenen heden ten dage bijvoorbeeld het Mozaïsche scheppingsverhaal met de theoriën en ontdekkingen van de moderne wetenschap in overeenstemming te brengen.
Laten we toegeven dat Mozes de schrijver van de Pentateuch was, of dat hij het was die de joden hun godsdienst gaf. Maar de vraag komt dan bij ons op waar hij wel zijn onderricht verkreeg. De theologen zeggen dat hij zijn kennis direct van God ontving en dat elk woord dat hij schreef absolute waarheid bevat. Het is tevens bekend dat hij een geadopteerde zoon was van de dochter van Farao en de rang en het voorrecht van een prins genoot. Onder zulke omstandigheden zal hij wel goed met de literatuur, de wijsbegeerte en de godsdienst der Egyptenaren op de hoogte geweest zijn en zal hij dus wel geweten hebben, wat zij geloofden en wat zij dachten over het ontstaan van de aarde.
Is het verhaal van de schepping zoals Mozes die verhaalt bijvoorbeeld volkomen gelijk aan het verhaal dat de Egyptenaren vertelden? In dat geval zouden we evengoed tot de conclusie kunnen komen dat hij het gehele verhaal van hen overnam. Moeten en kunnen wij nu aannemen dat hij door God geïnspireerd werd omdat hij aan de Joden oververtelde wat hijzelf van de Egyptenaren geleerd had?
De Egyptische godsdienst laat weten:
- dat een God de oorspronkelijke materie schiep en deze in chaos liet liggen.
- dat God uit deze chaos vorm maakte.
- dat de adem Gods over de oppervlakte van de diepte zweefde.
- dat God eenvoudig schiep door te zeggen: ”Er zij…”.
- dat God het licht schiep voordat Hij de zon maakte.
Niets is duidelijker dan dat Mozes de hoofdpunten van zijn verhaal aan de Egyptenaren ontleende en slechts details en bijvoegingen inlas, daar waar hij het nodig achtte om aan het bijzondere bijgeloof van zijn volk tegemoet te komen.
Indien iemand tegenwoordig zou beweren dat hij de kennis van de evolutie-theorie (het overblijven van de geschiksten, en de wetten op overerving) direkt van God had ontvangen, en we zouden later vernemen dat hij niet alleen een engelsman was, maar zelfs af en toe bij Charles Darwin op bezoek kwam, dan zouden we eerder geloven dat hij zijn kennis op natuurlijke wijze had verkregen. Stel dat Darwin beweerd zou hebben dat hij zijn theoriën via bijzondere openbaring van God had gekregen, dan zouden we hem hoogstwaarschijnlijk antwoorden dat zijn grootvader al met zulke denkbeelden rondliep en Lamarck in hoofdzaak ook al dezelfde theoriën uitgaf in het jaar dat Darwin geboren werd.
Als we het maar zouden durven zou dus niets logischer zijn dan de verhalen over de schepping op dezelfde wijze te herleiden tot oudere verhalen. We zouden concluderen dat het verhaal het geloof van Mozes bevat, en hij zijn kennis van de Egyptenaren ontving – dus niet van God.
Houden wij de verhalen in de bijbel als absoluut waar gebeurd en bezigen wij ze teneinde van tevoren al de waarde van moderne gedachten te toetsen, dan wordt wetenschappelijke vooruitgang een onmogelijkheid. Maar zelfs al mocht alles mogelijkerwijze nog eens blijken te zijn gebeurd zoals Mozes het vertelt, en mocht dit uiteindelijk door alle wetenschappers nog eens worden aangenomen, dan nog zou men voor de inspiratie van Mozes geen enkel bewijs hebben. We zouden ten hoogste kunnen concluderen dat Mozes pienterder was dan we dachten. Maar dit betekent in het geheel niet dat hij geïnspireerd was, net zoals we het helemaal met Shakespeare eens kunnen zijn, en kunnen opmerken dat geen geschrift in de bijbel met hem wedijvert, zonder ooit te beweren dat hij goddelijk geïnspireerd was.
Waarom moeten wij van een ruw, lomp voorwerp gemaakt van steen, dat een God moet voorstellen, toegeven dat de beeldhouwer geïnspireerd werd, maar een Venus de Milo weer gewoon als mensenwerk opvatten? Waarom moeten wij als het om een schildering van een altaarstuk met een engel, heilige maagd of heilige, weer geloven dat de kunstenaar door God werd bijgestaan?
Laten we ons bovenal altijd eerst rekenschap geven van de feiten die we kennen. Zijn er enkele zaken die niet beoordeeld kunnen worden, dan moeten we wachten totdat er meer aan het licht komt. Schrijven we er een bovennatuurlijke werking aan toe, dan staat dit slechts gelijk met de betekenis dat we het gewoon niet weten. De theologie was oorspronkelijk niet de kennis van God, maar van de Natuur. Aangezien godsdienst synoniem werd voor bijbelverering -terwijl het onderzoek van de natuur vaak op andere uitkomsten kwam- waren de priesters genoodzaakt dit boek steeds verder te verheffen en te prijzen, terwijl ze tezelfdertijd het menselijk verstand steeds meer moesten minachten en verkleinen. Gedurende honderden jaren werd alle macht die de kerk maar had gebruikt om het zelfvertrouwen van de mens maar zoveel mogelijk te vernietigen en de macht van zijn denkvermogen maar zoveel mogelijk te wantrouwen. Men liet de mens bovenal weten dat hij onmogelijk in staat was uit eigen beweging een goede beslissing te nemen, en dat de enige deugd die een mens bezat slechts de deugd van het blind geloven en gehoorzamen was. De boodschap van de kerk was: Gelooft en Gehoorzaamt! Gebruikt u het verstand, dan wordt u een ongelovige, en een ongelovige is reddeloos verloren. Gehoorzaamt u niet, dan vergaat het u net zo als Adam en Eva: u zult voor eeuwig uit het Paradijs worden verbannen.
Wat mij betreft, ik maak me niet meer druk om wat de kerk en de bijbel zegt; voor mij geldt slechts één meetsnoer: komt het met mijn verstand overeen. Alle boeken behoren op dezelfde manier te worden onderzocht. De waarheid moet altijd welkom zijn en de leugen voortdurend aan het licht gebracht worden, onverschillig in welk boek ze opgeschreven moge zijn. Ik ben dus van plan de Pentateuch in die geest te onderzoeken. Mocht er iets onredelijks, tegenstrijdigs en onzinnig in voorkomen, dan zullen we het eerlijk en moedig moeten bekennen. Miljoenen hebben de bijbel onvoorwaardelijk geloofd en geloofden daarom even onvoorwaardelijk dat God polygamie geheiligd had en de slavernij had ingesteld. Miljoenen verklaarden dit boek voor heilig en om te bewijzen dat ze gelijk hadden namen ze hun medemensen gevangen, plunderden ze hen uit en verbrandden hen. De inspiratie van dat boek moest door honger, vuur en zwaard, door kerkers, boeien en gesels, door dolk en pijnbank, door geweld, angst en bedrog worden vastgesteld, en de mensen moesten bang gemaakt worden met bedreiging van een hel of worden omgekocht met de belofte van een hemel.
Wij zullen dus een gedeelte van dit boek onderzoeken, niet in duisternis, angst en beven, maar in helderheid van ons verstand, en zullen beginnen met het verhaal van de schepping, die overeenkomstig de bijbel op maandagmorgen omstreeks 5895 jaar geleden aanving.
Maandag: God schept uit niets
Mozes begint zijn verhaal met te zeggen dat God in het begin de hemel en de aarde schiep. Indien dit enige betekenis heeft, dan betekent het dat God iets deed ontstaan, iets in het aanzijn riep. Het kan niet betekenen dat Hij hemel en aarde vormde van een vooraf bestaande stof. Mozes laat namelijk weten dat de stof, waaruit hemel en aarde bestaat, geschapen werd.
Het is voor mij onmogelijk te begrijpen, hoe iets uit niets geschapen kan worden. Niets beschouwd als een soort ruwe bouwstof blijft een onzinnigheid. Evenmin is het onmogelijk stof gescheiden van energie voor te stellen. Evenmin is het mogelijk een kracht zonder stof in te denken. Men kan zich geen stof voorstellen die uiteindelijk tot het absolute niets ontleed kan worden. Al even onmogelijk is het zich voor te stellen niets in iets veranderd te zien worden. Men mag verdoemd worden door uit te spreken dat het onmogelijk is zoiets als deze uitspraak te kunnen begrijpen, maar zelfs dat helpt niet om de uitspraak te begrijpen. Ons verstand zegt nu eenmaal heel duidelijk dat het zich geen begin en eind van stof kan indenken. Want voordat God met scheppen aanving moest er dus al een eeuwigheid geweest zijn. Wat heeft God in die eeuwigheid uitgevoerd? Denken? Onmogelijk; er was niets om over te denken. Zich iets herinneren? Onmogelijk, er wás nooit iets gebeurd. Wat deed God dan? Kan de mens zich iets ongerijmders voorstellen dan dat een volmaakt verstand, in een onbepaald niets-doen, een eeuwigheid doorbrengt?
Hoe al deze dingen dan werkelijk plaatsvonden behoef ik niet te vertellen. Ik wijs slechts op zaken die onmogelijk door een menselijk wezen begrepen kan worden, en iets dat ons als volkomen onmogelijk voorkomt, en in strijd is met alles wat wij van de werkelijkheid weten, moet door ieder eerlijk mens worden verworpen. Wij kunnen ons een eeuwigheid indenken alleen omdat wij ons het ophouden van tijd niet kunnen voorstellen. We kunnen een onmetelijke ruimte slechts begrijpen omdat wij ons van zoveel stof als dat zich in het heelal bevindt, in het geheel géén voorstelling kunnen maken in onze verbeelding. Eeuwigheid is dus geen begrip, maar een noodzakelijkheid voor ons verstand. Eeuwigheid staat in eenzelfde betrekking tot de tijd als een onmetelijke ruimte tot de stof.
In de tijd van Mozes kon men men veilig een verhaal maken over de schepping van de wereld. Mozes behoefde slechts de begrippen van zijn volk maar een bepaalde vorm te geven. In die tijd zou het verhaal niet beter verteld kunnen worden. Hij kon zijn verbeeldingskracht volledig de vije loop laten. Wat hij ook zei, niemand zou hem op goede gronden kunnen tegenspreken. Het ging precies zoals met de Babylonische, Egyptische en Indische verhalen. Er was in die dagen een grote kloof tussen de welopgevoeden en de onwetenden. De onwetenden werden vrijwel altijd door tekens en wonderen in bedwang gehouden. Via het begrip ’vrees’ konden de priesters de hele wereld besturen. De heilige verhalen werden door hen gemaakt, voor waar gehouden en af en toe veranderd en aangepast. Het volk kon niet lezen en zag degenen die dat wel konden, bijna voor goddelijk aan. Tegenwoordig is het bijna onmogelijk ons een voorstelling te maken van de invloed van een kleine geleerde klasse in een barbaarse omgeving. Men behoefde slechts de opgetekende ’heilige verhalen’ in de hand te houden en te laten zien en het onwetende volk lag ervoor al op de knieën. Het volk werd onderwezen dat het verhaal door God geïnspireerd was, en het was daarom logischerwijze volkomen waar. Merk op: niet omgekeerd, dat het waar was en dáárom geïnspireerd!
De voornaamste vraag is niet of de bijbel geïnspireerd is, maar of ze waar is. Is ze waar, dan is inspiratie overbodig. In dat geval is het volkomen eender of nu een mens het schreef of God. De tafels van vermenigvuldiging zijn even nuttig, of God ze nu uitlegt of een mens. Is de bijbel waarachtig waar, dan is reclame ervoor, en de verzekering dat ze geïnspireerd is, overbodig; is ze niet waar, dan zal inspiratie er toch met geen mogelijkheid waarheid van kunnen maken. We kunnen stellen dat de waarheid dus helemaal geen inspiratie nodig heeft; zij heeft daar geen behoefte aan. Het zijn juist de leugens en onwaarheden die inspiratie behoeven. Waar de waarheid ophoudt, waar de waarschijnlijkheid eindigt, daar is het begin van inspiratie. Een feit gaat nooit samen met een wonder. De waarheid heeft de hulp van een wonder dan ook nooit nodig. Elk feit voegt zich aan alle andere feiten, het ene feit wordt door het andere voortgebracht. Maar een leugen past bij niets, hooguit bij een andere leugen. Is men het liegen na een poos moe, of kan de laatste leugen met geen mogelijkheid nog aan een volgend feit aansluiten, dan ontstaat de gelegenheid om de hulp van een wonder in te roepen, en juist op dat punt wordt een vleugje inspiratie een noodzakelijkheid. Het komt mij voor dat het verstand de beste eigenschap van de mens is. Zo God al iets wil mededelen aan de mens, dan zal Hij zich moeten richten tot het verstand van de mens. Het komt mij dan ook onbegrijpelijk voor, dat men om een boodschap van God te kunnen verstaan, zijn verstand moet opgeven. Hoe zou God aan een wezen zonder verstand zijn wil bekend kunnen maken? Hoe kan iemand als een openbaring van God aannemen wat voor hemzelf onbegrijpelijk is? God kan een openbaring bestemd voor mij ook niet laten gelden voor anderen. Hij moet die openbaring aan mijzelf doen, en vóórdat ik er geloof aan hecht als zijnde een waarheid, zal ik de openbaring niet kunnen ontvangen.
De stelling dat God in het begin hemel en aarde schiep, moet ik betwijfelen. Ze is in tweestrijd met mijn verstand en ik kan ze dus onmogelijk aannemen. Mijn verstand zegt me dat het begrijpelijker is dat de kracht bestond van aller eeuwigheid en nooit van de stof gescheiden was. De kracht is volgens haar natuur altijd in werking, en zonder stof kan zij geen werking voortbrengen. Is er kracht dan is er stof, is er stof dan is er kracht. Ik kom dus tot de conclusie dat stof ook eeuwig heeft moeten bestaan. Om mij voorstellingen te maken van een stof zonder kracht, van een tijd toen niets bestond, of van een wezen dat uit niets beiden schiep is mij ten enemale onmogelijk. Nu moge ik hierom verdoemd worden, ik kan het niet helpen. Volgens mijn oordeel was deze opmerking van Mozes een vergissing.
Het zou nog kunnen zijn dat Mozes bij zijn mededeling bedoelde dat God, hemel en aarde scheppende, zulks deed uit een stof die reeds aanwezig was. Maar hij merkt juist op dat God ze in het begin schiep. Is de opmerking waar dan moeten we aannemen dat er daarvoor niets bestond.
Het volgende dat ons door deze geïnspireerde persoon wordt verhaald is, dat God het licht schiep en het voortbracht door het van de duisternis af te scheiden. De persoon die dit schreef, meende zeker dat de duisternis een ding, een wezen, of een stof was, die met licht vermengd en door licht geabsorbeerd kon worden, en dat men die twee vermengde wezens of stoffen, licht en duistenis, slechts van elkaar behoefde af te scheiden. In zijn verbeelding zag hij God waarschijnlijk stukken en brokken duisternis aan de ene kant en lichtstralen, lichtgolven aan de andere kant neerzetten. Het is voor iemand die maar eens geboren wordt, moeilijk zulke dingen te begrijpen. Ik voor mij vat het niet, hoe het licht van de duistenis gescheiden wordt. Ik meende altijd dat de duisternis de afwezigheid van het licht was, en dat onder geen enkele omstandigheid de duisternis van het licht behoeft weggenomen te worden. Mozes, dat is zeker, geloofde dat de duisternis een stoffelijke vorm bezat, want ik vind op een andere plaats dat hij spreekt van een duisternis ”die men tasten kon”. Zo had men in Rome indertijd een fles duisternis ten toon gesteld, een restje overgebleven duistenis die Egypte eens verduisterde.
