4


Existentiële nood

Het boek De God die is begint de eigenlijke apologie van het christendom met enkele getuigenissen. Volgens Richard Swinburne, – de godsdienstfilosoof die een uitspraak deed waard om boven dit hoofdstuk geplaatst te worden – is ”de beste hoop voor de atheïst om het theïsme te verslaan de poging de onjuistheid van het theïsme aan te tonen op grond van bewijzen van de ervaring”.

De kwestie van theïsme of atheïsme is niet een kwestie van rationele argumenten alléén, maar een diep existentiële zaak.

…laat Ouweneel er op volgen. Dat geef ik toe. Wat een mens religieus gelooft is mijns inziens zelfs enkel en alleen een existentiële zaak, oftewel geboren uit geestelijke nood en psychische behoeften. Ik zal aandachtig luisteren naar de verhalen over mensen die Ouweneel ’erg boeiend’ vindt.

Het eerste verhaal geeft me het gevoel dat ik in een zomerse evangelisatietent zit waar een evangelist een smeuiïge anecdote vertelt voor ongeschoolde mensen, die op het eind vrolijk lachen en instemmen met op z’n amerikaans ’Amen!!’, ’Thank you Jesus!!’ en ’Halleluja!!!’ te roepen. De vermaarde evangelist Ironside stond in de 20-er jaren van de vorige eeuw in San Francisco ’een getuigenis’ te geven op straat. ’Getuigenis’ van christenen betekent in zulke kringen een verhaal waarin je moet uitleggen dat het ooit allemaal vreselijk en puinhoop was in je leven, maar sinds je bekeerd bent en ’God hebt leren kennen’ het allemaal schitterend op orde is gekomen en alles op rolletjes loopt. Ik houd niet van getuigenissen, vroeger als christen niet en nu nog steeds niet. Want het leven zo banaal in twee kleuren te schilderen zoals het in getuigenissen altijd gedaan wordt is het leven grof geweld aandoen. Gelukkig hoef ik in m’n leven nooit meer naar evangelisatiecircustenten en massabijeenkomsten.
Ironside wordt na afloop door een socialistische agnost uitgedaagd tot een debat. Zijn in publiek uitgesproken reaktie is:

’Ik zal graag met deze heer een debat aangaan, maar alleen op de volgende voorwaarden: om aan te geven dat hij een opvatting heeft die de moeite waard is om over te discussiëren, moet hij beloven op de avond van het debat twee mensen mee te nemen, van wie ik direct een nadere omschrijving geef, als bewijs dat het agnosticisme werkelijk mensenlevens veranderen kan en een kracht is bij de karaktervorming.’

Wat een snoever, pocher, onuitstaanbare vent, die Ironside!, is mijn reaktie. Ik zie me God in de hemel zich over het geval Ironside buigen en zijn hoofd schudden: alweer één die zich met behulp van God opblaast totdat hij de omvang van een luchtballon heeft. Ironside is slechts vol van zijn eigen gedachten en geweldigheid en vervolgt:

’In de tweede plaats wil ik mijn opponent vragen één vrouw mee te brengen die vroeger een arme, mislukte verschoppeling was, zonder karakter, beheerst door hartstochten, het slachtoffer van het verdorven leven van de mens, volstrekt aan zichzelf overgelaten, geruïneerd en ellendig vanwege haar leven in zonde. Ook die vrouw moet de zaal waar u luidkeels het agnosticisme verkondigt en de boodschap van de Heilige Schrift belachelijk maakt, binnengaan en kunnen zeggen dat ze via agnosticisme bevrijd is van de slavernij aan de zonde.’

