I.13



Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra

I.13    Van de kuisheid

Nu we tot over de helft gekomen zijn krijgen we beter inzicht in de loop van het geheel van deel 1:

Het eerste hoofdstuk (I.1) beschrijft de weg naar het volwassen worden van de mens in een notendop. Men heeft ten eerste de leeuwengeest nodig. Oude metafysische leringen moeten omver geworpen worden (I.2, I.3, I.4). Daarvoor in de plaats moeten leringen komen die de aarde eer aan doen. Hiervoor moet men in de eerste plaats inzicht krijgen in de werking van de menselijke natuur en die leren bewust te besturen met het oog op hoogwaardig menszijn (I.5, I.6, I.7, I.8). In I.9 wordt Zarathoestra’s leer opgesomd als ”aan het leven geloven” en ook ”liefde voor het leven”. Het wordt in dit hoofdstuk sterk gecontrasteerd met alle leringen die hier tegenin gaan en waar de wereld door overspoeld wordt, die ”de prediking des doods” genoemd kunnen worden. De prediking des doods komt voort uit haat tegen het leven. Zij wordt gevoed door droefheid, krachteloosheid, berusting, zich van het leven willen losmaken, terwijl de leer van Zarathoestra juist het tegengestelde leert: aktief aan het werk gaan, alles van jezelf vergen, het leven steeds willen overwinnen, hoge en verre doelen te stellen, op ieder moment een beroep doen op menselijke kracht en strijdvaardigheid (I.10).
Om individueel vruchten te dragen dient een mens zelfgenoegzaam (autonoom) te worden, een automatisch gevolg van de dood van God. Om dit te bereiken moet een mens zich onttrekken aan krachten die volledig beslag op hem dreigen te leggen. Krachten van buitenaf, collectieve krachten (I.11, I.12), en in dit hoofdstuk en het volgende interne krachten (I.13, I,14). Tenslotte dient de leeuw uit te groeien tot kind, dwz. dient men in te zien dat vrijheid op zich niet het belangrijkste is, maar het antwoord op de vraag: vrijheid waartoe? De mens is nu in staat scheppend in het leven te staan om de Bovenmens gestalte te geven (I.15, I.16 en I.17). Hoofdstuk I.17 is het hoogtepunt van het gehele boek. De volgende vier hoofdstukken zijn nog slechts enkele kanttekeningen, om bepaalde zaken nog wat nader duidelijk te maken.
Hoofdstuk I.18 behandelt de vrouw (blijkbaar als verontschuldiging wat betreft alle vorige hoofdstukken die in de eerste plaats de man aanspreken). En I.19 laat het eindresultaat zien van Zarathoestra’s leer: de volwassen mens die immuun is voor de beet van de adder. Hoofdstuk I.20 en I.21 schenken nog bijzondere aandacht aan twee cruciale zaken in het leven: het huwelijk en het sterven.
Het afsluitende hoofdstuk I.22 somt het geheel nog eens op: ontaarding van de mens ontstaat wanneer de schenkende deugd ontbreekt. En de definitie van deugd is: alles wat verheft, opwaarts streeft. Het hoogste menszijn is een verheven en opgestaan lichaam te ervaren in dit leven. Dit heeft namelijk een gelukzaligheid van geest tot gevolg. En verrukking van geest staat gelijk aan het ’scheppen en bepalen van waarden en het liefhebber en weldoener zijn van alle dingen’.

Het is nu interessant onze gedachten te laten gaan over de persoon die Nietzsche als ideaal voor ogen heeft staan. Het is een autonome mens die de vereenzelviging is van wat vroeger God heette, of anders gezegd, de mondige mens die opgemerkt heeft wat Feuerbach als eerste onder woorden bracht: de mens geeft aan alles wat hij als de ideale menselijke verschijning ziet de naam God; theologie is antropologie. Zo is ooit Jezus in de christelijke leer uitgeroepen tot God. Nietzsche neemt dit patroon een stap verder: hij roept eenieder van ons op eenzelfde soort mens te worden als Jezus: als iemand die uitgegroeid is tot een autoriteit voor zichzelf. Hij staat in de overgeleverde verhalen boven alle (religieuze) conventies en zogenaamde goddelijke wetten en schept eenvoudig zijn eigen wetten. En dit doet hij niet uit arrogantie of egoïsme, maar vanuit Bovenmens idealen. De kern van dit denken en handelen is de vereenzelviging met God. Jezus spreekt zich uit als zijnde één met God terwijl zijn leven tezelfdertijd het dienen van God is. Op dezelfde manier is Zarathoestra een wet voor zichzelf, terwijl hij tezelfdertijd zijn leven in dienst stelt van de aarde en de Bovenmens.

