
‘U kunt mij een afvallige noemen, een atheïst, noemt u mij hoe u wilt, maar ik ben van plan mijn kinderen zo te behandelen dat ze later, staande bij mijn graf, in eerlijkheid kunnen zeggen: ‘Hij die hier rust heeft ons geen enkel moment van pijn gegeven. Uit zijn mond werd nooit een onvriendelijk woord gehoord’.
Robert Ingersoll
‘Want ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.’
Jezus, Mattheüs 10: 35-37
Een wurgend dilemma
Veel mensen beginnen hun godsdienstig denken met deze basisgedachte: God is goed en perfect en almachtig. Als uitgangspunt voor waar een christen zoal in gelooft zou men bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis kunnen nemen. Zij komt aan met 37 geloofsstellingen en begint met deze uitgangspunten:
”Artikel 1: De enige God.
Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig. Hij is volkomen wijs, rechtvaardig en goed en een zeer overvloedige bron van al het goede.
Artikel 2: Hoe wij God kennen.
Wij kennen Hem ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden, namelijk Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid.”
Hoe is het dan mogelijk dat we met bovenstaande eenvoudige en ondubbelzinnige gedachte als uitgangspunt een godsdienst uitvinden van pakweg 1689 bladzijden (mijn nieuwe bijbelvertaling) waarin we een wirwar van gedachten over behoudenis, verdoemenis, een oneindige lijst geboden, verboden, dreigingen, straffen, voorwaarden, uitleggingen, tegenstrijdige verslagen, onmogelijke voorstellingen van de werkelijkheid, ongerijmdheden, absurde of onbenullige voorschriften, een oneindige opsomming van moorden, wreedheden en willekeurig, grillig handelen van God tegenkomen? Het is niet moeilijk de oorzaak te vinden. Dit alles is het gevolg van het grootste waandenken dat onder de mensheid maar de ronde doet: dat God zich aan uitverkorenen geopenbaard heeft, en hen gebruikte om een woordelijke openbaring van God aan de mensheid te geven. Zo worden bovenop deze beginstellingen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ellenlange uit de lucht gegrepen uitweidingen en absurditeiten gelegd, die van het geheel zo’n ordinaire stamppot maken dat een klein kind de ongerijmdheden er zo uit kan pikken.
Laten we eens beginnen met de drie-eenheidsleer. Van de ’enige en éénvoudige God’ in artikel 1 wordt vanaf artikel 3 tot en met 37 een Vader en een Zoon en een Geest gemaakt! Een ’Vader’ heeft een ’Zoon’ verwekt, en tesamen hebben ze nog een ’Heilige Geest’ voortgebracht. Alle drie zijn ze maar één persoon, maar toch ook drie goddelijke personen die totaal onafhankelijk van elkaar zijn. Hoewel elk wezen dat ontstaan is uit een ander per definitie jonger is dan het wezen waaruit het is ontstaan, is de Zoon toch evenoud als de Vader en is Hij bovendien niet geschapen. Voor ons verstand is het noodzakelijk dat de goddelijke persoon, die het ontstaan van de beide anderen heeft bewerkt, er eerst moet geweest zijn, maar wat heeft geloof met verstand te maken? Hoe de Vader en de Zoon een ’Wezen’ kunnen zijn zonder ’Geest’ te zijn, die weer als apart persoon gezien moet worden, is een raadsel; een aanslag op de menselijke rede zou een betere uitdrukking zijn. Waarom zou de Zoon trouwens zo genoemd moeten worden indien Hij toch niet geschapen is? En waarom moet God een Vader heten, en niet een Moeder, of nog beter, maar gewoon God blijven heten, indien Hij geen lichaam heeft en alles, zowel het mannelijke als het vrouwelijke uit God voortkomt? Voorwaar een goddelijk circus. Van Gods ’niet te doorgronden wezen’ krijgen we dus een dik boek dat niets anders doet dan allerlei details ervan in te vullen, op de meest onzinnige wijze. Juist op die wijze die de oorspronkelijke nogal redelijk voorkomende tekst van artikel 1 en 2 tegenspreekt! Zijn almacht moet men bijvoorbeeld met een korreltje zout nemen, omdat er ook opeens een ondergod Satan bestaat die van alles uitspookt wat God niet wil. Zijn wijsheid moet ook met een korreltje zout genomen worden omdat ieder mens mislukt (zondig) is; zijn goedheid moet ook geforceerd worden gezocht, omdat Hij de mensen jammergenoeg niet allemaal kan redden en bovendien met de afschuwelijkste eeuwige straf komt voor mensen die zus en zo niet geloven.
De tegenstrijdigheden kunnen niet naiever zijn. Ik had een zoon van vijf die mij al vroeg hoe Jezus God kan zijn, ’want hij ging toch dood en God kan toch niet doodgaan’?
Lees artikel twee nog een keer en lees daarna wat er direct op volgt:
”Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen”.