Hoe naïef! Wat hééft agnosticisme te maken met levenskracht ergens uit putten? Agnosticisme houdt zich slechts bezig met een waarheidsvraag. Of uit de waarheid stumpers of zaligheid voortspruit doet uiteraard helemaal niet ter zake! De waarheid maalt niet om of een vrouw ’in zonde leeft’, zelfs niet of een mens als gevolg ervan zelfmoord doet. De situatie die hier beschreven wordt is gelijk aan wanneer een westerse agnost op dit moment naar Turkmenistan zou gaan en daar opmerkt dat er een nieuw Heilig Boek is geschreven, de Ruchnama, geschreven door de bijna goddelijke onlangs overleden president Niazov. Iedereen moet het lezen daar, zelfs de wiskundelessen op school gaan de Ruchnama niet voorbij. De Ironsides van het land kunnen erop wijzen dat het boek het hart en de ziel van vijf miljoen mensen tot het diepst heeft geraakt, de voorspoed van het gehele land erop gebouwd is, aan ontelbaren levenskracht en leiding gegeven heeft. En dan komt een westerling – die misschien net gescheiden is, misschien wel een zedeloos leven leidt, misschien geruïneerd is en in ellende leeft, zelfs zijn haar niet kamt en zijn tanden niet poetst, – wel even vertellen dat de goddelijke Ruchnama maar het product van een megalomaan is? Het product van een man die als kind wees werd en misschien daarom een ongezonde, onstilbare hunkering heeft naar acceptatie? Dat er grove fouten in staan, de geschiedenis van het land in het boek verdraaid wordt? Dat er betere boeken bestaan? Ja! Waarom niet? Wat heeft de waarheid over een boek te maken met hoe iemands leven eruit ziet en of hij een ’mislukte verschoppeling’ is? Overigens zou de ’socialistische agnost’ als hij maar tijd van leven had gehad miljoenen westerse vrouwen hebben kunnen meenemen die duizenden jaren lang door de boekgodsdiensten geknecht, monddood en vernederd waren en eindelijk via mensen zoals hij hun gelijke waarde en rechten kregen. Wat betreft de twee eerste ex-cristenen die nu als godloochenaars de zaal ingesleept zouden kunnen worden en het bewijs (da’s nog eens wat anders dan een ’getuigenis’) zouden kunnen leveren van een alles overtreffende levenskracht, mensen die sinds ze agnosten werden in absolute eenzaamheid, in totale miezerigheid en als ’mislukte verschoppelingen’ een ’geruïneerd en ellendig’ leven leidden, maar op eigen innerlijke kracht geheel in hun eentje de hele wereld veranderden, geef ik Ironside Friedrich Nietzsche, zoals men hem tegenkomt in Also sprach Zarathustra, of in de aanhef van het gelijknamige orkeststuk van Richard Strauss, als men wat vlugger een goed idee wil krijgen van dit getuigenis, en Vincent van Gogh, zoals men hem eindeloos kan bewonderen in zijn schilderijen. Beiden hadden de aarde intens lief nadat hun God volledig door de mand was gevallen. Beiden zijn daarom onsterfelijk en toren huizenhoog uit boven alle christelijke wonderdoeners en prekers. Zij gaven niet om zichzelf, om zelfbehoud! In plaats van te jammeren en te smeken en tegen anderen over hun god op te scheppen hadden ze wel iets beters te doen: hun werk moest af, hun eigen ’bijbel’ moest geschapen worden! Maar het verhaal van Ouweneel eindigt natuurlijk met dat de agnost beduust afdruipt, terwijl Ironside snoeft wel 100 getuigen naar de zaal te kunnen optrommelen, onder begeleiding van Voorwaarts, Christenstrijders, die allemaal levenskracht hebben gekregen van Godsgeloof en blijkbaar in prachtexemplaren van de maatschappij zijn veranderd.

Ouweneel geeft na dit verhaal, dat klinkt als een klok zonder klepel, toe dat het zeer wel mogelijk is dat atheïsme ook voldoening geeft. Men kan atheïsme heel goed aan allemaal idealen vastknopen: socialistische, liberalistische, republikeinse, democratische, conservatieve of progressieve.

Toch mag ook aan die gelukkige en voldane atheïsten, vooral aan de ’harden’ onder hen, de ’cynici’, gevraagd worden of zij kunnen leven met hun opvatting (om nog maar te zwijgen over de vraag of zij er ook mee kunnen sterven).