Op vele manieren zien we gemakkelijk parallellen tussen Zarathoestra en Jezus. Ze verschillen natuurlijk op meerdere fundamentele punten. Voor Jezus is de metafysische wereld de eigenlijke wereld, en het ’eeuwige leven’ het eigenlijke leven. Beide zaken kunnen met vele details ingekleurd worden. God is voor Jezus bijvoorbeeld een persoon die we kunnen leren kennen, met wie men kan praten, die luistert, zorgt voor mensen. Voor Zarathoestra is deze God doodgegaan. Zarathoestra ontmaskert traditioneel metafysisch denken niet alleen als vals en waan, maar ook als een wereldbeeld dat schadelijke gevolgen heeft voor het aardse leven. De ’prediking van het eeuwige leven’ klinkt mooi, maar betekent een prediking des doods voor dít leven. Zarathoestra spreekt niet meer over God, maar houdt toch vast aan ’het goddelijke’ en ’het heilige’. God wordt een woord voor het geheel van het bestaan dat respect afdwingt en waarvan ieder mens een onderdeel is en dat gediend kan worden door gehoor te geven aan de eeuwige drang naar perfectie. Andere verschillen kunnen aangewezen worden die iemand die christelijk is opgegroeid wellicht als moeilijk te verteren voorkomen, zoals gelijkheid van alle mensen versus hiërarchie op basis van karakter, medelijden versus hardheid, universele deugd versus inidividuele deugd. Maar deze omkering van waarden kan ook stimulerend en verfrissend ervaren worden.

Zarathoestra heeft (in deel 1) als toonaangevende gedachte een opwaardering voor dit leven. Maar dit betekent niet dat alles in het bestaan heilig en goed is. Het is interessant te overdenken dat Nietzsche geen begrip ’zonde’ kent in de religieuze betekenis van het in de schuld staan tegenover een boven ons staande God, maar onuitgesproken toch dit patroon voortzet. Breder opgevat is zonde iets wat er eigenlijk niet mag zijn, en dus onmogelijk in overeenstemming te brengen is met het bestaan waaraan we het predicaat ’goddelijk’ verlenen. Nietzsche hanteert doorheen zijn Zarathoestraboeken een morele rangorde – deugd versus ondeugd, edel versus laag, gezond versus ziek – die functioneel identiek werkt aan het religieuze zonde-begrip: er zijn dingen die je ”niet mag” zijn (gespuis, tarantula, laatste mens) en dingen die je ”moet” nastreven (Bovenmens, edele). Het woord ”zonde” wordt vermeden, maar de onderliggende structuur (een morele meetlat waarmee mensen als tekortschietend worden beoordeeld) blijft intact. Op dezelfde manier als ik eerder in I.3 opmerkte dat Nietzsche het woord ”religie” vermijdt, terwijl hij inhoudelijk wel degelijk religieus opereert, zien we dat dit patroon zich hier herhaalt met ”zonde.”

Merk in dit verband ook op dat men in zijn leer nergens het ’geniet er maar van’ kan lezen. Genieten, hedonisme, epicurisme, is net zo ver van zijn bed verwijderd als de metafysische schijnwereld waar hij zich zo tegen verzet. Zarathoestra is slechts eenduidig gericht op het grote, verre doel: de Bovenmens, dwz. het stimuleren van de geestelijke ontwikkeling van de mens. Letterlijk alles moet daarvoor in dienst staan. Genieten is in zoverre normaal dat het een natuurlijke behoefte is en niets met zonde te maken heeft. Maar men raadt het al: door niets raakt de mens zo zijn eigen roer kwijt dan zijn ziel te verkopen aan de sexualiteit. Zarathoestra ziet liever kuisheid.

Maar wie kuisheid zwaar valt, hem is ze te ontraden: opdat ze niet de weg ter helle wordt – dat is: naar droesem en hitsigheid der ziel.

Het is warempel net alsof Paulus hem hier de woorden influistert!
Nietzsche was natuurlijk een kind van de Victoriaanse tijd en wat huwelijk, seksualiteit en omgaan met vrouwen betreft zal ik deze tijd, en hem als epigoon ervan, niet gauw tot expert uitroepen. Maar hij geeft ons beterweters het volgende om te overdenken: hij schrijft dat hij het liefst seksualiteit ziet die volmaakt is als de dieren, dwz. seksualiteit waartoe onschuld behoort. Niet het doden van de zinnen, maar de onschuld der zinnen! Hier komt hij weer verrassend modern op ons over.

Ik vraag me af of Nietzsches afwijzing van hitsigheid op gespannen voet staat met wat men in I.5 kon lezen, waar juist het ”onderste uit de kan halen” van de hartstochten werd gepredikt, zonder enige ingebouwde ascetische rem. Als passie het ”ware zelf” is dat men niet moet onderdrukken (I.5), waarom is seksueel genot dan de uitzondering die wél getemperd moet worden? De tekst biedt hier geen brug tussen deze twee schijnbaar tegengestelde posities – vrije doorleefde hartstocht enerzijds, kuisheid als voorkeur anderzijds.