Ieder kind dat net artikel 1 gelezen heeft zal opmerken dat er niets te verontschuldigen valt, omdat God goed, wijs en perfect is, en logischerwijs dus niets maakt dat iets te verontschuldigen zou hebben. Waarom dan toch meteen dit schuldig maken? Het vervolg van Artikel 2 geeft meteen het antwoord:
”Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door Zijn heilig en goddelijk Woord, namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot Zijn eer en tot behoud van de zijnen.”
Het antwoord kan niet duidelijker zijn. Het christendom heeft niets over God te zeggen: over zijn openbaring in de natuur is men in één zin uitgesproken, en de rest wat gezegd wordt spreekt deze zin tegen. Een bevestiging hiervan kom ik tegen in de volgende zin uit een lezing van prof. Houtepen:
”Van de 1500 bladzijden met oecumenische verklaringen [van de Wereldraad van Kerken] over allerlei kwesties die de kerken verdeeld houden, gaan er maar 15 uitdrukkelijk over God.”
Christelijk geloof is slechts een verhaal dat betrekking heeft op een door mensen bedacht geloofssysteem. Het doel van dit systeem is ”om mensen hun verontschuldiging te ontnemen” en ze zo slaaf te maken van dit systeem. Als wapen gebruikt men beloning en straf, ”behoud van de zijnen”, dwz behoud van enkele mensen die op de juiste wijze aan het systeem voldoen, en eeuwige verdoemenis voor de rest. En dan heeft men nog het lef te stellen dat dit alles ”tot Zijn eer” geschiedt!
Laten we de dilemma’s van de vorige twaalf hoofdstukken eens opsommen en de balans opmaken om te zien op hoevele manieren God in het christelijk geloof door het slijk wordt gehaald:
- Het christendom geeft ons als centraal uitgangspunt een beeld van een straffende (zelfs mensendodende) God, een God die overal op aarde met tegenstanders te doen heeft, en die ons in een zwarte wereld heeft neergezet (volgens Jezus is Satan ”de heerser der wereld”).
- Een God die ons in zonde laat geboren worden, maar ons toch verantwoordelijk houdt voor ons gedrag en ons zondig zijn.
- Een God die ons wil doen laten leven in slaafse onderwerping aan hem.
- Een God die doodzonden tot in eeuwigheid niet vergeeft. (Mt. 12: 31, 32)
- Een God die de eeuwige straf met vuur en foltering voor de meerderheid van de mensheid in petto heeft. (Lc. 13: 24)
- Een God die ons in onzekerheid over de behoudenis houdt. (Hebr. 10:26-31)
- Een God die ons in verkrampte angst voor Hem doet leven. (Mt. 25:24)
- Een God die ons het bestaan als een eeuwige dualistische strijd tussen goed en kwaad leert. Het strijdtoneel is overal, om te beginnen in ons eigen hart; en vervolgens overal om ons heen in de donkere satanische wereld, in de lugubere toekomst van de mensheid, ja, zelfs in de mensen om ons heen die ons het liefst zijn. Het christelijk geloof leert ons negatief denken.
- Een God die bloedvergieten eist om verzoening tot stand te brengen en tot bedaren gebracht te worden.
- Een God die zich op weerzinwekkende wijze wreekt op de wereld en deze ”Dag des Heren”, vol van onheil, vernietiging en ’verbolgenheid’, rechtvaardig noemt.
- Een God wiens optreden, openbaring en wetgeving onder de naam Jahweh voor de moderne mens op vele punten als godslasterlijk, weerzinwekkend of lachwekkend wordt ervaren.
- Een God die in duizenden jaren menselijke geschiedenis maar een paar keer van zich laat horen, voor het merendeel in een wereld van de primitieve en barbaarse, altijd oorlogsvoerende mens, voor het laatst 2000 jaar geleden, toen de mens nog als een alledaags verschijnsel wonderen om zich heen zag gebeuren en overal demonen zag rondlopen. Wat is bijvoorbeeld het ‘unieke’ aan het ongelofelijke opstandingsverhaal van Jezus, wanneer we het in de contekst van de rest van de bijbel zetten? In 1 Koningen 17 doet Elia een kind uit de dood herrijzen, in 2 Koningen 4 doet Elisa hetzelfde met de zoon van een Sunnamitische vrouw, in 2 Koningen 13:21 wordt een man begraven die per ongeluk met de beenderen van Elisa in aanraking komt zodat hij weer tot leven komt. In Lucas 13:30 verschijnen Mozes en Elia opnieuw op aarde om een gesprek te hebben met Jezus. Wanneer Jezus sterft gaan de graven open en herrijzen ‘vele heiligen’ uit de dood. Jezus doet Lazarus tot leven komen terwijl zijn lichaam al in ontbinding was, het dochtertje van Jaïrus, een zoon van een weduwe. Petrus doet een vrouw Tabita herleven en voor Paulus is het ook al niet moeilijk zoiets te doen, zie Handelingen 20:9,10. In de bijbel is af en toe ‘uit de dood weer tot leven komen’ dus eerder gebruikelijk dan uniek, en dit geeft ons het juiste inzicht in de ‘wonderen’ uit de bijbel: ze zijn gemakkelijk te zien als een produkt van de fantasie en verbeelding van de goedgelovige antieke mens. Dit wordt nog versterkt door parallellen tegen te komen uit de heidense wereld: Precies dezelfde verhalen als over Jezus kunnen we lezen in door Philostratus en Dion Cassius in het jaar 210 opgeschreven geschiedenis van Apollonius, een andere wonderdoener uit de tijd van Jezus: geboren uit een maagd, zoon van Egyptische God, wonderen bij geboorte, als kind bewijzen van wijsheid leverend, profetieën omtrent zijn verschijning komen uit, kan duivelen uitwerpen, roept een begravenisstoet halt toe en wekt een overleden meisje op, (dat de schrijver van het verhaal geen goedgelovige was bewijst de toegevoegde opmerking dat het onmogelijk is vast te stellen of het meisje slechts schijndood was of niet), jaagt bedriegers weg die zogenaamd geld inzamelen voor offers maar dit voor zichzelf behouden, wordt – bijna honderd jaar oud – gevangen genomen op last van Domitianus, wordt God genoemd, (hetgeen hij verdedigt door te stellen dat iedereen daar recht op heeft!). Tijdens de rechtzaak beroept Apollonius zich op de heilige schrift van Homerus en haalt hij daaruit een vers aan: ’Zelfs uw dodelijke speer kan mij niet deren, omdat ik geen sterveling ben.’ De geschiedenis eindigt: ”Wat zijn dood betreft, indien hij inderdaad stierf, zijn er verschillende versies.” Na zijn dood verschijnt hij aan een jongeman die twijfelde aan de onsterfelijkheid van de ziel, waarna de jongeman uitroept: ’Nu geloof ik u!’ Apollonius werd tot in de vierde eeuw nog vereerd als een god. Ook de christenen (zoals Eusebius) ontkenden zijn wonderwerken niet (maar schreven ze toe aan de duivel). Door Apollonius geschreven brieven, vol filosofische wijsheden, kunnen nog steeds gelezen worden in de Library of Congress. Dezelfde soort verhalen staan opgeschreven over een andere tijdgenoot, Simon de Magiër, waarover ook in het Nieuwe Testament verteld wordt (Hand. 8). Aangezien ook de verhalen over Jezus pas veel later zijn opgeschreven, kunnen ze zonder meer worden toegeschreven aan dezelfde antieke lievelingsbezigheid om via algemeen voorkomend geloof in wonderen en godmensen te fantaseren over de goddelijke tekens op aarde. Welk beter bewijs voor de fabricage van Jezus’ wonderen wil men wensen dan het volgende. De historicus Charles Waite schreef in het voorwoord van de derde editie van zijn standaardwerk De Geschiedenis van de Christelijke Religie (1888?)
”Als conclusie zou ik erop willen wijzen dat niet één van de stellingen die in dit boek naar voren zijn gebracht ook maar in de kleinste mate naderhand in twijfel getrokken is, laat staan omvergeworpen. Bijna al deze stellingen hebben een negatief karakter. Slechts één positief feit dat men er tegenover zou kunnen stellen, zou voldoende zijn om ze te ontzenuwen. Een voorbeeld: in dit boek wordt gezegd dat er geen enkele verwijzing naar de wonderen van Christus bestaat, van welke schrijver dan ook, christen, jood of heiden, voordat er bijna honderd jaren zijn verstreken nadat de zogenaamde wonderen zouden zijn uitgevoerd. Slechts één enkele tekst, van welke schrijver dan ook, zou deze stelling omver kunnen gooien. Hoe komt het dat niemand met zo’n tekst aankomt?
Totdat deze stellingen zijn omvergeworpen zal dit boek blijven wat het tot nu toe geweest is: de aanklager van bijgeloof en een hulp voor de vrije onderzoeker naar waarheid.”
Na honderdtwintig jaar modern wetenschappelijk onderzoek en een vloed aan archeologische vondsten kan Waite nog steeds niet met één enkele tekst tegengesproken worden. - Er is ons dus een Godsbeeld overgeleverd via geschriften waarin een onbevooroordeeld modern mens niet met duidelijkheid de goddelijke signatuur in kan ontdekken, maar vaak zelfs het tegendeel. Hoe kan iemand het Oude Testament lezen en tot de volslagen absurde conclusie komen dat God een God van Liefde is die wil dat iedereen in de wereld behouden wordt? En aan de andere kant, hoe kan Jezus ons in het Nieuwe Testament de hel aanbieden, iets wat alle oudtestamentische wreedheden tot in het oneindige overtreft en als denkbeeld uitgevonden is in de heidense religies? En waarom zegt hij niets over de schandelijke instelling van de slavernij?
Kan er afgezien van de angst en het op andere manieren psychisch geschonden zijn van de mens een reden gegeven worden om deze God van de bijbel te vereren?