Hoe zou een ’gelukkige en voldane atheïst’ met deze vraag kunnen zitten? In deze vraag is weer enkel de existentiële benauwdheid van de christen aan het woord! Indien Ouweneel mij deze vraag zo direkt zou stellen zou ik die als volgt beantwoorden: ik kan, meneer Ouweneel me zelfs niet eens voorstellen dat dit een vraag zou zijn waar ik mee zou zitten. Sterven is om te beginnen voor mij veel gemakkelijker dan te leven, en leven doe ik pas nu ik geheel mijzelf mag zijn en mij niet meer hoef te kwellen met metafysische beschouwingen maar enkel de aarde hoef lief te hebben. Het is een verschil zo groot als in je leven een reis maken van de Aardappeleters naar de zonovergoten schilderijen uit Arles. Uw vraag is enkel komisch: de vraag of je zonder God kan leven kan slechts gesteld worden door iemand die nooit heeft geleerd het leven lief te hebben, maar negativiteit aan de basis van zijn denken heeft staan, en de vraag of je er mee kan sterven kan alleen gesteld worden door iemand die geregeerd wordt door de angst voor God.

De volgende uitdaging wordt ons voor de voeten geworpen:

Wat is het antwoord van atheïsten op het feit dat elke dag tienduizenden malen bevestigd wordt, dat mensen, als zij zich openstellen voor het evangelie van Christus, verlost kunnen worden van verslavingen en ziekten, van misère en lijden, van de vreselijkste psychische kwalen, ja, dat zelfs doden worden opgewekt?

Wel, precies hetzelfde antwoord als u geeft wanneer ik u vraag: ”Wat is het antwoord van christenen op het feit dat elke dag tienduizenden malen bevestigd wordt, dat als een mens zichzelf aanpakt, hij/zij verlost kan worden van verslavingen en ziekten, van misère en lijden, van vreselijke psychische kwalen.” (Dat van doden die opgewekt worden laat ik maar achterwege. Ik ben niet bereid van mezelf een nar te maken, net zoals ik niet bereid ben mezelf zo vies te maken door de Jezusfilm van Mel Gibson ooit te bekijken. Er zijn grenzen van smaak die men nooit moet overschrijden.) Het is voor een ieder die om zich heen kijkt een uitgemaakte zaak dat men zich op talloze manieren en met talloze mooie gedachten en ideologieën en therapieën een gelukkiger mens kan maken. Ik antwoord ook dit: als iemand die tientallen jaren in de christelijke wereld heeft rondgelopen stel ik u nu een tegenvraag: ”Wat is het antwoord van een christen op het feit dat elke dag tienduizenden malen bevestigd wordt, dat oprechte gelovigen, die zich hebben opengesteld voor het evangelie van Christus, net zo onverlost rond kunnen lopen, aan verslavingen en ziekten lijden, misère en alle soort van lijden ondergaan, van de vreselijkste psychische kwalen maar nooit bevrijd worden, net zoveel echtscheiden als ongelovigen, en dat ze nooit in hun leven ook maar het kleinste wonder ervaren?”


Onbegrijpelijk dat Ouweneel met deze conclusie komt:

Je kunt rustig stellen dat te midden van alle zogenaamde ’Godsbewijzen’ die de westerse wereld heeft opgeleverd, bekerings-, genezings- en opwekkingsverhalen verreweg tot de meest effectieve argumenten voor het bestaan van God behoren.