Men kan het licht evenmin van de duisternis scheiden als de warmte van de koude. Koude is slechts een begrip van afwezigheid van warmte, zoals duisternis afwezigheid van licht is. Ik vermoed zelfs dat wij ons van absolute koude geen voorstelling kunnen maken. Wat wij weten zijn nog altijd warmtegraden. Twintig graden onder nul is twintig graden warmer dan 40 graden onder nul. Koude en duisternis kun je niet in je hand hebben. Ik kan dus niet begrijpen hoe het licht van de duisternis werd gescheiden. Ik begrijp daarentegen wel hoe een primitief mens, die verscheidene duizenden jaren geleden hierover schreef, en er niets van afwist, zo’n fout kon begaan. De schepper van het licht kan dit niet geschreven hebben. Bestaat er zulk een wezen, dan heeft dat wezen de natuur gekend van deze bewegingsvorm, die een wereld schept in ieders oog en die het heelal van werelden in een zevenkleurig bekleedsel hult.
Dinsdag: God woont op een gewelf
Mozes vertelt ons vervolgens:
God zei: ’Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven.
Wat bedoelde de schrijver met het woord gewelf (uitspansel)? De theologen vertellen ons, dat hij er een uitgestrekte ruimte mee bedoelt. Dit is onmogelijk. Een uitgestrekte ruimte kan geen scheiding maken tussen water en water, want het water boven zou naar beneden vallen. Klaarblijkelijk beschouwde Mozes het gewelf als een vaste massa. Op die massa woonde God en werd het water vastgehouden. Dit is ook de reden waarom men pleegt te bidden om regen. Men veronderstelde dat een engel een luik kon openen met een hefboom, en de hoeveelheid vocht die men nodig had eruit kon laten. Met het water van dit gewelf werd de wereld onder water gezet toen de poorten, of sluizen van de hemel geopend werden. Op dit gewelf leefden de zonen van God, die zagen dat de dochters van mensen mooi waren en die zij zich tot vrouwen namen als zij er maar zin in hadden. Het resultaat van deze huwelijken was de geboorte van reuzen en de machtige mannen die oud en beroemd werden (Gen. 6).
Het is dus duidelijk dat Mozes ’het gewelf’ als een uitgestrekte solide massa beschouwde, die water van water scheidde, en waarbovenop God woonde, omringd door zijn zonen. Een andere reden waaraan hij de regen moest toeschrijven, waar het water anders vandaan zou moeten komen, wist hij niet. Van de wetten der verdamping wist hij niets. Hij wist niet dat de zon met zijn verzengende stralen de golven van de zee laat verdampen en het water onzichtbaar naar boven doet stijgen. Boven aangekomen verandert de damp in waterdruppels en vallen ze als regen terug op de aarde. Mozes’ denkbeeld dat het uitspansel de woonplaats van God was, vinden we meerdere malen in de Pentateuch terug.
”Maar toen daalde Jahweh af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht Jahweh, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. Welnu, laten we naar hen afdalen en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkander niet meer verstaan.” (Gen. 11).
”Toen kreeg hij een droom. Een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen. Ook zag hij Jahweh bij zich staan, die zei: ’Ik ben Jahweh, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak.” (Gen. 28).
Bovenstaande is voldoende om aan te tonen, dat de persoon die dit schreef in de veronderstelling verkeerde, dat God boven de aarde op het gewelf woonde. Hetzelfde denkbeeld heeft de Psalmist voor de geest, toe hij zei: ”God boog de hemelen en kwam naar beneden.” Zodoende kon God dan ook gemakkelijk iemand met lichaam en al naar de hemel transporteren. De afstand was niet zo groot. Zo werd Henoch meegenomen door God. Ook de berichten in de bijbel van de hemelvaart van Elia, Christus en Paulus zijn ontsproten uit dit denkbeeld dat het gewelf boven de aarde de woonplaats van God is.
Het is bij deze schrijvers nooit opgekomen dat wanneer dit gewelf op tien, vijftien kilometer afstand lag, Henoch en al de anderen wel stijf bevroren zouden aankomen. Behalve Elia natuurlijk, want we lezen dat hij ’in een stormwind, door een wagen van vuur, met paarden van vuur ervoor’ naar de hemel werd meegevoerd.
De waarheid is deze: Mozes maakte een hoop vergissingen en op die foute denkbeelden bouwden de christenen hun hemel en hun hel. De telescoop maakte een eind aan het gewelf als een woonplaats, deed de hemel van het Nieuwe Testament als sneeuw voor de zon verdwijnen, en maakte de hemelvaart van ’Onze Heer’ en zijn Moeder tot een onmogelijkheid. De telescoop vernietigde ook de poorten en straten van het nieuwe Jeruzalem, en gaf de mens daarvoor in de plaats de aanschouwing van een oneindig aantal nieuwe werelden.
Woensdag: God schept planten zonder zon
Wij vernemen vervolgens van onze scheppingshistoricus dat God, nadat Hij het gewelf gemaakt had en de wateren onder van de wateren boven het gewelf gescheiden had, erin slaagde het volgende staaltje scheppingswerk voor elkaar te krijgen:
God zei: ’Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het.
De schrijver die dit opschreef heeft weinig benul gehad van de werkelijke stand van zaken op aarde. Van de aantrekking der zwaartekracht schijnt hij niets te hebben geweten. Hij schijnt de aarde voor een plat vlak te hebben gehouden, en hij meende dat een buitengewone krachtsinspanning en uitzonderlijk machtsvertoon nodig was om het water in beweging te doen komen, de bergen te verlaten en in de valleien bijeen te brengen. Want niet eerder dan dat het water gedwongen werd langs de heuvels naar beneden te stromen, werd het droge land zichtbaar, begon het gras te groeien en bedekten mantels van groen de heuvels, en verheugden de bomen zich over knop en bloesem en werden takken met vruchten beladen. En dit alles gebeurt terwijl er nog geen enkel straaltje zonlicht op de aarde was nedergedaald.
Ik heb altijd gedacht dat zonder de zon geen gras en bomen kunnen groeien, noch zaad en vrucht kunnen worden voortgebracht. Maar toch gebeurde dit alles volgens het verhaal op de derde scheppingsdag. Ter verklaring voeren christenen aan dat Mozes met het woord dag niet een tijdsbestek van 24 uur, maar een zeer lange, bijna oneindige tijdsperiode bedoelde. Maar aangezien God de dieren pas op de vijfde dag maakte, dus overeenkomstig deze zienswijze enige miljoenen jaren later, is mijn vraag waarom de planten al die jaren vrucht droegen.
Mozes vertelt dat God op de derde dag zei:
Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten, en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin. En zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.
Om al deze vruchten te eten bestond niemand, zelfs geen enkel insekt was er met gekleurde vleugels zoekende naar honing uit bloemen, geen enkel levend, ademend wezen bestond nog op aarde. Het is thans bekend dat de evolutie verschillende ontwikkelingsfasen had. Hoezeer begrijpelijker zijn die dan dat de aarde bedekt was met al het gras en kruiden en bomen, beladen met vruchten, gedurende miljoenen jaren, vóórdat nog enig dierlijk wezen bestond.
In de natuur is het aantal planten en dierlijke levens altijd in volmaakt evenwicht. In haar bewonderenswaardige huishouding vormt zij en voedt zij overvloedig haar plantaardige onderdelen met het afval van dieren. Dit volmaakte evenwicht tussen planten en dieren blijft gehandhaafd door de kringloop. Door duizenden poriën van elk blad van de plant wordt de koolzuur, die de atmosfeer voor het dierlijk leven ongeschikt zou maken, opgezogen en omgezet in plantenvezel, die onder sterke druk weer in steenkool kan veranderen. De koolstof heeft in de natuur een grote rol gespeeld, en heeft ook een grote inbreng in het dierlijk leven, van het eerste organisme tot de mens. Men kan met zekerheid aannemen dat bepaalde plant- en diersoorten altijd tegelijk aanwezig waren, en dat zodra het karakter van vegetatie veranderde, een gelijksoortige verandering in de dierenwereld plaatsgreep. Het kan natuurlijk zijn dat ik tot deze conclusie gekomen ben vanwege de totale verdorvenheid van de mens, of dat mij de nodige nederigheid van geest ontbreekt om Haeckel voldoende met Mozes in overeenstemming te brengen, of dat ik, door verwaandheid aangegrepen, door teveel gebruik van het verstand verblind, mij heb overgegeven aan verstoktheid van hart, en dat ik mijn verdoemenis daarom tegemoet ga. Maar zelfs in al die gevallen kan ik toch nooit geloven dat de aarde in volle bloei stond, met bomen en vruchten en al, alvorens de schitterende zon een einde aan de duisternis had gemaakt.
Donderdag: Het wordt tijd voor zon en maan
Nadat de wereld met vegetatie getooid was, kwam het in Mozes op dat het nu wel eens tijd wordt om zon en maan te laten verschijnen, en zo laat hij weten dat God op de vierde dag zei:
’Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op aarde.’ En zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.
Kunnen wij hieruit afleiden dat de geïnspireerde schrijver een flauw benul had van de ware eigenschappen van de zon? Ik geloof het niet. Trek een cirkel van circa 13 centimeter middellijn, en prik er met een speld een gaatje naast in het papier. Welnu, de speldenprik is in verhouding tot de cirkel als de aarde tot de zon. Wist de schrijver, dat de zon een middellijn heeft van 1,4 miljoen kilometer, en dat de zon omringd is door een oceaan van vuur van duizenden kilometers dikte, die warmer is dan de hel van de christenen, en waarover vlammenorkanen woedden met de snelheid van honderden kilometers per seconde, in vergelijking waarmee de hevigste stormen die ooit de bossen op aarde overvallen hebben, slechts windzuchtjes waren? Wist de schrijver dat de zon elk ogenblik meer warmte uitstraalt dan men zou verkrijgen bij het verbranden van een miljoen maal een miljoen ton steenkool? Wist hij dat de aarde maar een doorsnee heeft van 13.000 kilometer, meer dan honderd keer zo klein? Wist hij dat de massa van Jupiter 318 maal zo groot is als dat van de aarde, dwz 2½ keer zo groot als alle andere planeten van ons zonnestelsel tesamen? Wist hij dat een dag op Jupiter maar 10 aardse uren duurt, en een jaar op Jupiter 12 aardse jaren? Wist hij ook maar iets van Saturnus, zijn 23 manen, zijn ringen? Wist hij dat Neptunus, Uranus, Saturnus, Jupiter en Mars allen reeds bestonden vóór de aarde, en het een onmogelijkheid is dat de aarde drie dagen, drie perioden of drie tijdsbestekken eerder dan de zon bestond?
Mozes stelde zich de zon natuurlijk voor zoals hij hem zag, met ongeveer drie of vier voet middellijn. Vergeleken met de aarde waren de hemellichamen maar stipjes, en zo schijnen alle geïnspireerde schrijvers van de bijbel allemaal gedacht te hebben. We vinden bijvoorbeeld in het boek Jozua:
En de zon stond stil, en de maan bleef staan, tot Israël zijn vijanden had afgestraft. De zon bleef een volle dag boven aan de hemel staan voordat ze onderging.
Men zegt: de heilige schrijver sprak in de gewone spreektrant, zoals men in het dagelijks leven nog spreekt van op- en ondergaan van de zon, maar hij bedoelde dat de aarde gedurende een volle dag ophield om de zon te draaien. Ik voor mij meen dat Generaal Jozua van de beweging der aarde niet veel meer afwist dan van genade en rechtvaardigheid. Had hij geweten dat de aarde met een snelheid van duizend mijl per uur om zijn as draait en zijn loop om de zon met een snelheid van 68 duizend mijl vervolgt, dan zou hij de hagelstenen die de Heer in hetzelfde hoofdstuk naar beneden werpt verdubbeld hebben, en de zon maar stilletjes zijn gang hebben laten gaan! Onmogelijk kan men iets onzinnigers bedenken dan deze stilstand van zon en maan, en toch maakt niets een orthodox predikant bozer dan wanneer men de waarheid hiervan in twijfel trekt.
Er zijn er ook die dit luchtverschijnsel op natuurlijke wijze trachten te verklaren; weer anderen proberen aan te tonen dat God door de terugkaatsing van het licht de zon voor het oog deed stilstaan, terwijl alles in werkelijkheid zich gewoon voortbewoog. De laatste tijd is vooral deze uitleg populair. Men kan lang uitweiden over hoe dit verschijnsel eenvoudig optisch was. Het licht van de zon werd door wetten van terugschijning en terugkaatsing verlengd, waardoor de zon boven de horizon bleef staan terwijl hij in werkelijkheid al was ondergegaan. Dit is het meest ontwikkelde produkt van denken waar de christelijke uitleggers ooit toe in staat waren. Maar indien deze uitleg waar is, de aarde zich dus een volle dag gewoon voortbewoog, dan zou op het eind de zon weer in het oosten zichtbaar worden, want het was inmiddels de volgende morgen geworden. Bijgevolg zou deze allermerkwaardigste dag dus 36 uur lang dag zijn geweest. Eerst de gewone dag van 12 uur, dan de 12 uur van teruggekaatst zonlicht, en daaropvolgend weer een gewone dag van 12 uur. Indien deze theologen zich eens wat minder op ”terugkaatsing” en wat meer op logisch denken zouden concentreren, zouden ze spoedig inzien dat deze hele geschiedenis eenvoudigweg een primitieve mythe of fabel is. Het is zowiezo een belediging aan het adres van God de aardbol te doen stilstaan of licht terug te kaatsen, alleen om Jozua de gelegenheid te geven om zijn vijanden te vermoorden, iets wat evengoed de volgende morgen opgeknapt kon worden. Het moet voor God wel een zeer verdrietige zaak zijn op te merken dat wij mensen in zulke kinderachtige dingen geloven.
Het is trouwens bewezen dat energie eeuwig in werking is. Bij het optreden van een bepaalde kracht gaat dat gepaard met een tegengestelde kracht. Beweging is een vorm van kracht, en ieder tegenhoudende beweging verandert onmiddellijk in warmte. De aarde draait met een snelheid van duizend mijl om haar as. Volgens berekening zou een stilstaan ervan resulteren in een warmte gelijk aan de verbranding van een stuk steenkool met de omvang van driemaal zo groot als de aarde. En toch verlangt men van ons zoiets te geloven. En nog wel met als doel dat de ene barbaar de andere kon verslaan! Zulke verhalen zouden nooit geschreven zijn indien men niet algemeen geloofde dat alle hemellichamen slechts knikkers zijn. Deze zienswijze volgde men duizenden jaren, van Mozes tot aan de lange christelijke eeuwen. Men nam aan dat Mozes -zo´n 1500 jaar voor Christus- direkt door God onderwezen werd, en toch wist hij minder van ons zonnestelsel af dan de Chinezen al 1000 jaar vóór hem. De oude Chinezen namen een constellatie van de planeten Mercurius, Mars, Jupiter en Saturnus aan als een tijdperk. Volgens M. Bailly, die dit heeft nagerekend, kon dit niet eerder dan 2449 jaar voor Christus hebben plaats gehad. De Chinezen kenden niet alleen de beweging van de planeten, maar wisten ook de eclipsen te berekenen. Onder de regering van Chow-Kang werden de hofsterrenkundigen Ho en Hi ter dood veroordeeld, wegens het verzuim een zonsverduistering te voorspellen, die in 2169 voor Christus plaatsvond. Dit is wel een zeer duidelijk bewijs dat het voorspellen van eclipsen een onderdeel was van de sterrenkunde. Is het niet vreemd dat de Chinezen uit zichzelf al tot zulke wetenswaardigheden kwamen, en meer wisten van het heelal dan Mozes, hoewel die laatste goddelijke instructie genoot?