Een moeras om in weg te zinken
In dit e-boek hebben ik het vrijwel niet gehad over de talloze tekstuele problemen en de kolossale problemen van literair-kritische aard die de bijbel ons oplevert, want dan zou de omvang van dit boek wellicht het dubbele of driedubbele zijn, maar ook hier bevinden we ons in een moeras waar we ons voortdurend in weg voelen zinken. Alleen al met de persoon van Jezus zoals die ons in de korte beschrijvingen van Hem zijn overgeleverd komen we terecht in 1000 probleemstellingen die de geloofwaardigheid van de bijbel in twijfel trekken. Om maar een puntje van de ijsberg op te sommen het volgende:
1 Overdenk dit eens: Jezus zelf heeft ons geen woord van zijn gedachten nagelaten. Zelfs niemand van Jezus’ naaste volgelingen heeft ons een geschrift gegeven met een ooggetuige verslag. De enige evangelies met een klinkende naam (van Thomas en Petrus) staan notabene niet in de bijbel! De vier evangeliën in de bijbel zijn anoniem. Alleen dit gegeven al is verbijsterend.
2 Wat de datering van de evangeliën betreft tast men, zoals hierboven is aangestipt, in volkomen duister. Het is wel een favoriet monopoliespelletje van theologen. Elk boek dat men erover openslaat zal weer een andere min of meer uit de lucht gegrepen datum aangeven, zo ongeveer van 70 na Christus tot 170 na Christus, en men kan met dit spel tot in het oneindige doorgaan. Er zijn veel redenen om aan te nemen dat de evangeliën pas laat in de tweede eeuw zijn samengesteld. Justinus de Martelaar, ca. 150, de bekendste oudste kerkvader, noemt de namen van de evangeliën niet (hoewel hij bij citaten uit het Oude Testament altijd het boek vermeld waaruit de citaten komen, en ook geschriften noemt die nooit tot de bijbel zijn gerekend, zoals de Handelingen van Pilatus en het evangelie van Petrus!). Het evangelie van Johannes wordt voor het eerst genoemd door Theophilus van Antiochië, ca. 180; de andere evangeliën pas voor het eerst door Irenaeus, ca. 190-200! Maar na een lange tijd gewend te zijn geweest aan late dateringen hebben de theologen opgemerkt dat er voor nieuwe theologen helemaal niets meer aan is indien we in het spel niet eens af en toe de kaarten schudden en wat verfrissende vroege dateringen geven. Zo is het tegenwoordig weer in de mode wat vroegere dateringen te geven. Hoewel ook ’vroeg’ natuurlijk betekent dat er vele jaren zitten tussen de gebeurtenissen en de verslagen. Men probeert de datum terug te schuiven door te verondserstellen dat de evangeliën gebruik gemaakt hebben van een oudere geschreven bron, die men Q noemt en een bron van ingestudeerde mondelinge overlevering bijvoorbeeld of jammergenoeg allerlei volkomen verloren gegane schriftelijke bronnen; deze mondelinge/schriftelijke overlevering zou zelfs oorspronkelijk in het hebreeuws of aramees geweest kunnen zijn (of eigenlijk: moeten zijn, want Jezus en zijn eerste volgelingen spraken Aramees). Zo kom je dichter bij de bron indien je je fantasie maar goed laat werken, want het zijn eenvoudig uit de lucht gegrepen veronderstellingen. En terwijl er geen enkele buitenbijbelse gegevens en verslagen voor de historische gebeurtenissen en de wonderen van Jezus bestaan, (maar wel een hoop evangeliën die verworpen zijn als pure vervalsingen en verzinsels!), denken de theologen de betrouwbaarheid genoeg te bewijzen door ons een verhaal te vertellen over hoe betrouwbaar zo’n mondelinge overlevering in die tijd wel niet was.
3 Afgezien van enkele kleine fragmenten geschreven op papyrus waarop één of ander (deel van een) vers uit het Nieuwe Testament te lezen valt, allemaal daterend uit de tweede of derde eeuw (uit de eerste eeuw is totaal niets voorhanden), zijn de oudste handschriften van de gehele tekst van het Nieuwe Testament pas uit de vierde, vijfde of zesde eeuw. De onderlinge verschillen zijn opmerkelijk en talrijk. Dat sommige versies op bepaalde plaatsen opzettelijk vervalst zijn is onbetwistbaar. Welke versie de meest authentieke is, is onmogelijk vast te stellen, maar kan slechts via gekibbel en ideologie worden opgelost. De oudste handschriften, dwz. uit de tijd voordat het christelijk geloof door de staat geadopteerd werd, zijn onnauwkeurig gekopieerd; hun veelvuldig afwijken van de latere veelal gladgestreken en door de kerkleer aangepaste ’aanvaarde tekst’, moet de gelovige uitleggen door de oudste handschriften aan het werk van de satan toe te schrijven. Waarom we niet met meer logica mogen concluderen dat de oudste handschriften door eenvoudige en slordige kopiïsten en de latere door nauwkeurige maar sterk ideologisch gekleurde kopiïsten (en welaan, waarom die laatsten niet als handlangers van de satan laten optreden), mag joost weten. Wat het gehele Nieuwe Testament betreft mogen we concluderen dat we op sommige plaatsen niet eens kunnen bepalen wat de originele schrijver oorspronkelijk wilde zeggen, of wat wel of niet tot de oorspronkelijke tekst behoorde.