Naar mijn mening kan alleen iemand zoiets ’rustig’ stellen die de zaak niet grondig heeft overdacht. Effectief kan het zijn uiteraard. Mensen trappen in allerlei domme reclame. Ik zag net een advertentie om een soort verbandje om je voet te doen ’s avonds, dan lekker te gaan slapen, om de volgende morgen gewicht kwijt te zijn. Zeer effectief zoiets aan de man te brengen: wie zou niet al slapend willen afvallen? Genoeg die daarin trappen! Een bekeringsverhaal heeft geen enkele waarde als argument of bewijs voor God. Over genezingsverhalen zou ik het volgende willen zeggen: slechts één enkele eenvoudige menselijke uitvinding, bijvoorbeeld regelmatig je handen wassen, heeft meer mensen het leven gered dan alle Godswonderen uit alle tijden tesamen. Geheel overgeleverd aan de God die zo geweldig met wonderen kan genezen zou een ramp betekenen voor de wereld. Binnen de kortste keren zou de mensheid gedecimeerd zijn en de gemiddelde levensverwachting weer gereduceerd tot dertig of veertig. En de opwekkingsverhalen van doden brengen ons terug naar de middeleeuwen. Dat is wel het allerlaatste waar ik naar zou verlangen in het leven. Overal angstig om je heen kijken, overal geesten en onbegrijpelijke grillige machten. Wanneer mijn dochter zou overlijden en ik moet bij het aanhoren van zo’n nieuws ook nog gedachten onderhouden dat God haar mogelijkerwijs weer zal opwekken, haal ik de allerlaatste waardigheid nog uit mijn leven. Nooit zal ik me daartoe verlagen. Waarom kunnen Godgelovers niet eenvoudig stil vertrouwen op hun geweldige ’levende God en Vader’, maar moeten ze Hem de hele tijd om het hoofd zeuren met gebeden om beterschap en zelfs om opgewekt te kunnen worden?

Om mij toch nog op andere gedachten te brengen heeft Ouweneel nog een Appendix III, waar één van zijn favoriete voorbeelden van een genezingswonder beschreven staat. Hij raadt aan het pas geheel op het eind te lezen, maar ik kan het echt niet laten om dit meteen te doen. Ik krijg een lang verhaal te horen over twee christenen, moeder en zoon, die hopeloos ziek zijn, de zoon al zeven jaar, de moeder zelfs tientallen jaren, en zo ziek dat ze zich al voorbereidt op de dood. Je vraagt je af wat dat voor God is die zijn kinderen zo lang en zo diep laat lijden als Hij even later met een knip van zijn vingers alles weer in orde kan maken. Wie wil wat te maken hebben met zo’n sadist? Moeder en zoon horen van een wonderevangelist, en vragen zich af of het niet uit de Duivel is. Ook dat nog! Wonderen zien is niet genoeg, de Duivel kan het ook doen! Waarom dan nog verder praten over deze wonderen? Indien men nauwelijks het verschil kan opmerken wat een Duivel en een God doet, kunnen we net zo goed over het hele onderwerp ’wonderen’ ophouden. Ouweneel mag zich wat mij betreft altijd feliciteren feilloos het onderscheid te kunnen maken tussen duivels en goddelijk, ik feliciteer me dat ik als atheïst op de koop toe ook meteen van het waandenkbeeld van de Duivel ben verlost. Wat een zalige rust in mijn leven!

De prediker hield ze voor dat mensen niet voor hem moesten komen, zelfs niet voor het wonder op zich, maar voor Jezus, de enige Redder, de enige Genezer.

Waarom dan konden moeder en zoon niet gewoon thuis blijven? Waarom moet er toch altijd zo’n middelaar bij te pas komen, zo’n heilige Jan, zo’n ’begenadigde’ die met hemelse autoriteit en doordringende blik zegt ”Er is hier iemand met een zeer ernstige darmziekte; kom direct naar voren!” en daarna de brave God even aan het werk zet door zijn hand op te leggen en te zeggen ”Gods kracht is op je!”? In de verhalen van christenen lopen God en Jezus overigens zonder dat ze er zelf erg in hebben elkaar altijd lastig voor de voeten. Let hier eens op in het volgende fragment:

’Carly’, vroeg hij, ’als God bij die jongen zenuwcellen kon maken, kan Hij dat dan ook bij jou?’ ’Jazeker’, antwoordde ze…’Ik leg je de handen op, opdat je bloed en je benen en alles wat ziek is in je lichaam, gezond wordt in Jezus’ naam! Gods kracht is op je, Carly!’ Carly: ’Toen gebeurde er iets onbeschrijfelijks. Er golfde een weldadige genezende kracht door mijn hele lichaam heen. De golven van Gods kracht bleven maar doorgaan. Evangelist: ”Je kunt nu lopen, loop in Jezus’ naam!’ Ik liep het gangpad heen en weer. Ik had geen pijn meer! Ik kon weer normaal lopen! ’Dank U, Jezus’, zei ik.