Ongeveer 800 jaar nadat God Mozes de voornaamste punten aangaande de schepping van de hemel en de aarde had gegeven, gebeurde er een nog groter wonder dan het stilstaan der aarde. Bij deze gelegenheid stond de aarde niet stil, maar draaide ze terug! Een Joodse koning was ziek geworden, en om hem een bewijs te geven dat hij weer beter zou worden, liet God even de schaduw van een zonnewijzer tien graden achteruit gaan. De koning was namelijk van mening dat het al te gemakkelijk was de schaduw maar vooruit te doen gaan, en om zeer zeker te zijn sprak hij de wens uit dat hij ditmaal achteruit zou gaan. Jesaja riep de Heer aan, en ja hoor, weldra zag men de schaduw op de zonnewijzer van Ahaz tien graden achteruit gaan. Het lijkt me ditmaal moeilijk dit wonder door terugkaatsing te verklaren. Bovendien lijkt dit verbazingwekkende wonder uitgevoerd te zijn nadat de koning reeds hersteld was. Het bericht dat de schaduw op de zonnewijzer terugging staat namelijk in 2 Koningen 20: 11, terwijl de genezing van de koning al in het zevende vers begon: ”Ze legden vijgen op de ontstoken plek, waarop Hizkia nieuwe krachten kreeg.” Het schijnt dus dat het stilstaan en achteruitdraaien van de aarde plaatsvond nadat de zweer al door vijgen was genezen. Een nutteloos machtsvertoon dus.
De eenvoudigste manier om dergelijke wonderen te verklaren is te concluderen dat de geïnspireerde schrijvers zich deerlijk hebben vergist. Hierdoor wordt de zware last van de lichtgelovigheid van mensen weggenomen, en hem de vrijheid gegeven alle waarnemingen met zijn eigen verstand te beoordelen en de verklaring van de wetenschap aan te nemen. Hierdoor kan een mens bevrijd worden van bijgeloof, van de dwang die lang overleden barbaarse voorouders op ons uitoefenen en kan hij zich onttrekken aan het despotisme van de kerk.
Slechts een kleine 100 jaar geleden werd de natuurkundige Buffon door de theologische faculteit gedwongen 14 ”dwalingen” uit zijn boek over de Natuurlijke Historie te schrappen, omdat die in strijd waren met het bijbelse scheppingsverhaal. De Pentateuch is nog altijd de wetenschappelijke maatstaf van de kerk. Domme priesters die hiermee gewapend zijn, spreken over alles wat de moderne wetenschap oplevert hun doodvonnis uit.
Hij maakte ook de sterren
Mozes zou de sterren bijna hebben vergeten, maar nog net op tijd gaf hij de onmetelijke rest van het heelal het aanzijn. Kan het mogelijk zijn dat hij ook maar iets meer wist van de sterren, behalve het eenvoudige feit dat hij ze ’s nachts zag schitteren? Wist hij dat de dichstbijzijnde ster vier lichtjaren van ons verwijderd is, en dat het een zon is net als de zon in ons zonnestelsel? Wist hij wat de snelheid van het licht is? Wist hij dat er zelfs sterren zijn wiens licht er miljoenen jaren over moet doen om de aarde te bereiken? Indien -zoals de bijbel ons vertelt- het waar is dat de sterren na de aarde gemaakt werden, dan heeft de aarde tenminste al miljoenen jaren bestaan.
Natuurlijk moge men hier op antwoorden dat het niet de bedoeling van God was ons aard- en sterrenkunde te onderwijzen, maar waarom zei Hij dan toch iets over dit onderwerp? En indien Hij er dan toch iets over wilde zeggen, waarom gaf Hij ons geen feiten?
Volgens de heilige verhalen schiep God op de eerste dag hemel en aarde, zweefde Hij over de oppervlakte van het water en maakte Hij het licht. Op de tweede dag maakte Hij het gewelf en scheidde de wateren van de wateren. Op de derde dag verzamelde Hij het water in zeeën, liet het land droog worden en deed grasscheutjes, kruiden en vruchtbomen voortbrengen en op de vierde dag maakte Hij de zon, maan en sterren en plaatste ze in het gewelf om licht op aarde te doen schijnen. De indeling van zijn werk is zeer merkwaardig. Het werk van de vorige dagen is niets in vergelijking met de vierde dag. Maar goed, het is altijd mogelijk, dat het voor een god toch dezelfde tijd en moeite vereist om grasscheutjes, kruid en vruchtbomen te maken als de onmetelijke ruimte en het heelal te vullen met een onnoemlijk aantal sterren en planeten…
Vrijdag
Men vertelt ons verder dat God een dag later zei:
Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen. En God schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende ze met de woorden: ’Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’
Terwijl het droge land met grasscheutjes, kruiden en vruchtdragende bomen bedekt was, bleef de oceaan dus geheel zonder leven, volgens sommige uitleggers wel miljoenen jaren lang. Neemt men aan dat Mozes met het woord dag slechts 24 uur bedoelde, dan komt het er weinig op aan op welke van de zes dagen de dieren geschapen werden. Verstaat men echter met dit woord ’dag’ een tijdsbestek van miljoenen jaren, gedurende welke tijd het leven zich langzaam van het infusiediertje tot de mens ontwikkelde, dan is het bericht zeer kinderachtig en onbegrijpelijk. Geen wetenschappelijk mens van slechts eenvoudige opleiding zal beweren dat op aarde de vruchtbomen zich al zouden hebben ontwikkeld voordat het eerste infusiediertje verscheen in de Laurentijnse zeeën. Niemand zal ook een grasscheutje laten verschijnen voordat de zon haar goudzee van licht over de aarde had uitgestort.
Waarom moeten wij mensen dan toch in naam van de godsdienst de tegenspraak die tussen de Natuur en het Boek bestaat in overeenstemming trachten te brengen? Waarom moeten wijsgeren de dupe worden, wanneer ze meer vertrouwen schenken in hetgeen ze weten, dan in hetgeen hun via een overlevering wordt aangepraat? Als er een God bestaat, dan is het begrijpelijk dat Hij de wereld maakte, maar het is nog lang niet zeker dan Hij dan ook de schrijver van de bijbel was. En zelfs indien God zowel de wereld maakte als ook het boek schreef, dan is het nog altijd een vreemde zaak dat ons heil en zaligheid afhangt van het feit of we geloven in de avonturen van kapiteit Jona en het diëet van Ezechiël, terwijl het toch minstens zo belangrijk is iets te weten over het zonnestelsel en de natuurlijke historie van de aarde. Ik voor mij geef de voorkeur aan kennis van alle resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, boven de hoge ’inspiratie’ van Mozes. Zelfs met de veronderstelling dat de bijbel de eigenlijke waarheid bevat, waarom is het voor vrijdenkers zoveel slechter en bozer om dit te loochenen, dan het voor priesters is de evolutieleer en de natuurkunde te ontkennen? Waarom worden wij verdoemd vanwege ons lachen om Simson en zijn vossen, terwijl anderen die de wolkentheorie minachten direkt naar de hemel gaan? Volgens mij is het geloven in de resultaten van de wetenschap even goed geschikt voor de zaligmaking als het geloof aan de bijbelse voorstellingen die de Kerk voorstaat. We worden immers onderwezen dat iemand door God evengoed wordt aangenomen, al zou hij zelfs de bolvormigheid van de aarde, de ontdekkingen van Copernicus, de drie wetten van Kepler, de onvernietigbaarheid van de materie en de aantrekkingskracht van de aarde ontkennen. Men leert ons dat het er totaal niet toe doet of men omtrent deze vraagstukken gelijk heeft of niet, maar dat men voor eeuwig verloren is indien men niet gelooft aan het ontwerp van de zaligmaking.
Zaterdag
Op deze laatste dag van het scheppingswerk zei God:
’De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
Bestaat er een Almacht, niets is dan zekerder dan dat deze macht werkt in overeenstemming met wat wij natuurwet noemen. Pas wanneer er iets op aarde gevonden kan worden wat niet is voortgekomen uit iets anders, wat eraan voorafging, dan wordt het tijd om over het ”en zo gebeurde het” en het ”er zij” na te denken. Er zal een tijd geweest zijn dat er noch planten, noch dieren op aarde waren. De vraag is nu of ze op natuurlijke wijze tevoorschijn kwamen. Indien we Mozes moeten geloven, dan zijn alle plantaardige en dierlijke levens het resultaat van een bijzondere ingreep van God, geheel onafhankelijk van de werking van natuurwetten. Zoiets is zo onwaarschijnlijk, zo in strijd met de menselijke ervaring, dat wij het niet kunnen aannemen, tenzij wij de basis voor ons wetenschappelijk denken geheel opgeven. Men zou nog kunnen beweren dat we het ’heilige verhaal’ niet goed begrijpen. Hierop antwoord ik, dat de Joden en de Christenen het verhaal duizenden jaren letterlijk als waarheid hebben beschouwd. Indien het geïnspireerd is dan heeft God ook geweten hoe mensen het verhaal zouden begrijpen. Een mens kan natuurlijk verkeerd begrepen worden wanneer hij iets schrijft. Maar wanneer de schrijver -zoals in het geval van God- vooraf wist dat hij verkeerd begrepen zou worden, dan zou hij andere woorden bezigen om zijn werkelijke bedoeling maar te laten uitkomen. Indien hij zoiets niet zou doen, dan zouden we hem ervan beschuldigen met opzet misleidende woorden te schrijven, en dus oneerlijk was. God wist dat de mens door het bijbelverhaal misleid zou worden omtrent de tijd en de orde van de schepping. Hij wist ook dat de mens zich kinderachtige en bespottelijke voorstellingen van de Schepper zou maken. Hij wist dat het heilige verhaal gebruikt zou worden om slavernij en polygamie te bevorderen. Hij wist dat het zou uitlopen op gevangenissen voor de goeden en zelfs op brandstapels voor hen die er anders over dachten. Hij had het daarom zeer zeker moeten voorkomen dat men op zulke foutieve interpretaties van zijn woord zou kunnen komen. De Alwetendheid heeft geweten dat duizenden, miljoenen mensen de bijbel nooit zouden geloven, en dat dit aantal zich altijd maar zou vermeerderen, naarmate de beschaving en de ontwikkeling zou toenemen. Deze situatie had voorkomen moeten worden.
Laten we elkaar goed begrijpen. Een oprecht mens gebruikt volgens zijn verstand de best mogelijke woorden om zijn bedoeling uit te drukken. Men kan van hem niet meer verlangen. Hij weet niet beter. Maar een Alwetend Wezen weet niet alleen de juiste bedoeling van zijn woorden, maar ook de bedoeling die de lezers erin zullen lezen. God heeft geweten welke uitleggingen Hij eraan had moeten toevoegen om misverstand te voorkomen. Indien een Alwetend Wezen in zijn openbaring bepaalde dingen niet in woorden kan uitleggen, is het óf vanwege dat woorden niet toereikend zijn, óf omdat het niet van belang is om ze aan ons uit te leggen. Men kan gerust aannemen dat er miljoenen mensen zijn aan wie een openbaring niet besteed is, zelfs als ze in de meest eenvoudige bewoordingen gegeven zou worden. Men zou zich kunnen afvragen waarom God zo nodig mensen met zo weinig verstand schiep. Men antwoord hierop in de regel dat de openbaring net zo eenvoudig is dat iedere zwerveling en zelfs dwaas het kan bevatten. De stelling moet met het oog op de geschiedenis van het christelijk geloof echter verworpen worden. Want elke bestaande geloofssekte is er een bewijs van dat God zijn wil niet duidelijk genoeg aan de mens heeft geopenbaard. Want iedere lezer van de bijbel vat hem anders op. Vanwege de juiste interpretatie van de schrift zijn zelfs eeuwenlang oorlogen gevoerd. Indien het dus door een Alwetende God geschreven zou zijn, dan had Hij zeer zeker geweten dat het hierin zou resulteren, en mogen we Hem ervoor aansprakelijk stellen.
Is het niet oneindig verstandiger te beweren dat dit boek eenvoudig mensenwerk is? Het is een werk waarin waarheid en onwaarheid met elkaar vervlochten zijn. Het is een werk dat volledig de normen en waarden en uitdrukkingen van de tijd waarin ze werd geschreven weerspiegelt. Bestaan er fouten in de bijbel dan zijn ze natuurlijk door de mens gemaakt. Is er iets in strijd met de natuurwetten, dan komt het op rekening van de mens. Vinden we er iets onzedelijks in, dan dienen we te beseffen dat het zot is ze aan een God toe te schrijven die aanbidding waard is.
Laten wij mensen maken
Vervolgens worden we door de schrijver van de Pentateuch onderricht dat God zei:
’Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken. En God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.
Indien dit verhaal al een betekenis heeft dan bedoelt het te vertellen dat de mens volgens het natuurlijk beeld, het uiterlijk van God geschapen werd. Mozes spreekt nooit anders van God dan van een wezen met een menselijke gedaante. Hij spreek van God als wandelende in de hof van Eden in de koelte van de avond, en dat Adam en Eva zijn stem hoorden. Hij vertelt voortdurend wat God zei en in duizenden aanhalingen maakte hij van Hem gewag als zijnde niet alleen in het bezit van een menselijke gedaante, maar ook handelend zoals een mens doet. De God van Mozes was een God met handen, met voeten en spraakvermogen; een God met hartstocht, die haat, liefheeft, wraakneemt en berouw heeft. Een God die fouten begaat! Met andere woorden, Hij was precies als een buitengewoon machtig mens.
De tekst zal toch niet betekenen dat Mozes het denkbeeld had, dat God de mens volgens zijn verstandelijk of zedelijk evenbeeld schiep. Er zijn er die beweren dat God de mens volgens zijn zedelijk evenbeeld schiep, omdat men gelooft dat de mens oorspronkelijk rein was. Reinheid kan men echter helemaal niet produceren, net zo min als een zedelijk karakter voor de mens door God gemaakt kan worden. Ieder mens moet zijn eigen zedelijk karakter zelf maken. Weer anderen beweren dat Adam en Eva volgens het verstandelijk evenbeeld van God geschapen werden. Als men hiermee bedoelt dat ze met gelijksoortig verstand, maar in mindere mate van ontwikkeling, geschapen werden, dan kunnen we zoiets best toegeven, maar we kunnen onmogelijk stellen dat het de bedoeling van Mozes was dit te zeggen. Mozes beschouwde de menselijke gedaante als het beeld van God en sprak nooit van God zonder die gedaante. Niemand zal de Pentateuch lezen zonder dat hij wel gedwongen wordt te concluderen dat de mens volgens de zichtbare gelijkenis van God geschapen werd. Lees hoe God eruit ziet: ’God zei Laten wij naar beneden gaan’, God rook een lieflijke geur, God had berouw dat hij de mens gemaakt had, God wandelde, God sprak, God rustte uit. Al deze uitdrukkingen laten zien dat de persoon die de uitdrukkingen bezigde zich voorstellingen maakte van een God in menselijke gedaante. Het is voor de mens dan ook niet mogelijk zich een ander begrip te maken van een persoonlijke God dan hem in menselijke gedaante voor te stellen. Niemand stelt zich het oneindig wezen voor in de gedaante van een paard, een vogel of een dier, dus beneden de rang van mens. Het behoort tot de behoeften van het verstand de uiterlijke vormen met de verstandelijke eigenschappen te verenigen. De hoogste vorm waarvan wij ons een begrip hebben is de mens, en daarom is dat ook de enige vorm die wij in onze verbeelding aan een persoonlijke God kunnen geven. Alle andere vormen zijn volgens ons verstand aan een minder hoog ontwikkeld verstand verbonden. We zouden ons een persoonlijke God onmogelijk als een geest zonder vorm kunnen voorstellen. We mogen zulke woorden natuurlijk wel gebruiken, maar ze drukken volgens ons verstand geen bekend zijnde realiteit uit. Iedereen die zich een persoonlijke God voorstelt, stelt hem voor in mensengedaante. Neem van God al het menselijke weg, spreek van hem als een overal doordringende geest, dus als een allesdoordringende abstractheid, waaromtrent we niets weten, en het resultaat is wat men noemt Pantheïsme.