Wat men vanouds het oudste evangelie noemt, het evangelie van Marcus, is een wel zeer teleurstellende kroongetuige. We horen niets van Jezus’ miraculeuze geboorte en niets over zijn verschijningen als opgestane uit de dood. Er wordt slechts een bevel gegeven om naar Galilea te gaan met de belofte dat Hij daar dan aan de dicipelen zal verschijnen (iets wat de rest van het Nieuwe Testament tegenspreekt). Het evangelie heeft niets te melden over de voorouders van Jezus, weet niets van een vader Jozef en ook niets van een afstamming van David. Al deze dingen ontbreken ook volledig in de nog oudere geschriften van het Nieuwe Testament, de brieven van Paulus (ong. 50-63 na Chr.). Zowel in Paulus’ brieven als in Marcus horen we nauwelijks iets over Jezus’ leringen. Het evangelie kent geen andere ethische hoogtepunten dan Geef al je bezit weg en Het is verboden te scheiden. Judas wordt er niet vergeven, voor de beulen van Jezus vraagt hij geen genade. En wie ‘de kleinen die in hem geloven’ tot zonde verleidt krijgt een molensteen om zijn hals gedaan en wordt in zee geworpen. De Jezus van Marcus zucht en toornt, is onverdraagzaam, kent doodsangst en verliest zijn geloof aan het kruis. Hij wordt ons nooit voorgesteld als alwetend. Hij noemt zich zelfs niet eens goed! Hij is een mens die bij het begin van zijn optreden via een stem uit de hemel en een duif die van boven op Hem afdaalt geadopteerd wordt tot ‘Zoon van God’ (zoals de oudtestamentische koning ook gezalfd en zoon van God genoemd wordt), en meteen daarna in z’n eentje de woestijn ingaat om aan de Satan (en aan Marcus, die Hem blijkbaar stiekem achterna is gelopen en het op een afstandje bekijkt) te laten zien dat Hij echt recht op de titel heeft. Hij kan echter in zijn geboortestreek geen wonder doen. Maar soms geneest hij zonder het te willen, alsof er magische kracht van hem uitstraalt en het automatisch gebeurt; men hoeft hem maar aan te raken of het wonder gebeurt. Voor de rest houdt hij zich het meest bezig met duivels uitdrijven. Marcus laat hem in Kapernaüm wonen. Hij vermeldt dat zijn familie Hem voor gek houdt (Marcus 3:21). Niemand mag weten dat Jezus de Messias is. De leer van Jezus is een soort geheimenleer (zie ook evangelie van Thomas), bedoeld om de uitverkorenen bijeen te brengen en de rest ziende blind te laten ‘opdat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde’. (Marc. 4: 11, 12). Stel je nu voor dat wij het uitsluitend met het Marcusevangelie zouden moeten doen! Geen wonder dat Mattheüs en Lucas met een verbeterde uitgave moesten komen.
4 Wanneer we al deze Marcusproblemen eindeloos doorgespit hebben kunnen we beginnen met het nog grotere werk de verhalen van Mattheüs en Lukas erbij te halen. Ten eerste wordt Jezus in deze evangeliën al een stuk meer vergoddelijkt, Hij wordt opeens maagdelijk verwekt om zijn goddelijke afkomst te bewijzen; zo hoorde het nu eenmaal in die tijd, iedere andere god op aarde was ook zo geboren. De Heilige Geest is nu dus geheel letterlijk, biologisch, zijn Vader. Ten tweede krijgen we te maken met het probleem van het aaneenlijmen van allerlei ogenschijnlijke of pijnlijke ongerijmdheden. Opeens wordt het: Jezus wil in zijn geboortestreek geen wonderen doen (Mattheüs corrigeert). We worden aangespoord vijanden lief te hebben, maar Jezus wordt in Mattheüs opeens in de mond gelegd dat we ‘broeders’ die zich niet neerleggen bij een twist bij een uitspraak van de raad der gemeente behandelen moeten als ‘de tollenaars en heidenen’ (de kerk had dus behoefte aan een iets scherpere uiteenzetting). Oordelen mogen we niet, maar om de drie zinnen wordt er geoordeeld en veroordeeld in de evangeliën. Liefde moeten we uitstralen, maar om de haverklap wordt er gedreigd met ‘geween en tandengeknars’ en uitgeworpen worden ‘in de buitenste duisternis’ (blijkbaar had de kerk al ruime ervaring met mensen die zich tegen het evangelie verzetten, en moest er een nieuw wapen van overreding bijkomen). Dit wapen wordt door de evangelisten op fantasievolle wijze gebruikt. We merken bijvoorbeeld op dat Mattheüs in de gelijkenis van de talenten de ‘nietsnut’-slaaf tot de buitenste duisternis veroordeelt, terwijl Lukas hetzelfde verhaal vertelt (Luc 19: 11-27) maar de slaaf zijn talent slechts doet verliezen aan de andere slaaf. De veroordeling is bij Lucas bestemd voor een nieuwe groep die er in het verhaal opeens bijkomt, ‘mensen die vijanden van mij zijn en niet wilden dat Ik over hen koning werd’, een correctie op de versie van Mattheüs die Lucas blijkbaar zelf bedacht, omdat hij het alternatief (‘de slechte gelovige gaat verloren’) geen gezonde lering vond.