Was hier dus God of Jezus aan het werk? Of allebei? God genas en Jezus moet je ervoor bedanken? Nee, want Jezus was net tevoren uitgeroepen als de enige die kon genezen en redden. God genas, maar slechts als je ’in Jezus’ naam’ erachteraan zegt? Maar veel belangrijker dan dit vraagteken: waarom genas God of Jezus niet in al die jaren dat moeder ziek was geweest en nooit om een wonder vroeg? Uiteraard hebben christenen hier geen antwoord op.

Frans en Carly zijn maar doodgewone mensen die geloven dat God in hun gezin grote dingen heeft gedaan. Niet iedere christen maakt zulke spectaculaire genezingen mee, maar christenen zijn wel mensen die Gods ’hand’ in hun leven kennen, vaak op wonderbaarlijke wijze. Voor hen is God een alledaagse, praktische realiteit.

Nee, dat was Hij niet voor Carly die al tientallen jaren ziek was. Ze was wel een christen maar had er volstrekt geen praktische baat bij. God is zo grillig als ooit Zeus was. Voor een wonder moet je dus geloven, maar je mag niet om een wonder ’op zich’ vragen, je hebt er een wondergenezer bij nodig, maar mag niet geloven dat hij een wondergenezer is, God is een alledaagse, praktische wonderwerker, maar niet alle christenen merken er iets van. God geneest, maar het moet in Jezus’ naam gebeuren en Jezus moet je ervoor bedanken. Het is met al deze redeneringen alsof ik in een gigantische draaimolen zit en steeds duizeliger word.

Het volgende verhaal waarop we getracteerd worden is het verhaal van een intellectueel. Eta Linnemann, een theologe in de vrijzinnige school van Bultmann, die dus nooit iets van bevrijdings-, genezings- en opwekkingsverhalen moest hebben. Ze schreef wat academische boeken, maar op middelbare leeftijd

raakte ze verslaafd aan televisie en alcohol. Deze crisis ging gepaard met een existentiële crisis: ze zag de waarde niet van al die theologische bespiegelingen waaraan ze haar leven had gegeven.

Het lijkt me een zeer geloofwaardige gang van zaken, want ik begreep deze waarheid al toen ik nog een tiener was. Linnemann kwam vervolgens in aanraking met christenen die in wonderbare genezingswonderen geloofden, zelfs in opwekking van doden. Ze onderzocht de wonderverhalen ”zo wetenschappelijk als ze maar kon, vooral of er inderdaad dodenopwekkingen plaatsvinden.” Ze wikte en ze woog en na een tijdje ”vertrouwde ze zich in geloof toe aan de levende God”. Linnemann:

’Ik werd mij ervan bewust wat een dwaasheid het is, gezien wat God vandaag aan het doen is, te beweren dat de wonderen die in het Nieuwe Testament verhaald worden, nooit hebben plaatsgevonden’.

Ik lees dit verhaal met interesse, omdat ik toevallig nog steeds in het bezit ben van een verslag dat Aldert Schipper in het dagblad Trouw schreef in april 1986 toen Linnemann een toer door Nederland maakte en de week besloot met een dag voor predikanten in Nijkerk. Mooie illustratie van wat voor de vrome persoon die ik toen was belangrijk nieuws was! Ik vond het artikel in het 1064 bladzijden omvattende boek dat mijn leermeester Donald Guthrie in het laatste jaar dat ik in Londen studeerde publiceerde, New Testament Theology, een boek zo prachtig en imposant dat ik het af en toe uit de boekenkast neem en aai.

april 1986

De uitspraken die Linnemann in dat artikel doet zijn om van te smullen, zowel voor een theoloog als een atheïst die ze leest!

Een beetje gelovige bakker of smid kan ook preken

is de kop van het artikel. Toen Linnemann een naïeve fundamentalist werd liet ze haar studenten weten dat

ze voor het vervolg Jezus Christus als haar Heer en heiland had aanvaard en dat de studenten al haar geleerde colleges het beste maar als ’drek’ konden beschouwen.