Wanneer we te horen krijgen dat God de mens maakte, komt bij ons natuurlijk de vraag op hoe dan wel. Was het via een proces, via evolutie, dwz geleidelijke ontwikkeling, door ’overbrenging van geleidelijk verkregen gewoonten’, via ’overleving van de geschiksten’, of was de nodige hoeveelheid ’klei’ die vervolgens door Gods handen tot een vorm gekneed was de enige samenstelling. De moderne wetenschap leert ons dat de mens zich gedurende een tijdperk van eindeloze eeuwen uit lagere vormen heeft ontwikkeld; dat de mens het resultaat is van een bijna oneindig aantal werkingen, terugwerkingen, ervaringen, toestanden, behoeften en aanpassingen. Was Mozes van plan die bedoeling uit te drukken of meende hij, dat God eenvoudig maar een voldoende hoeveelheid stof behoefde te nemen om het tot een geschikt model te vormen en er daarna de levensadem in te blazen, om het af te maken? Kan een bijbelgelovige een verstandig verhaal maken van dit scheppingsverhaal? Kan men zich werkelijk van deze wijze van scheppen een duidelijke voorstelling maken? Kan een theoloog zich tevreden stellen met de bewering, dat de mens direct uit aarde geschapen werd? Kan hij beweren dat de mens op deze wijze zó gemaakt werd als hij nú is? Met alle ontwikkelde spieren, om te gaan en staan en om te spreken, en in staat om de verschillende menselijke handelingen uit te voeren? Waren zijn beenderen meteen gevormd zoals nu, waren alle zenuwverbindingen, de pezen, de hersenen volledig ontwikkeld zoals nu?
Indien we in de geschiedenis van het dierlijk leven terugkijken, vinden we de laagste en de hoogste vormen en een langzame en trapsgewijze opklimming. Er bestaat een zekere, maar duidelijke verhouding tussen behoefte en verschijningsvorm, tussen levenswijzen en uiterlijke vorm. De eenvoudigste diervormen hebben geen organen. Ze hebben als het ware een bouw zonder bouwvorm. Een kleine massa doorzichtige geleistof, dat zich kan uitdijen, intrekken en zich om het voedsel heen kan hechten. Het voedt zich zonder mond, verteert zonder maag, beweegt zich zonder voeten en vermenigvuldigt zich eenvoudig door tweedeling. Neemt men dit schepsel als beginpunt aan, dan kan men gemakkelijk de ontwikkeling van de organische bouw van alle levensvormen tot aan de mens toe, nasporen. Op die wijze kan men zich van elke spier, elk bot, elke verbinding tussen organen en vormen rekenschap geven. Op deze wijze, en slechts op deze manier, kan het bestaan van alle rudimentaire organen die we bezitten, verklaard worden. Wis uit het menselijk verstand alle denkbeelden over evolutie, overerving, aanpassing, het overleven van de geschiksten, waarmee we door Lamarck, Goethe, Darwin, Haeckel en Spencer verrijkt zijn, en alle feiten in de geschiedenis van het dierlijk leven raken zonder enige samenhang, en zonder enige betekenis.
Moeten wij alle kennis die wij met betrekking tot het organische leven ontdekt hebben, verwerpen, om de stellingen aan te nemen van iemand die leefde ten tijde dat de zon opging over een ruwe, barbaarse morgen? Mag iemand er genoegen mee nemen dat de mens een direkte en onafhankelijke schepping was, en er geen relatie bestaat en onderhouden wordt tot de dieren beneden hem? Het geloof hieromtrent moet in ieder geval door bewijzen gestaafd kunnen worden. Een mens kan niet zo maar geloven wat hij verkiest. Hij kan natuurlijk in woorden zeggen wat hij wil, maar zijn woorden en wil kunnen de weegschaal noch neerdrukken noch oplichten. Indien we het híerover oneens zijn, sja, dan zijn onderzoek, bewijs, oordeel en verstand slechts woorden zonder enige betekenis.
Ik vraag opnieuw: hoe werden Adam en Eva geschapen? Volgens het verhaal werden beiden, man en vrouw, tegelijk geschapen. In het volgende verhaal wordt Adam echter eerst geschapen, en een poos daarna wordt Eva pas gemaakt, uit een deel van Adams lichaam. Was het eenvoudig door een scheppingsbevel dat de rib van Adam zich langzaam uitstrekte, aangroeide en zich verdeelde in zenuw, band, kraakbeen en vlees? Hoe werd de vrouw uit een rib en hoe de man eenvoudig uit stof geschapen? Ik voor mij geloof hier niet aan. Ik moge er dan voor moeten boeten in het hiernamaals, en er een miljoen jaar later nog spijt van hebben dat ik dit onderwerp maar niet beter onderzocht had, en slechts eenvoudig het oordeel van al lang geleden gestorvenen maar had aangenomen, maar toch kan ik nog niet geloven dat God op deze manier te werk is gegaan.
Volgens mijn ervaring bestaat er een onverbroken proces tussen oorzaak en gevolg. Elk voorwerp is een noodzakelijke schakel van een oneindige keten en ik kan me niet voorstellen dat die keten, al ware het maar voor een ogenblik, opgeheven werd. Vóór het begin van het eerste dier bestond er een oorzaak, en vóór die oorzaak weer een andere, enzovoort, altijd en eeuwig doorgaand. Naar mijn inzichten kan er geen begin en geen einde zijn.
Maar goed, is het mozaïsche verhaal waar, dan weten we ook hoe lang de mens op aarde bestaat. Want van dit verhaal kan afgeleid worden dat de eerste mens ongeveer 5895 jaar geleden geschapen werd. 1656 jaar werden alle bewoners -met uitzondering van acht personen- door een zondvloed verzwolgen. De zondvloed vond dus 4239 jaar geleden plaats. Volgens het bijbelverhaal -gesteld dat het waar is- waren alle overblijvenden dezelfde soort mensen. Want we moeten aannemen dat Noach en zijn huisgezin van dezelfde soort, ras en bloed geweest zullen zijn. Hieruit volgt dat alle verscheidenheid die we vandaag de dag onder de verschillende mensenrassen opmerken, in slechts 4000 jaar moeten zijn ontstaan. Is het verhaal van de zondvloed waar, dan werden sedert die gebeurtenis alle oude konkrijken op aarde gesticht en passeerden zij dus in een onmogelijk klein tijdsbestek alle trappen van wildheid, nomadenleven, barbaarsheid en half beschaafd leven, via steen-, brons- en ijzertijd tot de periode van handeldrijven, het beoefenen van kunsten, het bouwen van steden en tempels, het uitvinden van de schrijfkunst en het voortbrengen van literatuur. Van de voorstellingen op Egyptisch steen van meer dan 3000 jaar oud leren wij dat de zwarten toen even zo zwart, hun lippen net zo dik en hun haar net zo gekroesd was als thans. Wat het weten betreft weten wij dat er in die tijd eenzelfde verschil bestond tussen een Egyptenaar en een zwarte Afrikaan als nu. We weten ook dat in Egypte 4000 jaar voor onze jaartelling al prachtige beelden gemaakt werden. Op de wereldtentoonstelling was in de Egyptische Afdeling een standbeeld van Koning Cephren, daterend uit 4000 jaar voor Christus. Indien we Mozes moeten geloven zou dit niet waar kunnen zijn. Om maar iets anders te noemen, we weten met zekerheid dat er in Europa mensen tezelfdertijd leefden als de ruige mammoet, de neushoorn en de hyena. Men heeft tussen de beenderen van die dieren stenen bijlen en stenen pijlen van onze voorvaderen gevonden. In de grotten en holen waar ze leefden zijn resten van deze dieren gevonden. De dieren werden dus overwonnen, gedood en genuttigd, al honderdduizenden jaren geleden.
Zijn deze feiten waar dan heeft Mozes zich vergist in de tijdrekening. Ik voor mij stel oneindig meer vertrouwen in de hedendaagse ontdekkingen dan in de verhalen van een barbaars volk. Wat betekent de bewering dat mensen slechts 6000 jaar op aarde bestaan hebben? Zelfs met de grootste verbeeldingskracht is men nauwelijks in staat de tijd te berekenen die de mens nodig zou hebben om zich uit de barbaarse toestand -naakt en hulpbehoevend, omringd door veel sterkere dieren dan hij- te ontworstelen, vooruitgang te boeken en zich te ontwikkelen tot hoogbeschaafde maatschappijen van Indië, Egypte en Athene. De afstand tussen de wilde mens en Shakespeare mag niet in luttele duizenden jaren gemeten worden maar heeft het ontelbaar veelvoudige hiervan nodig.
Zondag
Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
Het grote werk was dus af, de aarde, de zon en de maan en sterren des hemels waren afgewerkt; de aarde prijkte met een groen kleed, de zeeën wemelden van dieren, het vee graasde langs de beken en bontkleurige vlinders vlogen in het luchtruim rond. Adam en Eva maakten kennis met elkaar en God rustte uit. Hij keek toe op wat hij in een week voor elkaar had gekregen. Omdat God op de zevende dag rustte, heiligde hij die, en dat is de reden waarom de joden die dag als heilig beschouwen. Indien God nu slechts die dag rustte, behoort het verhaal te vervolgen met wat hij de volgende maandag uitvoerde, maar daarover horen we niets. Heeft hij op die dag soms ook gerust? Zo niet, wat deed God dan nadat hij volkomen uitgerust was? Heeft God na die zaterdagavond dat zijn schepping klaar was ooit nog wel iets uitgevoerd??
Nog een vraag. De wetenschappelijke christenen beweren gewoonlijk dat men onder de dagen der schepping geen gewone dagen van 24 uur moet verstaan, maar dat het daarentegen zeer uitgerekte tijdsperioden waren. Welnu, indien ze gelijk hebben, hoe lang was dan wel die zevende dag, de dag dat God uitrustte? Was dit ook een geologisch tijdperk? Maar dit is onmogelijk, aangezien Adam en Eva de dag tevoren waren geschapen en er sindsdien maar zo’n 6000 jaar zijn verstreken. Precies kan de tijd niet worden opgegeven, er zijn namelijk wel meer dan 140 verschillende redeneringen omtrent de tijd tussen de schepping der wereld en de geboorte van Jezus Christus, maar wij weten volgens de bijbel wel heel zeker dat de schepping van Adam in ieder geval niet meer dan 6000 jaar geleden was. Hieruit volgt dat de zevende dag geen geologische tijdsperiode was, maar een periode van hoogstens 6000 jaar, waarschijnlijk een tijdsbestek van 24 uur.
De theologen die zich met deze dingen bezighouden, moeten een keuze doen. Nemen zij aan dat de dagen perioden van 24 uur waren, dan zal de geologie hen overtuigen dat het gehele verhaal dient te worden verworpen. Stemmen zij echter toe dat de dagen uitgestrekte tijdsperioden waren, dan houdt de heiligheid van de sabbat op.
Er wordt in de bijbel geen gewag gemaakt dat er ook maar het geringste verschil tussen de dagen bestond. Van alle dagen wordt op dezelfde wijze gesproken. Men zou nog kunnen zeggen dat onze vertalingen niet correct zijn. Maar ware dat het geval dan hebben slechts de oorspronkelijke hebreeuwssprekenden slechts een godsopenbaring gehad en worden wij bedrogen.
Hoe is het trouwens mogelijk om een tijdsbestek te zegenen? Is rust heiliger dan arbeid? Als er geen verschil in dagen bestaat, behoren dan niet juist de dagen waarop nuttige arbeid werd verricht als de beste worden beschouwd?
Van alle bijgelovigheden van het mensdom is de krankzinnigheid van de ’heilige sabbat’ wel de grootste. Wat een denkbeeld, om zich tot plicht te stellen, eenmaal in de zeven dagen plechtig en treurig zijn! Hoe kan een mens menen dat het Gode welgevalliger is wanneer zij in een duistere en sombere kamer blijven in plaats van in de heerlijke buitenlucht een wandeling te doen? Hoe kan God de mens haten als Hij ziet dat deze gelukkig is? Hoe kan het zijn toorn opwekken als hij een eensgezind huisgezin in een bos, of bij een kabbelende beek lachend en zingend aantreft? De natuur is op die dag toch ook in werking. Draait de aarde soms niet, stromen de rivieren dan niet? De bomen groeien ook, de knoppen springen net zo goed open en de vogeltjes zingen even uitbundig. Waarom zouden wij mensen dan een zuur gezicht moeten zetten en over de dood en de hel nadenken? Waarom moet die dag dan in treurigheid en waarom niet in vreugde worden doorgebracht? Een arme werkman, de gehele dag in stof en geraas doorwerkende, heeft de rustdag nodig om zich buiten in familiekring te ontspannen en om nieuwe kracht te verzamelen voor komende werkzaamheden. Ook zijn vrouw heeft behoefte aan zonnige buitenlucht, ver van het stadsgewoel.
De sabbat is het overblijfsel van een kluizenaarsbegrip, van een afkeer van vreugde, van dweepzucht, van onwetendheid, van priesterlijke zelfzucht. Deze dag werd gedurende duizenden jaren aan bijgeloof, aan verspreiding van dwalingen en aan het verkondigen van leugens toegewijd. Er is geen enkele reden voor een vrijdenker om deze dag niet als een gewone dag te beschouwen. Hij zou deze dag zoveel als mogelijk is moeten ontrukken aan de sombere kerk en ze teruggeven aan vrijheid en vrolijkheid. De vrijdenkers dienen deze dag tot een dag van ontspanning en genoegens te maken, een dag om van de familie te genieten, een dag om te spelen, te lezen, te dromen, een dag om verse bloemen te leggen op het graf van dierbaren. Zondag dient een dag te zijn van herinnering van hoop, liefde en werk.
Waarom zouden wij in deze eeuw ons door de doden laten overheersen? Waarom zouden barbaarse joden van 3000 jaar geleden ons de wet moeten voorschrijven? Waarom moeten wij ons nog bekommeren om het bijgeloof van mensen die de sabbat beginnen met nagels te knippen: eerst de vierde, dan de tweede, vervolgens de vijfde, dan de derde en eindelijk de duim. Hoe blij zal God met deze operatie geweest zijn! En allen die hun nagels op de grond lieten vallen waren uit de boze, omdat de Satan ze in hun macht had om kwaad op aarde te doen. Men geloofde ook dat de zielen op sabbat uit het vagevuur mochten komen, om hun brandende kelen met water af te koelen. De kachels mochten niet opgestookt en niet uitgedoofd worden. En grote zonde was het op sabbat wonden te verbinden. De lamme mocht een stok gebruiken, maar de blinde weer niet. De sabbat werd zo precies gehouden, dat indien een jood ergens overvallen werd, waar deed er niet toe, hij moest gaan zitten en wachten tot de gehele dag voorbij was. Viel hij in de modder, dan moest hij blijven liggen in die modder tot de dag voorbij was. Voor het schenden van de sabbat bestond de doodstraf, want slechts het bloed van de overtreder kon de godheid bevredigen. In het Oude Testament worden voor dit staken van alle bezigheden twee redenen gegeven: vanwege het uitrusten van God en vanwege de bevrijding van de joden uit Egypte.