Opeens heeft Jezus in deze evangeliën een menselijke vader, die toch ook weer zijn vader niet is. En volgens Mattheüs is de vader van Jozef een man genaamd Jacob, volgens Lukas heet hij Eli. Lucas laat ons weten dat Jezus’ ouders uit Nazareth vertrokken vanwege een volkstelling die in het jaar 6 ná Christus gehouden is, en zo in een stal in Bethlehem terecht kwamen. Mattheüs laat Jezus’ ouders in een huis in Bethlehem wonen en weet niets van een volkstelling. Jezus’ ouders vertrekken na hun verblijf in Egypte pas naar Nazareth, omdat ze niet naar Bethlehem terug kunnen, bang als ze zijn in Judea vervolgd te worden door Herodus de Grote, die echter in 4 vóór Christus al stierf. De buitenbijbelse geschiedenis laat totaal niets horen over een zo dramatische gebeurtenis als de kindermoord in Bethlehem.
Voortdurend krijgen we nieuwe verhalen te horen waar de geloofwaardigheid nu niet bepaald groter op wordt door er telkens bij te vermelden: ‘dit gebeurde opdat in vervulling moest gaan het woord dat door de profeet gesproken werd…’. Zo vestigde de vader van Jezus zich in de stad Nazareth ‘opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is dat Hij Nazoreeër zou heten’. Nooit heeft iemand kunnen begrijpen hoe Nazoreeër iets met Nazareth te maken kan hebben en waar dit dan wel staat in het Oude Testament. Sommige bijbels, zoals de Statenvertaling, vertaalden dan ook heel mooi, maar oneerlijk het woord nazoraios met Nazarener (=inwoner van Nazareth). Zo moet Maria ook naar Bethlehem om geboorte te geven en moet Jozef daarna ook vluchten naar Egypte opdat er een profetie vervuld moet worden.
5 Wanneer we dan uiteindelijk ook nog het lievelingsevangelie van de christenen, het evangelie van Johannes, gaan doorlezen, zien we dat een evangelist ook Philo van Alexandrië gelezen heeft en daardoor op een idee komt. Deze beroemde neo-platonistische filosoof had God zo perfect en trancendent gemaakt dat Hij niet rechtstreeks met de wereld in aanraking kon komen, maar dat doet door middel van zijn woord (rede), in het grieks ’logos’. En het is de evangelist inmiddels duidelijk geworden: de Logos is in feite een Persoon, Jezus is in feite deze God die alles geschapen heeft en alles in stand houdt, en die in de vorm van een mens naar zijn mislukte wereld die nu in volkomen duisternis ligt afdaalde om de wereld te verlossen en het licht te laten schijnen. Wat het Johannes-evangelie betreft komen de theologen tot deze eensluidende conclusie: “De Jezus van Johannes (Thomas, de ongelovige, in Joh. 20:28: ‘Mijn Heer en mijn God’) staat zover van een historisch aanvaardbare Jezus af dat niemand tegenspraak heeft te vrezen die zegt: deze Jezus is helemaal geen Jood en geen mens, maar een spiritueel kunstprodukt, geladen met poëtische intensiteit, geschapen door een geniale en geïnspireerde dichter of opgetekend door een uiterst gevoelige seismograaf.” (Rudolf Augstein, in ‘Jezus mensenzoon’). Het Johannes-evangelie is als een religieus gedicht dat wel vergeleken zou kunnen worden met de Indische Bhagavad Gita, het epos over de god Krishna die zich ook verwaardigde dit aardse bestaan voor een tijdje aan te trekken. Dit is gemakkelijk in te zien wanneer we bedenken dat het zich in het openbaar aan God gelijk stellen (wat Jezus in dit evangelie veelvuldig doet) onmiddellijk in een lynch- of stenigingsdrama geëindigd zou zijn, ter plekke en zonder enige vorm van proces, en in de joodse cultuur en godsdienst een volslagen onmogelijkheid is. Het verband met de oudere Indiase God Krishna (dateringen voor de mythe zijn gegeven van 800-1300 voor Christus) is zo opvallend dat velen de incarnatie ideeën van de godheid in het Nieuwe Testament toeschrijven aan invloed van gedachten uit India, hetgeen in principe zeer wel mogelijk was in de hellenistische wereld van het begin van onze jaartelling (van Apollonius wordt ook gezegd dat hij meerdere malen in India was). Anderen, ook onder de indruk van de parallellen, moesten om ideologische redenen de zaken omdraaien, en geforceerd beweren dat de opgeschreven Krishnaverhalen pas in de tweede eeuw ná Christus ontstonden, en invloeden van de christelijke godsdienst lieten zien. In de religie is men tot alles bereid om maar gelijk te hebben. Het geval Philo versterkt overigens de gedachte dat Jezus een imaginair kunstprodukt is, aangezien deze hellenistische filosoof-theoloog een tijdgenoot van Jezus was en direkte verbindingen had met Jeruzalem. Bovendien predikt hij hemel en hel, en eeuwig leven voor de heidenen die geloven en was hij zeer geïnteresseerd in de joodse messiasgedachte. Toch schrijft deze jood met geen woord over Jezus!