Hier een bijzonder scherp inzicht van haar:

’Moderne theologie is een gezellig soort kinderspel, als zij zich bijvoorbeeld afvraagt welk evangelie uit welk ander evangelie is ontstaan. De vragen die zij beantwoordt zijn geen echte vragen wanneer men zich overgeeft aan de diep-bijbelse gedachte dat de evangeliën ooggetuigeverslagen zijn’.

De evangeliën ooggetuigeverslagen? Zou Ouweneel een naïever persoon hebben kunnen uitkiezen om indruk te maken met een getuigenis? Zie hier met wat voor persoon we hier te maken hebben:

In 1977, toen de twijfel prof. Linnemann naar de keel greep, was zij aanwezig bij een bijeenkomst van de ’volle-evangelie-zakenlieden’, een Amerikaanse sekte. Na aandringen van de voorzitter van de vergadering, een Duitse zakenman, die als evangelist per caravan het land rondtrok, ”boog ik mijn knieën”. En als een vrouwelijke Saulus maakte zij zich na enige tijd los van de Lutherse kerk om lid te worden van de Vrije Gemeente. ”Ik kon niet langer mede-verantwoordelijk zijn voor de zonden die door de Landeskirche werden goedgepraat, zoals de aanvaarding van homoseksuele dominees en samenwonende lesbische vikarissen. Ik was de preken over ontwikkelingssamenwerking zat, want dat wist ik zo langzamerhand wel uit m’n hoofd. Ik wilde nu eens grondiger preken horen.” Hoe grondig ze nu is blijkt wel hieruit: ”De Duitse godgeleerde noemt, nu ze toch in Nederland is, de naam van Spinoza. Hij beweerde dat Mozes de Pentateuch niet had geschreven, nota bene omdat diens dood erin beschreven staat. Wat een onzin, die is later onder inspiratie toegevoegd, maar Mozes blijft de auteur van de vijf boeken van Mozes”.

Alsoof ook maar één bijbelgeleerde de ontkenning van het mozaïsche auteurschap van dit argument laat afhangen en alsof er na Spinoza, die de eerste was die zich met het auteurschap van de Pentateuch bezighield, niet een hele lawine aan onderzoeksresultaten is ontstaan die verpletterend laat zien dat Mozes onmogelijk de auteur van de Pentateuch geweest kan zijn. (Voor de geïnteresseerde: lees Richard Friedman)

Ik heb bij dit verhaal nog deze kanttekening: iemand die oorspronkelijk zowel theologe kan zijn als vrijzinnig gelovige, en dus zo met de bijbel kan spelen dat er niets van waar is en tóch in God blijft geloven, of anders uitgedrukt, iemand die in staat is de bijbel niet serieus te nemen en niet in de God die de bijbel predikt gelooft, en toch tezelfdertijd het gehele leven in dienst van bijbelstudie stelt en zegt wél in God en in de unieke waarde van de bijbel te geloven, is voor mij een sterk genoeg bewijs om te concluderen dat we hier met iemand te maken hebben die in staat is tot welke absurditeit dan ook in zijn/haar denken. Hoe bijbels geloof en vrijzinnig geloof aan elkaar gelijmd kan worden begrijpt mijns inziens enkel iemand die nog nooit iets van helder denken heeft begrepen. Ouweneel is dit overigens met me eens want hij heeft er wel een halve bladzijde voor nodig om uit te leggen dat Linnemann wel in God geloofde maar de facto een atheïste was. Dat Linnemann dus uiteindelijk inziet dat ze als gelovige een andere houding moet hebben getuigt van een doorbraak van helder denken. Dat ze daarmee de resultaten van eeuwenlange wetenschappelijk bijbelonderzoek als ’drek’ beschouwt getuigt echter weer van dezelfde idiotie als waaraan ze eerder al leed.

Ouweneel concludeert:

Hier was een hoogintelligente vrouw die boog voor de niet te loochenen feiten.