Sedert de stichting van het christelijk geloof is de dag veranderd. De christenen houden deze dag niet meer voor zo heilig. De christelijke zondag of de Dag des Heren werd wettelijk vastgesteld door keizer Constantijn, omdat men meent dat Christus op die dag verrezen is. Het is voor christenen niet gemakkelijk te verklaren waarom zij wel recht hebben om het direkte bevel van God te minachten en op de dag die God zegende te werken, terwijl zij een andere dag waarop Hij de mensen beval te werken juist weer voor heilig houden. In ieder geval is de sabbat zaterdag; zo men een dag voor heilig wil houden is het deze dag en niet de zondag.
Maar beter nog is het deze bijgelovigheden te verwerpen en betere en edeler redenen te verzinnen. Elke dag kunnen we heiligen door een menslievende daad uit te voeren, door het geluk van mensen te bevorderen, en door het aankweken van edele gedachten. We kunnen alle dagen heiligen met ongelukkigen te helpen, gevallenen weer op te trekken, somberheid te verdrijven, vooroordelen uit te roeien, hulpelozen te verdedigen en licht en liefde in onze huiskamers te verspreiden.
Het tweede scheppingsverhaal
We moeten niet vergeten dat er in Genesis twee scheppingsverhalen voorkomen. Het eerste verhaal eindigt bij het derde vers van hoofdstuk twee. De hoofdstukverdeling in de bijbel berust op willekeur. In het oorspronkelijke Hebreeuws van de Pentateuch komt helemaal geen verdeling in hoofdstukken en verzen voor. Het Hebreeuws is zelfs zonder de punctuatie van klinkers. Het werd enkel met medeklinkers geschreven, en geheel zonder aanvullende leestekens.
De twee verhalen zijn verbluffend verschillend en kunnen allebei niet waar zijn. Laten we de verschillen opsommen:
Het tweede verhaal begint met het vierde vers van hoofdstuk twee en is als volgt:
In de tijd dat God, Jahweh, aarde en hemel maakte, groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, Jahweh, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; geen mensen om het land te bewerken (In het Hebreeuws is er hier en in het vervolg een woordspel tussen ’adam, ‘mens’, en ’adama, ‘land/aarde/aardbodem/akker’). Wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide.
Toen maakte God, Jahweh, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. God, Jahweh, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx. De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat.
God, Jahweh, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
God, Jahweh, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. Toen liet God, Jahweh, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, Jahweh, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.’
een die zal heten: vrouw,/ een uit een man gebouwd –
(In het Hebreeuws is er een woordspel tussen ’iesja, ‘vrouw’, en ’iesj, ‘man’).
Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.
De gang van zaken in het eerste scheppingsverhaal is als volgt:
1. Schepping van hemel en aarde en het licht.
2. Het uitspansel gemaakt en het scheiden van wateren en wateren.
3. De wateren in zeeën verzameld, het land drooggemaakt, het ontstaan van grasscheutjes, kruiden en vruchtbomen.
4. De schepping van zon, maan en sterren.
5. Het maken van vissen, vogels en walvissen.
6. Het maken van dieren, vee, kruipend gedierte, van man en vrouw.
De gang van zaken in het tweede scheppingsverhaal:
1.Hemel en aarde.
2. Een opstijgende nevel die de gehele aarde bevochtigt.
3. God schiep Adam uit het stof der aarde.
4. God maakt een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste Adam daarin.
5. God schiep de dieren en vogels.
6. God schiep een vrouw uit een rib van Adam.
In het tweede verhaal was de mens gemaakt vóór de dieren en vogels. Is dit verhaal waar, dan kan het eerste verhaal niet waar zijn. Indien men met de moderne theologen moet aannemen dat een dag van Mozes wel duizenden eeuwen betekent, dan zou volgens het tweede verhaal Adam miljoenen jaren bestaan moeten hebben voordat eindelijk Eva gemaakt werd. En Adam moet ’een dag van Mozes’ bestaan hebben voordat er bomen waren, en nog ’een dag van Mozes’ voordat er dieren en vogels geschapen werden. Een predikant of theoloog zou dan wel zo vriendelijk moeten zijn om ons te vertellen wat Adam zoal at al die tijd.
In het tweede scheppingsverhaal wordt de mens gemaakt en het feit dat hij zonder hulp was viel ”God, Jahweh” vreemd genoeg niet eerder op dan enige ’tijdsbestekken’ later. En wanneer God eindelijk inziet dat Adam een hulp nodig heeft maakt hij allerlei dieren voor Adam, en probeert hij in alle ernst Adam te overreden één van hen als ’hulp’ te nemen! Dat het God om een hulp voor Adam te doen was blijkt uit de pathetische eindfrase ”maar hij vond geen helper die bij hem paste”. Het schijnt dat Adam dus niets zag waar hij erg mee in zijn schik was. De fraaiste aap, de mooiste chimpansee, de beminnenswaardigste baviaan en de betoverendste orang-oetang en gorilla konden het eenzame hart van Adam niet stelen, en daar mogen we nog steeds heel blij om zijn! Indien hij op één van hen verliefd was geworden zou er nooit een vrijdenker op aarde zijn gekomen.
Dr. Clarck die deze merkwaardige situatie bespreekt zegt er het volgende van: ”God liet alle dieren bij Adam brengen om hem aan te tonen dat er geen enkel dier geschikt was als gezellin voor hem. Hij zou dus in een toestand (van celibatie) moeten verder leven, wat echter niet goed voor hem was. In zijn overgrote goedheid liet de Schepper op deze manier zien hoezeer het schepsel alles aan Hem te danken had.”
Over hetzelfde onderwerp weet Dr. Scott ons zo te beleren: ”Voor het geluk van de mens was het niet bevorderlijk zonder medegevoelend gezelschap te blijven, iets dat ook onmogelijk in overeenkomst met het doel van de schepping zou kunnen zijn. Want zonder huwelijk zou de aarde niet gevuld kunnen worden. Adam schijnt via instinct of via openbaring beter met de verschillende eigenschappen der dieren bekend te zijn geweest dan de wijste geleerde sinds de val van de mensheid. Bij het tonen van alle dieren werd er echter geen één gevonden die zijn partner zou kunnen zijn of genegenheid opwekte, of die in zijn vreugde kon delen of zich met hem zou kunnen verenigen in het dienen van God.
Dr. Matthew Henry is ook van mening dat God de dieren tot Adam bracht om te zien of er een passende kameraad voor hem onder de dieren was. ”Ze werden allemaal beoordeeld, maar Adam kon met geen van de dieren vriendschap sluiten. Daarom schiep God een nieuw wezen, dat wil zeggen een hulp voor Adam.”
Wat het bouwen van de vrouw uit een rib van Adam betreft, vragen wij ons af of hij daartoe genoodzaakt was omdat de oorspronkelijk stof, ”het niets”, waarmee Hemel en Aarde gemaakt was, geheel op was. De mens zou opnieuw geboren moeten worden indien hem dit verhaal als iets zinnigs voorkomt. Hoe in de vrede zouden wij het ons moeten voorstellen: een God die een rib van Adam in zijn hand houdt, een ontwerp maakt voor de bouw van een vrouw en er lang over peinst of hij nu uiteindelijk beter een blondine of brunette zal maken.
Hier komen we natuurlijk op het geschikte punt om iedereen te waarschuwen om noch over deze, noch over andere geschiedenissen in de ’Heilige Bijbel’, vooral geen grapjes te gaan maken. Mocht u komen te sterven, weet dan dat elke lach een doorn in uw kussen wordt. Wanneer uw eindstation komt en u uw leven nog eens overziet, dan komt het er niet zo op aan hoevelen u hebt benadeeld en aan hoeveel vrouwen u ontrouw bent geweest, voor dat soort zaken is altijd vergeving mogelijk. Maar indien u zich herinnert dat u de draak heeft gestoken met een enkele geschiedenis in Gods ’Heilig Boek’, dan zult u door de duistere schaduwen des doods heen de vurige tongen van duivels en de loerende blikken van boze geesten waarnemen. Deze geschiedenissen zult u móeten geloven, anders kunnen we onmogelijk een begin maken met het proces van wedergeboorte. Het komt er niet zo op aan hoe goed en braaf u hebt geleefd, of u de naakten hebt gekleed, de hongerigen gespijzigd hebt en uw laatste cent aan de armen hebt uitgedeeld. Dit alles zal u niet baten, want u wandelt op de brede weg die ten verderve leidt indien u niet onvoorwaardelijk aan de Bijbel als het onfeilbare geïnspireerde Woord van God gelooft.
Laat mij u eens het resultaat van uw ongeloof laten zien. In gedachten bevinden we ons nu op de Dag des Oordeels, en luisteren we naar het Vonnis over de zielen. De secretaris of aangewezene die de kruisverhoren doet, vraagt aan de eerste ziel:
-Waar komt u vandaan?
-Ik kom van de aarde.
-Wie bent u?
-ik houd er niet zo van om over mezelf te spreken. U zult dat trouwens toch wel uit één van uw boeken kunnen naslaan.
-Neen, u dient te zeggen welk soort mens u was.
-Wel, ik was wat men een ’bovenstebeste kerel’ noemt. Ik hield veel van mijn vrouw en kinderen. Mijn huis en haard betekende alles voor mij.
-Hoe behandelde u uw gezin?
-Ik zei tegen niemand een onvriendelijk woord; noch aan mijn vrouw, noch aan mijn kinderen heb ik ooit maar voor een ogenblik verdriet veroorzaakt.
-Hebt u uw schulden altijd afbetaald?
-Ik was bij mijn dood niemand een cent schuldig, en liet zelfs nog wat na om de begrafeniskosten te kunnen betalen en de honger van de deur van mijn dierbaren weg te houden.
-Behoorde u tot een kerkgenootschap?
-Nee, die waren mij te bekrompen, te kleingeestig, te kwezelachtig. Bovendien zou ik me met geen mogelijkheid gelukkig kunnen voelen indien ik zou moeten onderschrijven dat andere mensen verdoemd zouden kunnen worden.
-Gelooft u dus niet aan eeuwige bestraffing?
-Nee, volgens mij heeft God voor zijn wraak niet zoveel tijd nodig.
-Gelooft u de geschiedenis van de rib?
-Bedoelt u dat verhhaal over Adam en Eva? Om u de eerlijke waarheid te zeggen, dat was juist een beetje te veel voor mij om te verdragen.
-Weg met hem, de hel in!
Volgende!
-Waar komt u vandaan?
-Ik kom ook van de aarde.
-Was u aangesloten bij een kerkgenootschap?
-Jazeker, mijnheer, ik was zelfs lid van de christelijke jongerenvereniging.
-Welk beroep oefende u uit?
-Ik was kassier bij de spaarbank.
-Ging u er wel eens vandoor met geld van anderen?
-Niemand kon het bewijzen toen er eens een aanklacht tegen mij werd ingediend.
-Hier komt u er niet zo gemakkelijk van af. Beantwoord de vraag naar waarheid. Stak u wel eens wat vreemd geld in uw zak?
-Ja, meneer.
-Hoeveel?
-Honderdduizend euro.
-Heeft u nog wat anders op uw kerfstok?
-Ja, meneer.
-Wel, wat dan?
-Ik ging een relatie aan met de vrouw van de buurman. We zongen in hetzelfde koor.
-Had u geen eigen vrouw en kinderen?
-Ja, meneer.
-En liet u die in de steek?
-Ja meneer, maar mijn vertrouwen op God was zó groot, dat ik geloofde dat Hij wel in hun noden zou voorzien.
-Hebt u later nog iets van hen vernomen?
-Nee meneer.
-Gelooft u de geschiedenis van de rib?
-Ja, natuurlijk meneer, van ganser harte. Het heeft mij dikwijls zeer gespeten dat er geen moeilijker verhalen in de bijbel gevonden kunnen worden om mijn overvloed aan geloof te kunnen tonen.
-Dus u gelooft oprecht aan de geschiedenis van de rib?
-Echt waar meneer, van ganser harte.
-Geef hem een harp! Volgende!
Alhoewel ik zei dat God uit de rib van Adam een vrouw maakte, heb ik niet kunnen constateren hoe dit proces ten uitvoer werd gebracht, maar wel dat toen de vrouw klaar was, God haar aan Adam voorstelde. Adam was er tevreden mee en zij begonnen hun huishouding in de Hof van Eden.
Moeten we -teneinde goed, braaf en lief te zijn- nu echt geloven dat God bij de schepping van de vrouw een bijgedachte had? Moeten we ook nog geloven dat hij Adam er werkelijk toe probeerde over te halen zijn hulp te zoeken uit één van de dieren? En is het echt onmogelijk een eerlijk en gelukkig leven te leiden zonder aan die buitensporige fabels te geloven? Men beweert dat God op de berg Sinaï onder donder en bliksem de tien geboden gaf als gids en leidraad voor het mensdom – maar geen van die geboden zegt: ”Gij zult de bijbel geloven”.
De Hof van Eden
In het eerste verhaal wordt ons verteld: ”dat God de mens schiep; man en vrouw schiep hij ze. Hij zegende hen en zei tegen hen: ’Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag.”
In het tweede verhaal wordt slechts de man geschapen en in een hof geplaatst om die te bewerken en erover te waken”. Adam wordt niet gezegd de aarde te onderwerpen, maar om een tuin te bewerken en te bewaren.
In het eerste verhaal wordt de mens elk kruid dat zaad draagt en de vrucht van elke boom als voedsel gegeven, en in het tweede verhaal slechts de vruchten van alle bomen die zich in de hof bevinden, met uitzondering van de boom van de kennis van goed en kwaad, die een dodelijk gif bevatte.
Uit deze hof kwam een rivier die zich splitste in vier stromen. De naam van de eerste rivier is Pison, die stroomt om heel Chawila heen, de naam van de tweede rivier is Gihon, die om heel Nubië heen stroomt, de derde rivier heet Hiddekel, ten oosten van Assyrië. De vierde rivier is de Eufraat. Waar zijn die rivieren thans? Ontdekkingsreizigers hebben elke zee bezocht, de grond van elk klimaat is betreden door onvermoeibare reizigers, maar nergens heeft men de plaats waar al deze rivieren ontspringen gevonden. De Eufraat zendt zijn water nog altijd naar de (Perzische) Golf. Waar vinden we de Hiddekel, Pison en de Gichon? Alle vier rivieren zouden we door de Eufraat maar stroomopwaarts te varen moeten kunnen vinden, of de oude beddingen zouden aangewezen moeten kunnen worden. Iemand die dit boek met ”de vergissingen van Mozes” nog eens beantwoordt, zou ons misschien kunnen zeggen waar deze rivieren waren of zijn. [De Hiddekel is inmiddels door de nieuwste, blijkbaar zeer verlichte bijbelvertalers in de Tigris veranderd, vert.] Wij hebben de bronnen van de Nijl ontdekt, de Noordpool zal wel spoedig bereikt worden, maar die drie rivieren ontspringen nog steeds op onbekende bergen, stromen nog altijd door onbekende landen en monden nog altijd in onbekende zeeën uit.