Om tenslotte de verslagen van Jezus’ lijden, kruisiging en opstanding, de spil van het hele christelijke geloof, in overeenstemming te brengen met elkaar, is een onmogelijkheid. Toegegeven, het verslag geschreven op naam van de oogggetuige Petrus heeft men niet tot de bijbel meegerekend. En het evangelie van Thomas rept niet eens over een opstanding. We kunnen net doen alsof ze niet bestaan (zie ook deze prachtige site voor alle teksten van vroeg-christelijke geschriften). En gelukkig voor de tegenwoordige christenen zijn er een hoop evangeliën die in omloop waren door vroege christenen voorgoed vernietigd (er zijn zo’n 22 evangeliën bekend van naam); we zijn daardoor een hoop tegenstrijdigheden kwijt geraakt. En wat de geaccepteerde evangeliën betreft, we kunnen altijd weer de altoos door de christenen herhaalde opmerking bezigen: ‘Juist de discrepanties in de verslagen van de getuigen wijzen op de waarheid van het gebeuren’. Maar hoe geloofwaardig is deze opmerking wanneer we in aanmerking nemen dat we in de bijbelse evangeliën niet te maken hebben met ooggetuigeverslagen, maar met vele jaren later opgeschreven verhalen? En hoe kan dat als we moeten geloven in de goddelijke inspiratie van de desbetreffende teksten? Hoe kan dat, als onze ziel en zaligheid van geloof in zo’n verhaal afhankelijk is? Waarom is Christus niet verschenen aan vele duizenden? Waarom heeft Hij zelf niets op schrift gezet, wanneer God gezien moet worden als hebbende een voorliefde voor boeken? Waarom zijn de bijbelse evangeliën anoniem geschreven? Waarom horen we in de niet-godsdienstige geschiedschrijving totaal niets over Jezus’ optreden? Waarom was zijn hemelvaart geen publiekelijk gebeuren en zijn de verslagen erover hopeloos tegenstrijdig? Waarom moeten we wel in dit verhaal geloven en niet in de verhalen van Joseph Smith en Mohammed of in de verhalen over Vishnu of de geweldige Apollonius?
6 Tenslotte, zoals in dit e-boek uitgebreid aan de orde is geweest, wat de bijbel in zijn geheel betreft is het overduidelijk dat zij niet alleen op wetenschappelijk, maar ook en vooral op het ethische vlak zo achterhaald is dat we die niet meer als een godsopenbaring kunnen beschouwen en aan een volmaakte God toe kunnen schrijven. Eerder is de bijbel een middel om het zicht op God volkomen kwijt te raken. De alternatieven zijn de volgende:
”Welnu, ofwel wist God zelf in die tijd niet beter [Hegels slimme oplossing; hij stelde voor dat God, De Geest, ethisch onderhevig is aan een groeiproces gelijk aan de vooruitgang van de mensheid], ofwel heeft hij de mensen bewust om de tuin geleid, ofwel is de bijbel (Oude en Nieuwe Testament) niet zijn Openbaring, ofwel heeft hij het ideale excuus: hij bestaat niet. Ik beweer dat er geen andere mogelijkheden zijn.”
Etienne Vermeersch
De alternatieven zijn allemaal stuk voor stuk ontluisterend voor iemand die zich kent als christen. In onovertrefbare scherpe bewoordingen worden deze dingen uitgebreider aangesneden door Etienne Vermeersch in Postscriptum over de God van het christendom en Hoezo christelijke waarden.
7 De vraagtekens stapelen zich tot in het oneindige op wanneer we ook nog de christelijke geschiedenis erbij betrekken. Hoe kan Jezus ons de opdracht geven de gehele wereld in te gaan om het christelijk geloof dat ‘de Goede Boodschap’ wordt genoemd, ter behoudenis van de goddeloze mensen te prediken en ons 1500 jaar laten wachten voordat we eindelijk het Amerikaanse continent ontdekken en het die ‘goddeloze’ wereld pas kúnnen aanbieden? En wat is er van die wereld overgebleven nadat wij met ons christendom aankwamen? Hoe kan Hij zijn werk zo in de steek laten door in de gebieden die het langst christelijk waren opeens een nieuwe godsdienst te laten opspringen die al zijn volgelingen met het zwaard ‘bekeert’ tot een alweer nieuw en alweer als enige waar geloof ‘Islam’? Hoe laat Hij zijn werk volkomen in de steek door de kerk in de middeleeuwen te laten vervallen tot een schandelijke instelling?