Wat zijn dan die ’feiten’? In het vorige hoofdstuk heb ik al gelezen hoe Ouweneel met statistische feiten omgaat. Wat is gemakkelijker dan in te zien dat er door Linnemann helemaal geen feiten gegeven worden? Gisteren bekeek ik toevallig een film Shipping News (gebaseerd op een roman), waarin ook iemand opstond uit de dood. Hij lag al opgebaard in zijn kist en mensen namen afscheid van hem. Het gebeurde spontaan zonder dat het idee ’God’ zelfs maar in de hele film voorkwam. Ik kan me goed voorstellen dat dit soort ’feiten’ ook wel hier en daar voorhanden zijn in de wereld. Indien ik getuige zou zijn van een wonder (iets waar ik in al die jaren dat ik christen was voor open heb gestaan maar nooit ervaren heb) dan zou ik enkel concluderen dat er onverklaarbare zaken zijn in het leven. Ik snap niet hoe iemand meteen tot een conclusie komt dat het iets met God te maken heeft. En zelfs al heeft het. Hoe zou men dat opeens moeten verbinden met een heilig boek en een religieus geloofssysteem? Omdat mensen de naam van Jezus erbij gebruikt hebben? Wel, als men naar de Indiase verhalen gaat luisteren zullen we vast wel andere namen horen. Zelfs indien God zich in persoon aan mij zou openbaren en zeggen: ”Ik heb je religieuze worstelingen nu tientallen jaren aangezien; ik heb mijn hart verzacht: Ik geef je nu de uitzonderlijke genade die aan een zeldzame uitverkorene verleend wordt te zien en zeker te weten dat Ik besta”, dan zou ik Hem antwoorden: ”Leuk van U, maar ik heb me nooit een atheïst genoemd omdat ik niet geloof dat U zou bestaan. Het is mij eerlijk gezegd geheel om het even of U bestaat. Ik ben een antitheïst, ik houd niet van uw karakter en uw manier van optreden in de bijbel, en uitverkiezen van ’begenadigden’ vind ik afstotelijk. U bent in uw grilligheid en klungelig optreden nauwelijks van een kabouter of goochelaar te onderscheiden. Ik heb geen behoefte aan een religieus geloof in U. Ik bewonder bijvoorbeeld Alexander Fleming en een paar andere wetenschapsmensen die de penicilline ontdekten en tot medicijn ontwikkelden en daarmee voor altijd miljoenen mensen genazen van ziekten en redden van de dood, veel meer dan uw her en der verspreide zeldzame wondertjes.

Weer merkt Ouweneel op dat hij zijn verhaaltjes niet gaf om te bewijzen dat God bestaat, maar om één punt duidelijk te maken:

De vragen waar wij voor staan, zijn slechts ten dele van wetenschappelijke of wijsgerige aard. Ten diepste gaat het om existentiële vragen.

En nog steeds ben ik het roerend met hem eens: juist dáárom kan Linnemann zo volslagen onredelijk zijn. En juist daarom wijs ik Ouweneels God af. Een God die presideert over een gigantisch sanatorium en af en toe een geestelijk of lichamelijk wrak wat opkrikt is voor mij geen reden om veel respect voor te hebben of enthousiast een boek over te gaan schrijven, maar ik zal de eerste zijn die begrijpt waarom mensen willen geloven. Zoals Nietzsche al schreef: een mens wil zichzelf ontzien en leeft graag in erbarmelijk welbehagen.

Ik heb er bijzonder veel moeite mee dat ik hier gedwongen word commentaar te leveren op verhalen over bij naam genoemde individuele mensen. Ik schaam mij ervoor zoiets te doen. Ik heb uiteraard begrip en respect voor de honderd mensen van Ironside die uit ’ellende’ zijn gehaald, en wil een ervaring dat iemand genezen wordt of van alcoholverslaving en depressie en televisiekijken verlost wordt op geen enkele manier belachelijk maken. Ik ben slechts met één gedachte bezig: heeft het iets met ”de God die is” te maken. Ik ben sterk van mening dat Ouweneel deze claim in de verste verten niet waarmaakt, maar deze God ver te zoeken is. De voorbeelden maken overduidelijk dat geloof enkel en alleen iets te maken heeft met het innerlijk ziekzijn van de mens.