De vermelding van deze rivieren noemt de Eerw. Heer David Swing een ’geografisch verdichtsel’. De orthodoxe geestelijkheid probeert dit alles te bedekken met de mantel van ’allegorie’, en de wetenschappelijk georiënteerde christenen spreken van beroeringen, opheffingen, aardbevingen en verplaatsingen van de aardkorst.
De vraag die zich hierbij voordoet is deze, waar in de laatste zesduizend jaar zulke verheffingen of verplaatsingen hebben plaatsgevonden. Men moge spreken van langdurige scheppingsperioden voorafgaand aan de schepping van de mens, maar die mens werd dan toch uiteindelijk zo’n 6000 jaar geleden geschapen, en Mozes geeft nauwkeurig de geslachtsregisters van Adam tot zijn tijd aan en die kunnen niet weggeredeneerd worden.
Volgens het tweede scheppingsverhaal gaat het over rivieren die Adam gezien heeft, en zij moeten dus binnen zesduizend jaar verdwenen zijn. Kunnen wij deze tegenspraak, ongerijmdheid en leugen niet eenvoudiger verklaren en zeggen dat, ofschoon de schrijver zijn best gedaan heeft, hij zich danig vergiste omdat zijn kennis te beperkt was, hij door de overlevering misleid werd, en te onvoorwaardelijk vertrouwde op de juistheid van zijn verbeelding. Is zo’n conclusie niet verstandiger dan te beweren dat die dingen tóch waar moeten zijn en dit staande te houden alsof de wetenschap van generlei betekenis is?
Kan men een reden geven waarom het eten van de boom van kennis van goed en kwaad verboden was? En om welke soort van boom ging het wel? En indien alles slechts een allegorie is, welke waarheid moet uit deze mededelingen dan gezocht worden? Waarom zou God er op tegen zijn dat die vrucht door de mens gegeten werd, en waarom plaatste Hij die boom midden in de hof? Er was ruimte genoeg op aarde buiten de tuin. Indien het echt zijn wens was dat de mens moest afblijven van de boom, waarom bracht Hij ze dan bij elkaar? En waarom werd de mens uit de tuin verdreven nadat hij ervan gegeten had? Het enige antwoord wordt in de bijbel zelf aangegeven:
Toen dacht God Jahweh: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken waaruit hij was genomen.
Zal een predikant of iemand anders de goedheid hebben ons te zeggen wat de bedoeling hiervan is? Of zijn wij verplicht te geloven zonder er iets van te begrijpen? Zo het een openbaring is, wat openbaart het dan? Verbiedt God de opvoeding, scholing en kennis en is dat soms de reden van de nog altijd vijandige houding van theologen tegen de wetenschappelijke waarheid? Was er in de tuin ook een boom des levens, waarvan Adam en Eva ook zouden hebben kunnen eten om onsterfelijk te kunnen worden? Is het echt waar dat God, nadat Hij Adam en Eva verdreef uit de tuin, Hij het nog nodig vond aan de oostkant Cherubim te plaatsen met een heen en weer flitsend, vlammend zwaard, om de weg naar de boom des levens af te sluiten? Bewaken ze trouwens deze weg nog steeds of is de boom al verrot en groeien er slechts, zoals de Eerw. Heer Robert Collyer opmerkte, ”een perk met bosviooltjes”? Welke reden kan God tegen onsterfelijkheid van mensen gehad hebben? Dit verhaal laat slechts weten hoe we onsterfelijkheid verloren. Dit geeft maar weinig troost, want nergens in de Mozaïsche boeken komen we te horen hoe we weer een ander Eden kunnen verdienen. Natuurlijk weet ik dat de christenen veel te vertellen hebben over een ander Eden, waar alle gelovigen eens bij elkaar zullen komen om van hun onuitsprekelijke zaligheid te zullen genieten bij het aanzien van de ongelovigen die dan in de hel zullen branden; maar zij zeggen ons niet waar dat Eden te vinden is.
Enige bijbelkenners zijn op het idee gekomen de tuin van Eden naar de derde hemel te verplaatsen, anderen hebben het over de vierde hemel. Weer anderen hebben het zelfs op de maan gezet, weer anderen in de lucht, buiten de aantrekkingskracht van de aarde. Sommigen blijven op aarde. Men kan horen spreken over de Noordpool, over de Zuidpool. Enigen hebben het over Tartarije, weer anderen over China. Sommigen hebben Eden op de oevers van de Ganges gezet, sommigen op Ceylon, anderen in Armenië, in Afrika, onder de evanaar, in Mesopotamië, in Syrië, in Perzië, in Arabië, Babylon, Assyrië, Palestina en in Europa. Nog anderen namen er genoegen mee dat het onzichtbaar was, en dat men het geheel als allegorie en geestelijk moet opvatten. Maar of u de verhalen nu begrijpt of niet, geloofd moeten ze worden. Het kan zijn dat men u uitlacht om de bewering dat God Adam in een diepe slaap liet vallen en uit zijn rib een vrouw maakte, maar in een hiernamaals zult u een kroon krijgen en beloond worden. daar zult u het genoegen hebben de lieden die hier lachen te horen huilen. Het is u niet veroorloofd wraak te nemen, u kunt slechts glimlachend uw gehele berusting in de wil van God uitspreken. Maar waar het nieuwe Eden is? Niemand weet het. Het ene is verloren en het andere nooit gevonden.
Is het waar dat een mens volmaakt zuiver en onschuldig was en dat hij door een daad van ongehoorzaamheid verdorven werd? Neen! De waarachtige waarheid is, en de geschiedenis bewijst dit, dat de mens vooruit is gegaan. De gebeurtenissen kunnen evenals de slinger van de klok heen en terug gaan, maar de mens is evenals de wijzers van de klok vooruit gegaan. De mens wordt edeler. Hij ontaard niet. Mensen falen en sterven om plaats te maken voor hogere vormen. De verstandelijke horizon van de aarde breidt zich steeds uit. De idealen worden zuiverder en edeler. Het verschil tussen rechtvaardigheid en genade wordt steeds minder. De vrijheid steeds groter en de liefde duurzamer. de eeuwen van geweld en vrees, van wreedheid en onrecht zijn achter ons en het ware Eden ligt vóór ons. Men zegt, de begeerte naar kennis deed ons het Eden van het verleden verliezen, maar waar of niet, die begeerte zal ons eenmaal het Eden van de toekomst doen bereiken.
De Zondeval
Er wordt ons verteld, dat de slang listiger was dan al het gedierte van het veld, en dat zij een praatje ging maken met Eva, waarin zij haar mening omtrent het eten van een zekere vrucht te kennen geeft. Ze verzekert Eva ervan dat de vrucht een goede spijs is, begeerlijk voor het oog en wijsheid schenkt. Zo verleidt de slang Eva er één te nemen, en haalt Eva op haar beurt weer Adam over er één uit te proberen. Vervolgens horen we dat God het ontdekte, dat Hij de slang vervloekt en veroordeelt tot kruipen, en tot het eten van stof, dat Hij de barensweeën van de vrouw zal vermeerderen, de grond vanwege Adams ongehoorzaamheid vervloekt en veroordeelt tot het voortbrengen van doornen en distels, en de mens veroordeelt tot werken in het zweet van zijn aanschijn, terwijl hij bovendien nog een doodsvloek over hem uitgesproken hoort worden: ”Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.” Voorts maakt God rokken van huiden voor Adam en Eva, en verdrijft Hij ze uit de Hof.
Welnu, wie was deze slang? Dr. Adam Clarck laat horen:
De slang moet rechtop zijn weg zijn gegaan. Zij moet ook met het spraakvermogen en met verstandsvermogen voorzien zijn geweest. De vrouw had de slang zonder twijfel zo zien lopen, spreken en redeneren, want ze verbaast zich nergens over, wanneer ze in de taal die de tekst aangeeft aangesproken wordt. Daarom komt het mij waarschijnlijk voor, dat hiermee een aap, wellicht orang-oetang, zal bedoeld zijn en dat de Satan zich van dat schepsel bediende om zijn moorddadige plannen tegen het leven van de ziel van de mens uit te voeren. Hij was in dit schepsel verborgen, en via dat dier verleidde hij onze eerste ouders. Uit de bouw van zijn ledematen en spieren is het duidelijk dat het beest bestemd was rechtop te gaan, en niets anders dan een hogere macht het noodzaakt om zijn handen -overeenkomend met die van de mens- op de grond te zetten, en zo te lopen als dieren met klauwen. De heimelijke slimheid en eindeloze verscheidenheid van listen en hinderlagen tonen aan dat apen verstandiger zijn dan andere schepsels, uitgezonderd de mens. Genoodzaakt op handen en voeten te gaan en hun voedsel van de grond te nemen, zijn ze letterlijk verplicht stof te eten en hoewel ze uiterst slim zijn en op verschillende wijze er voor weten te zorgen dat ze datgene kennen wat gezond en geschikt is tot voedsel, hebben ze wat de zindelijkheid betreft alle zin en rede verloren. Voeg hierbij nog hun buitengewone tegenzin om rechtop te lopen, waartoe men hen bijna moet dwingen om het te doen, en hen dan ook nog boos maakt en geprikkeld. Deze zaken heb ik kunnen vaststellen door deze dieren langdurig gade te slaan. Ze hebben in de dierenwereld hun gelijke niet wanneer het gaat om waakzaamheid, schreeuwen en keuvelen met elkaar. Inderdaad is het schreeuwen het enige wat zij van hun vroegere spraakvermogen hebben overgehouden. Sedert de val van de mensheid schijnen zij van dit spraakvermogen beroofd te zijn. Hier hebben wij dus de ontbrekende schakel tussen de mens en de lagere schepping. De slang was eenvoudig een orang-oetang, die met het grootste gemak in het Hebreeuws sprak en het uiterlijk van de mens had, verleidelijk in manieren, beminnelijk, beleefd en bewonderenswaardig in staat tot bedriegen. Het kwam mij ook altijd onbegrijpelijk voor, dat een kille, ijzige en weerzinwekkende slang met een appel in de bek, iemand zou kunnen bedriegen en ik verheug me er nu op te weten dat het wezen dat Eva tot het proeven van de vrucht overhaalde, de gedaante van een mens had.
Dr. Henry stemt met de zoölogische verklaring van Dr. Clarck niet overeen, maar beweert dat de boosdoener de duivel was en Eva in de vorm van een slang verleidde. Aan het begin van de schepping was de duivel een engel des lichts en een dienaar in de direkte omgeving van de troon van God, maar door de zonde werd hij een afvallige, en werd hij Gods vijand. Degene die onze eerste ouders overviel was zeer zeker de vorst van alle duivelen in eigen persoon, de hoofdaanvoerder in de samenzwering. De duivel verkoos zijn rol als slang te spelen, omdat het dier er prachtig uitziet, een bontgevlekte huid bezittend en destijds rechtop ging. Misschien was het zelfs een vliegende slang, die als een bode van de bovenwereld, als een serafijn neder daalde, omdat de slang een zeer listig dier is. Wat Eva van deze slang die met haar sprak dacht, valt niet te zeggen; ik geloof dat ze het zelf niet wist wat ze ervan zou moeten denken. Wie weet dacht ze dat het een goede engel was, om pas later tot de minder aangename ontdekking te komen, dat ze zich deerlijk vergist had. De verleide persoon was een vrouw. Ze was alleen en bevond zich op afstand van haar man, en blijkbaar dicht bij de verboden boom. Het was de listigheid van de duivel om het zwakkere geslacht met zijn verleidingen te overvallen. Ongetwijfeld was zij de mindere van Adam in kennis, kracht, en tegenwoordigheid van geest. Sommigen menen dat Eva het gebod niet direkt van God, maar uit tweede hand, dus via Adam, had ontvangen en daarom gemakkelijker kon worden overgehaald om er niet te zwaar aan te tillen. Het was de listigheid van de duivel haar aan te spreken toen ze geheel alleen was. Tevens had hij het geluk dat ze zich dicht bij de verboden vrucht bevond. God stond vanwege wijze en heilige doeleinden toe, dat Satan invloed over Eva uitoefende. De Satan leert de mens altijd eerst twijfelen en dan te ontkennen. Eerst maakt hij van de mens een twijfelaar, en langzamerhand verandert men in godloochenaar.
U ziet, we kunnen niet anders dan toegeven dat er voor een vrouw niets aantrekkelijkers is dan een slang met rechtopgaande houding en ”bontgevlekte huid”, of wellicht één met vleugels. Is het niet vernederend te weten dat onze voorouders deze onzin ernstig geloofden? Hoe kunnen we [na zo’n bewijs] nog een afkeer hebben van de Darwinistische leer van de afstamming? Onze voorouders geloofden dat het hun plicht was in dit alles te geloven. Zij meenden dat het zondig was de minste twijfel te koesteren en dat God hun goedgelovigheid als bijzondere verdienste aanrekende. Voor hen was de geschiedenis volkomen waar. Ze zagen de hof van Eden voor hun ogen, ze hoorden het gemurmel van de rivieren, ze roken de geur van de prachtige bloemen. Ze geloofden dat er een boom bestond waaraan kennis groeide, op dezelfde manier als een boom pruimen en peren kan voortbrengen. En zij zagen voor zich hoe de kronkelende slang tussen de ritselende bladeren Eva ompraatte om de goddelijke wet te overtreden. Waar kwam de slang vandaan? Op welke van de zes dagen werd ze geschapen? Wie maakte haar? Is het zelfs mogelijk dat God zo’n succesvolle rivaal geschapen zou hebben? God wist toch van tevoren dat Eva en Adam vallen zouden? Hij wist ook wat een geweldige indruk zo’n bontgekleurde slangevel op een vrouw zonder ervaring zou hebben. Waarom beschermde God zijn kinderen niet? Hij wist dat Adam en Eva zondigen zouden en dat Hij ze zou moeten wegjagen. Hij wist dat de wereld daardoor verdorven zou worden en Hij daarvoor later aan het kruis zou moeten sterven.
Weer vraag ik: wie of wat was de slang? Een man was het niet, daarvan was er maar één gemaakt. Om dezelfde reden was het ook geen vrouw. Een gewoon dier was het ook niet, want ze was intelligenter dan alle andere dieren, ze had spraakvermogen en kroop pas op haar buik nadat ze vervloekt werd. waarom werd ze niet uit de Hof geweerd? Waarom pakte God het beest niet bij zijn staart, waarom hakte Hij niet meteen de kop eraf, waarom beschermde Hij de mens niet? Waarschijnlijk had Adam de slang gezien toen hij naar ’een hulp’ rondzag, en gaf hij er de naam aan, maar Eva had het dier nog nooit ontmoet. En toch is ze in het geheel niet verbaasd een slang te horen praten. Alles was nieuw voor haar en haar man was juist op dat moment niet bij haar. Het is de gewoonste zaak van de wereld dat ze de vrucht bij wijze van proef uitprobeerde. En aangezien ze zag dat de vrucht prachtig om te zien was en bovendien verstandig maakte is het nog minder verwonderlijk dat ze de vrucht deelde met haar man. Duizenden boeken hebben de theologen geschreven over de zondeval, en toch kan men er niet omheen dat de slang de waarheid sprak. Men vertelt ons dat de slang de Satan was, de grootste vijand van het mensdom, die in het lichaam van een slang kroop. Is dat waar, dan begrijp ik niet waarom de slang erom vervloekt zou moeten worden. God vervloekt de slang voor iets wat de duivel doet. Of bleef de Satan soms in het lichaam van de slang en deelt zij op geheimzinnige wijze in de opgelegde straf? Moeten we soms geloven dat wanneer men een slang doodt, er tegelijkertijd een boze geest vernietigd wordt, of is er maar één duivel en stierf die bij het sterven van de eerste slang? Is het vanwege dit gebeuren dat alle joodse en christelijke afstammelingen van Adam en Eva een afkeer van slangen hebben? En moet men men slangenaanbidding in Mexico, Afrika en India aan hetzelfde gebeuren toeschrijven?
Het is natuurlijk mogelijk dat het hele verhaal een verdichtsel is, zoals men weet is er een toetssteen die zegt dat het beste verhaal altijd het meest verzonnen is…
In hetzelfde hoofdstuk vernemen we ook nog dat God voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen maakte, en hen die antrok. Waar kreeg God opeens die vellen vandaan? Nam Hij ze van dieren, dan was Hij een slachter. Waren ze ook nog gelooid, dan was hij een leerlooier. Waren ze ook nog genaaid, dan was Hij een kleermaker. En waarom hadden ze opeens rokken van vellen nodig? Een naakte toestand was daareven nog behoorlijk en volkomen passend. Had de zonde het klimaat opeens drastisch veranderd? Toch moeten we het verhaal geloven, als men hier en in het hiernamaals gelukkig wil worden. Is het wellicht om ons menszijn op te heffen, dat men over God spreekt als slachter, leerlooier en kleermaker?
Op dit punt gekomen wil ik wel duidelijk zeggen dat wanneer ik over God spreek ik hiermee het wezen bedoel dat door Mozes Jahweh, de God van de joden, werd genoemd. Er moge buiten mijn weten in de onbekende grenzeloze oneindigheid een wezen bestaan, maar indien zo’n wezen bestaat kan ik er niets anders over zeggen dan dat Hij in ieder geval geen boeken schreef, geen barbaren inspireerde, geen aanbidding verlangt, en geen hel heeft klaarstaan, om degene die eerlijk naar waarheid zoekt daarin te laten verbranden. Wanneer ik het dus heb over God, dan bedoel ik die God die de mens tegenhoudt zijn handen uit te strekken naar de vrucht van de boom des levens, de God die bang is dat de mens eeuwig leve, de God die de vrouw de verschrikkelijke barensweeën heeft gegeven, zijn best deed het werk van de mens zo moeizaam mogelijk te maken, de gehele wereld in zijn toorn liet verdrinken, en de God die altaren van bloed deed roken, mensen liet slachten, vrouwen liet schenden, mensen tot slaven van anderen liet maken, en de wereld met wreedheden en misdaden opvulde. Ik heb het over de God die voor de weinige uitverkorenen een hemel en voor de grote massa een hel maakte, en die straks van eeuwigheid tot eeuwigheid zit te staren naar de kwellingen van de verdoemden en verlorengegaanden.
Nattigheid
”Zo kwamen er steeds meer mensen op de aarde, en zij kregen dochters. De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden. Toen dacht Jahweh: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets anders dan vlees; hij mag niet langer dan 120 jaar leven. In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde. Dat zijn de befaamde helden uit het verre verleden. Jahweh zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst. Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, want ik heb er spijt van dat ik ze gemaakt heb.” (Gen. 6:1-8)
Volgens dit verhaal is het duidelijk, dat de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs niet die uitwerking had dat zij en hun nakomelingen zich beter gedroegen. Integendeel, zij werden hoe langer hoe slechter. Ze stonden wel onder direkt bestuur en heerschappij van God, maar niettemin ging de mens door allerlei boosheden te begaan. Veel bijzonders werd er overigens niet gedaan om dit te voorkomen. Geen scholen werden er gebouwd, er was nog geen bijbel geschreven, zelfs een geschreven taal bestond nog niet. Het ontwerp van de zaligmaking was dus nog een diep geheim. Ook omtrent de vijf hoofdpunten van het Calvinisme werd nog helemaal niets onderwezen. Zondagscholen bestonden nog niet. Kortom, voor de verbetering van de wereld werd door God totaal niets gedaan. God hield zijn eigen zonen niet eens thuis. Hij stond toe dat zij hun woonplaats verlieten en liefdesbetrekkingen met de dochters der mensen aanknoopten. Het resultaat was dat de aarde vol boosheid werd en er reuzen ontstonden, zodat God er spijt van kreeg de mensen op aarde gemaakt te hebben. Hij voelde zich diep gekwetst.
Natuurlijk wist God toen hij de mensen maakte dat hij er later spijt van zou krijgen. Hij wist maar al te goed dat die lui alleen maar steeds slechter kunnen worden, en het enige afdoende geneesmiddel een volledige verdelging zou moeten zijn. Hij wist ook dat hij iedereen, behalve Noach en zijn familie, zou moeten laten omkomen. Het is daarom onbegrijpelijk waarom hij Noach en zijn huisgezin niet het eerst maakte, en Adam en Eva maar gewoon ’stof’ liet blijven. Hij wist tenslotte ook dat ze door de slang zouden worden verleid, en dat hij ze uit het paradijs zou moeten verdrijven, om ze te beletten van de boom des levens te eten. Hij wist dat alles verkeerd zou gaan, dat de Satan altoos zou blijven dwarsliggen, dat hij zijn volk toch niet hervormen kon, dat zijn eigen zonen aan de verderving van het mensenras zouden meewerken, en dat er tenslotte niets anders op zat dan, op Noach en zijn gezin na, de gehele aarde te laten verdrinken. Om welke reden maakte hij dus een Hof van Eden? Waarom kwam God pas ’s avonds toen het koel was opdagen om naar zijn kinderen om te zien? Waarom nam hij ze niet overdag al bij de hand? Waarom vulde hij de wereld ook nog met zijn eigen zonen? Waarom leert diezelfde God mij met tal van geboden en verboden mijn kinderen op te voeden, terwijl hijzelf totaal passief was en zijn kinderen uiteindelijk maar liet verdrinken?
Opmerkelijk is het dat indien God de voorwereld wenste te verbeteren, hij niet op het idee van een hel kwam, noch op het idee van revivals en zomerkampen, noch tractaten uitdeelde, noch een Heilige Geest uitstortte, niet aan dopen deed en ook geen avondgebeden instelde. Hij deelde zelfs niet mee van het grote leerstuk van de Zaligmaking door het geloof! Wanneer de orthodoxen gelijk hebben, gingen alle mensen in die tijd dus naar de hel, zonder zelfs te weten dat er zoiets bestond. Had God die onnozele bengels niet moeten waarschuwen? In plaats van met vuur werden ze met water bedreigd. Is het niet vreemd dat God aan Adam en Eva ook totaal niets over het eeuwig leven vertelde, dat hij deze ’oneindige waarheden’ maar voor zichzelf behield en miljoenen mensen liet sterven zonder enige hoop op een hemel en zonder vrees voor een hel? Weliswaar is het mogelijk dat de hel toen nog niet gemaakt was, en derhalve nog niet bestond. In de zes dagen van de schepping werd er niets omtrent zo’n bodemloze diepte gezegd, en ook de slang kwam pas na de schepping van man en vrouw pas tevoorschijn. Misschien werden hemel en hel wel op de eerste rustdag gemaakt, vandaar de strofe:
”En Satan nog altijd boosheid
Vindt voor luie hand immer iets te doen.”
De heilige geschiedschrijver vergat ook te vertellen wanneer de Cherubim en het vlammend lemmer van hun zwaard gemaakt werden en hij zegt ook niets omtrent de twee afwezige personen van de drie-eenheid. Het zou veel beter geweest zijn Adam en zijn direkte afstammelingen hiervan op de hoogte te stellen. De wereld was toen nog maar ongeveer 1536 jaar oud, drie generaties hadden er nog maar geleefd. Adam was 606 jaar geleden gestorven en enige van zijn kleinkinderen leefden ongetwijfeld nog. Het is moeilijk te begrijpen waarom God niets deed aan het beschaven van mensen. Hij was nota bene almachtig en alwijs, en was in staat alle nodige middelen ter veredeling te verzinnen. Om welke reden moest God eerst de wereld met boze geesten vullen? Is dat goedheid? Waarom moest hij proeven nemen, hij, die wist dat ze zouden mislukken? Is dat wijsheid?
Volgens Mozes had God besloten niet alleen de mensen, maar ook al het gedierte, zowel het kruipend gedierte als de vogels, te verdelgen. Wat hadden die kruipende dieren en die vogels gedaan om Gods toorn op te wekken? Wat was de reden dat God berouw kreeg dat hij ze gemaakt had? Kan een christen ons hiervan opheldering geven? Een normaal mens zal een dier nooit zonder reden pijn doen. Hoe kunnen wij dan een God aanbidden die niet begaan is met de smarten van redeloze dieren, die hij zelf gemaakt heeft? Hij wist van tevoren dat hij ze zou verdelgen. Waarom had hij ze dan gemaakt? Schept God wellicht behagen in het veroorzaken van nutteloze pijn? Hij had de macht alle dieren, het kruipend gedierte en de vogels op zijn tijd en op zijn manier te maken, en wij kunnen niet anders veronderstellen dan dat Hij ze geheel naar zijn zin maakte. Hij zag dat ze goed waren. Waarom moest Hij ze dan verdelgen? Ze hadden toch geen enkele zonde begaan? Zij hadden van de verboden vrucht niet gegeten, zij hadden geen lendenschortjes van vijgebladeren nodig, ze hadden de Boom van de kennis van goed en kwaad zelfs niet aangeraakt. Toch verwoestte deze God in zijn onrechtvaardige toorn alle levende wezens op aarde.
Nadat Jahweh vast besloten had de aarde te laten verdrinken, beval Hij Noach een ark van goferhout te bouwen, vijftig el breed en driehonderd el hoog. deze ark had drie verdiepingen en van boven een venster van één el groot. Jahweh schijnt de ventilatie niet erg belangrijk te hebben gevonden, want stelt u eens zo’n schip voor, groter dan een modern stoomschip, met slechts één raampje dat de omvang van een el heeft (=ca. 45 cm.)! De ark had ook nog een deur aan de zijkant, met enkel een sluiting aan de buitenkant. Zodra het schip klaar was en goed voorzien van proviand kreeg Noach zeven dagen de tijd om de dieren in de ark onder te brengen.
Enige goed opgeleide theologen willen beweren dat de zondvloed slechts plaatselijk was, dus dat het water maar een klein gedeelte van de aarde bedekte, en dat er daarom niet zoveel dieren in de ark behoefden meegenomen te worden. Maar dit druist volledig in tegen de zo overduidelijke strekkuing van het geïnspireerde verhaal. Indien de vloed slechts plaatselijk was, waarom zegt God dan dat Hij al het vlees zal verdelgen waarin de levensgeest huist? De bedoeling van de schrijver is te verhalen van een algemene zondvloed, en hij zou het niet duidelijker hebben kunnen uitleggen. Waarom willen de moderne christenen God de roem ontnemen één van de verbazendste wonderen aller tijden te hebben verricht? Is het te moeilijk voor een Almachtige om zo’n stofdeeltje als de Aarde in zijn geheel te overstromen? Twijfelt men eraan of Hij machtig genoeg is, Hij iets aan wijsheid of rechtvaardigheid te kort komt? Wie aan wonderen gelooft moet ze niet willen verklaren. Om ze te verklaren staat ons slechts één middel ter beschikking: ze aan natuurlijk werking toeschrijven, maar dan is het geen wonder meer. Men moet een wonder dus nooit willen verklaren. Men hoeft zich niet uit het veld te laten slaan, als men aantoont dat het wonder onbegrijpelijk was. Hoe zou een wonder ook begrijpelijk kunnen zijn? Ook behoeft men niet ontmoedigt te worden, zelfs al toonde men de onmogelijkheid van het wonder aan; want alles wat mogelijk is is nu eenmaal geen wonder meer. Als een wonder te begrijpen zou zijn zou er geen beloning meer hoeven worden uitgekeerd ze te geloven. De ware christen is fatsoenlijk genoeg ”te geloven” en laat ”bewijzen” altijd aan de zondaars over. God heeft met het doen van een wonder al genoeg gedaan. Hij is niet geroepen ze ook nog eens nader te verklaren aan ongelovigen.
Enkele jaren geleden werd ieder wonderverhaal dat in de bijbel voorkwam heel letterlijk geloofd. Mocht iemand al aan een natuurlijk verklaring denken, dan was dat altijd een teken van verkapt ongeloof. Maar tegenwoordig zijn het redders van het geloof! de goedgelovigheid van de kerk gaat hard achteruit en de al te gekke wonderen moeten nu óf verklaard worden, óf via ’fouten van vertalers’ uitgelegd worden, óf enkel en alleen als allegorie opgevat te moeten worden.
In het zesde hoofdstuk wordt Noach bevolen:
Van alle dieren moet je er twee in de ark brengen, om ervoor te zorgen dat die met jou in leven blijven. Een mannetje en een wijfje moeten het zijn.
In het zevende hoofdstuk wordt het bevel opeens veranderd en krijgt Noach de volgende opdracht:
Van alle reine dieren moet je zeven mannetjes en zeven wijfjes meenemen, van de onreine dieren moet je er twee meenemen, een mannetje en een wijfje, en van de vogels weer zeven mannetjes en wijfjes, om hun voortbestaan op aarde veilig te stellen.
Om het wonder nog enigszins te verkleinen hebben sommige bijbeluitleggers beweerd dat Noach niet bevolen werd zeven mannetjes en zeven wijfjes van elke reine soort mee te nemen, maar slechts zeven exemplaren in totaal. Er zijn dus christenen die al tevreden zijn als ze 3½ exemplaar van ieder geslacht van reine dieren in de ark meekrijgen.
Indien de tekst in het zevende hoofdstuk al iets betekent, dan is het toch overduidelijk dat het hier gaat om 14 stuks van elke reine soort, en twee stuks van iedere onreine soort, ieder geslacht evenveel aanwezig, plus nog 14 stuks van iedere vogelsoort. Eveneens is het duidelijk dat vers 19 en 20 uit hoofdstuk 6 maar over twee stuks spreekt van iedere soort (één mannelijk en één vrouwelijk exemplaar), en dat dit bericht overeenkomt met de verzen 7, 8, 9, 14, 15, en 16 van hoofdstuk 7. De volgende vraag is hoeveel dieren Noach nu in de ark meenam. Er zijn thans 12500 soorten vogels bekend en geclassificeerd. Bovendien zijn er nog uitgestrekte gebieden in China, Zuid-Amerika en Afrika die nog nooit onderzocht zijn. Nam Mozes nu 14 stuks van elke soort mee, volgens het derde vers van het zevende hoofdstuk? In dat geval fladderden er tenminste 175.000 vogels rond.
ik moet hier nog eens terugkomen op wat ik hierboven gesteld heb, dat de zondvloed niet een plaatselijke overstromimg geweest kan zijn., want in dat geval was het in het geheel niet nodig geweest ook maar één enkele vogel mee te nemen. naar mijn mening zijn vogels slim genoeg aan zo’n lokale overstroming te ontsnappen.
Er zijn vervolgens tenminste 1658 soorten van dieren bekend. Rekent men maar 25 reine soorten dan levert 14 stuks van elke soort 350 dieren op. Twee stuks van de overige soorten bedraagt 3266 dieren. Van kruipende dieren bestaan zo’n 650 soorten. Twee van elke soort bedraagt 1300 stuks. Tenslotten zitten we nog met de insekten. Wellicht een miljoen soorten, zodat Noach en zijn helpers tenminste twee miljoen bij elkaar moesten zien te vangen. Infusoriën laten we nu maar buiten beschouwing. er zijn waarschijnlijk enige honderdduizenden soorten hiervan, maar velen zijn onzichtbaar; Noach zal er zich een ongeluk naar hebben gezocht, en moest ze ook nog bij paren verzamelen. Weinigen zijn op de hoogte van alle moeite die Noach zich heeft moeten getroosten. daar komt nog bij dat er vele diersoorten waren die niet voorkwamen in de regio van Noach. Toch heeft hij ze naar de ark moeten brengen en later weer terug transporteren. Werd de bijzondere dierenwereld van Amerika via Azië door engelen overgebracht? Hoe zouden ze er anders kunnen komen? Verliet de ijsbeer zijn ijsvelden, en kwam hij uit eigen beweging naar de tropen? En wist hij precies waar hij moest wezen? O, daar hebben we een kangaroe! Liep, zwom of sprong die van Australië naar Azië? Trokken de giraffe, het nijlpaard, de antiloop en de orang-oetang uit verre oorden om de ark op te zoeken? Kan deze reeks dierabsurditeiten nog voortgezet worden? O ja. Wat hadden deze dieren op hun lange heenreis te eten? Wat aten en dronken ze in de ark? Toen de regen viel stroomden de rivieren in de zeeën, en de zeeën stegen zozeer dat ze tenslotte de gehele aarde overstroomden. Het water van de zee vermengde zich met die van de stortvloed en maakte al het water zout. Men heeft berekend dat men acht maal meer water nodig zou hebben dan er tegenwoordig in de zeeën voorradig is. Dus hoe zout het water werd is gemakkelijk te berekenen: men neme 8 delen zoet water en voege daar één deel zeewater bij. Zulk water verwekt dorst, in plaats van die te lessen. Noach moest dus voor alle dieren vers water meenemen. ook moest hij voor iedere soort geschikt voer meenemen. Het verblijf in de ark duurde 377 dagen. Bereken eerst het voer voor de monsters uit de voorwereld. Acht personen deden al het werk en verzorgden de behoeften van 175.000 vogels, 3266 dieren, 1300 kruipers en ca. twee miljoen insekten en laat de infusoriën weer buiten berekening…
Nadat alles in orde was sloot Noach het venster, en sloot God de deur van buiten en begon het meteen te regenen. Het regende 40 dagen. Het water steeg ongeveer acht kilometer. Hoeveel regen viel er per dag? Genoeg om de aarde met 226 meter te bedekken. er zijn christenen die beweren dat alle bronnen uit de grote diepten opborrelden. Als ze nu maar zo beleefd waren te verklaren, wat zij met die grote diepten bedoelen! Anderen zijn van mening dat God grote massa’s water in het binnenste van de aarde bezat en die voor deze gelegenheid gebruikte. Maar hoe kon dat water nu naar boven stromen?
Lezers, sta mij toe u te zeggen dat men zulke zaken niet moet willen verklaren. Elke poging in die richting is nutteloos en uw verklaringen zijn moeilijker te geloven dan het wonder zelf. Volg mijn raad, staak de uitlegging en verklaar helemaal niets.
Tegenwoordig verheft de Dhawalagiri zijn sneeuwtop 8840 meter boven de zeespiegel en op de klippen van de Chimborassa zat toen een Condor net zoals nu. En de wateren stegen 226 meter per dag, negen meter per uur, 23 centimeter per minuut, ze stegen over de heuvels, over de vulkanen, vulden de uitgestrekte kraters, blusten alle vuren en stegen over de bergtoppen net zolang totdat de hele aarde in een oeverloze zee, waarin talloze wezens verdronken, herschapen was.
Wat dit het werk van een liefdevolle God, ons aller vader? Als er een God bestaat, zou men dan gevaar kunnen lopen zijn misnoegen op te wekken, zelfs als men op de eerbiedigste wijze aan de waarheid van zulk een wrede leugen ging twijfelen? Als wij ons God voorstellen barmhartiger dan Hij werkelijk is, is dat een reden om onze arme zielen dan te verbranden?
Hoeveel bomen zijn er, die gedurende een jaar onder water van mijlen hoogte, kunnen blijven doorgroeien? Wat werd er van de losgeweekte, overal verspreide aarde, bedekt met de overblijfselen van een vergane wereld?Hoe werden de zwakke planten bewaard? Hoe moesten de dieren na hun vertrek uit de ark verzorgd worden? Er was geen gras meer en ook geen prooi meer voor de wilde dieren. Wat gebeurde er met de vogels die zich met wormen en insekten voeden? Wat met de vogels die leven van het opeten van andere vogels?
Ik vestig de aandacht ook op de enorme druk van het water op het moment van de hoogste waterstand, negen kilometer. Dat is ongeveer 800 ton per vierkante voet. Onder zulk een druk stikt elk plantaardig leven. Ergo, er was geen enkel voedsel voor de dieren meer op aarde. Hoe moesten de dieren onderhouden worden totdat er weer gras groeide? En welke zorgen nam men voor de roofdieren? Waar haalden de bijen hun honing en de mieren hun zaden vandaan? Op de aarde was geen kruipend leven meer, onder de hemel geen levend wezen meer. Vanwaar ontvingen de reizigers van de ark hun voedsel?
Is de geschiedenis van de ark echt, dan is er maar één antwoord. Het opgeslagen voedsel in de ark moet voldoende zijn geweest voor zowel het jaar van de zondvloed als maanden daarna. Alhgemeen neemt men aan dat een dier gedurende een jaar 8 maal zijn gewicht aan voedsel nodig heeft. Noach stond voor de taak om zich voor een jaar van spijs en drank te voorzien, plus voor nog zes maanden voor de tijd nadat ze aan land kwamen. Hoe hebben 8 personen dit kunnen uitdelen, zelfs als de ark groot genoeg was om alles te bergen? We weten hoe het met de ventilatie gesteld was, maar wat werd met de uitwerpselen gedaan? Hoe werden de dieren van water voorzien? Hoe werden enkele gedeelten van de ark voor de tropische dieren verwarmd en andere gedeelten, voor de ijsbeer bijvoorbeeld, koel gehouden? Hoe gingen de dieren naar hun respectieve landen terug? Sommigen moesten 10.000 kilometer terugkruipen terwijl ze slechts een meter per dag vooruit komen. Er bestaan kruipende dieren die wel 1600 jaar nodig hadden om in de ark te komen. Slakken had 1000 jaar nodig. IJsberen moesten vele duizenden kilometers afleggen. En de verandering van het klimaarmoet voor hun gezondheid zeer nadelig zijn geweest. en hoe wisten ze de weg? Er waren maar twee beren nodig. Wie koos de beren uit?Boekdelen zou men kunnen vullen met de dolste onzinnigheden van deze ongeloofwaardige, boosaardige en dwaze fabel. Ik voor mij sta verbaasd hoe een verstandig mens dit verhaal slechts een ogenblik heeft kunnen geloven.
Dr. Adam Clarck zegt dat de dieren door Gods macht naar de ark geleid werden en dat hun bijzondere eigenaardigheden tijdelijk werden opgeheven, zodat de wolf in vrede met het lam kon huizen en de leeuw zich in vrede naast een veulen kon neerleggen. Bovendien bestaat geen positief bewijs dat dierlijk voedsel ooit vóór de zondvloed genuttigd werd. Noach kreeg daartoe niet eerder toestemming dan ná de zondvloed.
Dr. Scott merkt op: Er schijnt een buitengewoon wonder, waarschijnlijk door medewerking van engelen, met het brengen van twee dieren van elke soort naar de ark te hebben plaats gehad en ze onderdanig en vreedzaam met elkander te maken. Toch schijnt dit geen indruk op de verstokte toeschouwers te hebben gemaakt. De opheffing van de wildheid der verscheurende dieren, gedurende hun verblijf in de ark, wordt algemeen als een geschikt beeld beschouwd voor de verandering die er in de stemming van de zondaren plaats vindt, zodra zij de ware kerk van Christus binnentreden. Hij geloofde dus dat de zondvloed algemeen was. In zijn dagen had de wetenschap de onzinnigheid van dit geloof nog niet aangetoond en hij was niet verplicht tot een theorie die niet in de bijbel gevonden wordt zijn toevlucht te nemen. Hij hield vol dat het binnenste der aarde door een kolossale samenpersing gedwongen werd naar boven op te bruisen en in de gedaante van regen, als watervallen gedurende veertig dagen en nachten zonder ophouden weer naar beneden te stromen, zodat op elke plaats van de aarde een zondvloed plaats vond.
Blijkbaar stierf tijdens die zondvloed geen enkele diersoort uit, dankzij de voorzienigheid, hoewel ze wel een jaar in de ark waren opgesloten. Evenmin schijnt in die tijd vermeerdering te hebben plaats gehad.
De ark had een vlakke bodem, vierkant aan elke kant, en had een dak als van een huis, zodat het boven aan de nok met een breedte van een el eindigde. De ruimte was verdeeld onder vele hokken voor de verschillende dieren. Van binnen en van buiten was het met pek bestreken om het waterdicht te houden, en van boven werd het verlicht. op het eerste gezicht is het wel heel duidelijk dat dat zo’n groot schip, op deze manier gebouwd, en met zo’n kleine bemanning aan boord, voor dit noodweer geheel ongeschikt is. Maar blijkbaar nam de Almachtige de leiding en bescherming van het schip op zich.
Ds. Henry verrijkte de christenwereld met de hiervolgende passage: ”Evenals er in onze lichamen zich grillen bevinden, die, zo God het wil, de kiemen van dodelijke ziekten kunnen worden, zo had het binnenste van de aarde wateren die op Gods bevel opborrelden. God maakte de wereld in zes dagen, maar 40 dagen waren nodig om haar te verwoesten. Dat komt omdat God in zijn toorn langzaam is. De vijandelijkheden van de dieren hielden in de ark op, zodat zelfs de verscheurende dieren zacht en handelbaar werden. Een wolf lag naast het lan en de leeuw at stro evenals de os. God sloot de deur van de ark van buiten dicht, om Noach de verzekering te geven, dat Hij hem beveiligde, en tevens omdat het nodig was dat de deur waterdicht gesloten werd. Voorts moest het sluiten zeer vlug geschieden, zodat anderen de deur niet meer zouden kunnen openbreken. De wateren stegen totdat de toppen van alle bergen nog 15 el overtroomd werden, om geheel zeker te zijn dat niemand zou kunnen ontsnappen en niemand op de heuvels of bergen een schuilplaats zou kunnen vinden. Miisschien hebben wel enigen van deze ongelukkigen het bovenste gedeelte van de ark bereikt en gehoopt daar redding te vinden, maar zij vergingen of door de honger of ze werden door de slagregen er van af gespoeld. Misschien hebben anderen Noach als kennis aangesproken en gevraagd of ze ook toegelaten mochten worden tot de ark: ’Hebben wij niet met elkaar gegeten en gedronken en hebt u niet in onze straten gepreekt?’ ’Welzeker’, zal Noach gezegd hebben, ’ vaak genoeg, maar zonder enig resultaat’”.
Tot nu toe, zo vertelt de bijbel, mochten de mensen zich slechts met vegetatie voeden. Vruchten, allerlei kruid en wortels en allerlei groenten en melk wat het eerst als voedsel toegestaan, maar aangezien de zondvloed wellicht alle vruchten der aarde had weggespoeld werd deze vergunning door God uitgebreid en stond Hij hen voortaan toe ook vlees te eten, waaraan zij tot nu toe nooit hadden gedacht. Wel, misschien hielden ze vroeger gewoon niet van vlees.
Zulk een vernederende invloed heeft een geloof aan al te letterlijke bijbelse waarheid op uitleggers, dat hun verklaringen vol van dit soort bladzijden zijn, getuigend van gebrek aan gezond verstand. Dr. Clark heeft over de mammoet nog het volgende te zeggen: ”Dit dier was een verbazend bewijs van Gods macht; Hij schijnt het slechts te hebben voortgebracht om te tonen wat Hij wel niet kon. En nadat hij ze een tijdje had laten voortplanten, roeide Hij ze weer uit als een lieflijke voorzienigheid, opdat ze niet mens en dier zouden vernietigen. Men werpt soms tegen dat het voor een God wel veel gemakkelijker zou zijn om mens en alles te vernietigen en weer nieuwe te maken. Maar God wenste niets te verspillen en geen macht en kunde ten toon te spreiden, wanneer daartoe geen noodzakelijkheid bestond. ”
Door Gods macht werden alle dieren tot de ark geleid. Alweer, beste lezers, waarschuw ik u voor het gevaar een wonder te willen verklaren. Laat zulks achterwege. Beweer liever dat u het niet begrijpt en u wacht tot het in de scholen van het hemelse nieuwe Jeruzalem onderwezen wordt. Hoe meer u verzint, hoe onbegrijpelijker het wonder u zal toeschijnen. Door hetgeen u ter verdediging aanvoert, brengt u de mensheid tot nadenken en zodra zij echt gaan denken, wordt het wonder als onbestaanbaar verworpen.
Bij het domste volk zult u de meeste wonderen vinden, bij het verstandigste de minste. Met individuen gaat het op dezelfde manier: onwetendheid gelooft – verstand onderzoekt en verklaart.
Ongeveer zeven maanden dreef de ark met haar lading mensen en dieren en insekten, zonder roer of zeil op een grenzenloze zee. Tenslotte bleef zij op de berg Ararat zitten en ongeveer drie maanden later werden de toppen van de bergen weer zichtbaar. Men moet niet vergeten dat die berg ongeveer 5200 meter was.
Hoe werden de tropische dieren warm gehouden? Want op zo’n hoogte moet het verbazend koud geweest zijn. Tsja, het is natuurlijk mogelijk dat er kachels in de ark waren, maar daarover wordt ons niets verteld.
Noach wachtte nog 40 dagen alvorens voor het eerst het venster te openen en weer frisse lucht te scheppen. Hij liet eerst een raaf uitvliegen, die niet terugkwam. Vervolgens een duif die wel terugkeerde. Hij wachtte nog zeven dagen en liet wederom een duif vliegen. Die keerde niet terug, waaraan hij wist dat het water verdwenen was. Kon hij op geen andere mnaier zien dat het water weg was? Zou men een kinderachtiger manier kunnen bedenken om zich ervan te overtuigen dat de grond al of niet droog was?
Eindelijk ontsloot Noach de ark en zag dat de aarde weer droog was geworden en God gelaste hem zich te ontschepen. Uit dankbaarheid bouwde Noach een altaar en nam hij van al het reinevee en van al het rein gevogelte, en offerde brandoffers op dat altaar. En de Heer rook de lieflijke rook en zei in zijn hart dat hij voortaan de aardbodem niet meer zal vervloeken vanwege de mens, ”want alles wat de mens uitdenkt van zijn jeugd af aan is nu eenmaal slecht”. God verdelgde de mens vanwege dat de mensen op aarde slecht waren en omdat ”alles wat ze uitdachten steeds even slecht was”. En om dezelfde reden beloofde God hem niet weer te verdelgen. Welke theoloog zou ons dit kunnen verklaren?
Nadat God de lieflijke geur van de offerande geroken had, schijnt hij ook een andere gedachte omtrent een beter, passend voedsel voor de mens te hebben gekregen. Adam en Eva mochten zaaddragende kruiden en vruchten van bomen eten, en nadat ze uit het paradijs verdreven waren mochten ze ”het kruid des velds” eten. De wereldbewoners van voor de zondvloed waren blijkbaar vegetariërs. Maar nu zegt God: ”Al wat zich roert, alles wat leeft, zij u tot spijze. Ik heb het u gegeven, zoals ik het groene kruid gaf.” Maar weer wat later veranderde diezelfde God weer van mening, en verdeelde de dieren opeens in reine en onreine, en maakte het strafbaar indien de mens het vlees van onreine dieren at.