‘Als historicus moet ik toegeven dat het enigszins op mijn lachspieren werkt wanneer ik de joods-christelijke traditie geprezen hoor worden als de bron van onze tegenwoordige aandacht voor de rechten van de mens…In feite werden alle religieuze tijden gekenmerkt door een grove onverschilligheid ten opzichte van mensenrechten…niet alleen in het zwijgzaam toestaan van armoede, ongelijkheid, uitbuiting en verdrukking, maar ook in het enthousiast rechtvaardigen van slavernij, geloofsvervolging, het in de steek laten van kleine kinderen, martelen en volkenmoord. De godsdienst gedurende het grootste deel van de westerse geschiedenis, heeft de verzoekingen en het lijden van de mensheid altijd gezien als verordineerd door de Almachtige om zondige stervelingen te testen en te zuiveren…Daarenboven heeft de godsdienst aan hierarchiën, autoriteiten en ongelijkheid een goddelijke goedkeuring gegeven. De godsdienst haatte godslastering en vreesde valse leringen het meest…het was de tijd van gelijkheid dat aan zulke religieuze praktijken als brandstapels pas een eind maakten.’
Arthur Schlesinger Jr., The Opening of the American Mind, 1989
Ik daag iedere bijbelgetrouwe christen uit om boeken met de volgende onderwerpen te lezen en daarna te verklaren dat hij zijn geloof behouden heeft, en zo het antwoord ’ja’ is, te vertellen om welke reden dan wel:
- De chaotische geschiedenis van de vroege kerk van de eerste eeuwen
- De geschiedenis van het anti-semitisme in het christelijke Europa
- De geschiedenis van de vrouw in het christelijke Europa
- De geschiedenis van de slavernij in de christelijke geschiedenis
- De geschiedenis van de heksenvervolging in het christelijke Europa
- De geschiedenis van de geloofsvervolging in het christelijke Europa
- De geschiedenis van de (geweldadige) bekering van heidenen tot het christendom
Ik heb de redenen die gegeven worden door brave christenen trouwens al opgevist uit het internet:
- Zonder de misstanden van de vorige eeuwen goed te willen praten kan ik het hier toch niet mee eens zijn. Nazisme, communisme en ook vaak kapitalisme hebben werkelijk niet het heil gebracht, terwijl zij zich ten diepste toch duidelijk tegen de christelijke godsdienst keren.
(Dit is wel degelijk de misstanden van de christelijke eeuwen goedpraten door ze zo te te omzeilen! Als men erover klaagt dat een rot ei vies is kun je niet met een argument aankomen dat een rotte tomaat ook vies is. Juist het feit dat de christelijke geschiedenis op vele manieren dezelfde kenmerken vertoont als de 20ste eeuwse politieke a-religieuze ideologiën laat zien dat de georganiseerde religie niets te maken heeft met het werk van een zogenaamde geest die van God afkomstig zou zijn, maar eenvoudig op dezelfde manier als ieder a-religieus systeem afspiegelingen zijn van de menselijke geest.) - De christelijke godsdienst bestaat niet als zodanig, maar er zijn weer individuele mensen binnen de groepering mensheid, die vanuit hun eigen interpretatie zich aangesproken voelen tot deze godsdienst en dat kan uiteenlopen van slechts lippendienst tot aktief opofferend. Er waren en zijn helaas ook onware christenen.
(Het dilemma van de krachteloosheid van het geloof weer omzeilen, ditmaal door anonieme individuen de schuld te geven en de bron, dwz de bijbel en de Geest Gods, buiten schot te laten staan. In deze optiek wordt God nog kleiner gemaakt dan Hij in het christendom al is: Hij kan nooit de boodschap tot de gehele mensheid laten doordringen, maar zelfs daar waar het Hem wél lukt is het maar van eeuw tot eeuw een belabberde vertoning; slechts een fractie behoort tot de groep ’ware gelovigen’.) - Wij kunnen moeilijk objectief oordelen over wat er voor de Verlichting gedacht en gezegd werd. Begrijpen we die mensen van toen nog wel?
(Nog mooier, het probleem omzeilen door het in de ruimte te schieten; maar hoe denkt deze christen opeens wel de gedachtenwereld van bijbelse tijden te kunnen verstaan?…) - Het idee blijft mij bekruipen dat jij het steeds over een ander soort christendom hebt dan ik in mijn bijbeltje terug kan vinden. Slavenhandel, kruistochten/jihads, heksenverbrandingen enzovoorts passen namelijk naar mijn idee helemaal niet in het rijtje ’gaven van de Geest’, waaraan men de christen kan herkennen. Lees Galaten 5:22 bijvoorbeeld.
(Dit is een geliefde methode: het probleem omzeilen door met tegengestelde teksten aan te komen; selectief de bijbel lezen en eruit halen wat wel naar je zin is. Als het ei in je goddelijke maaltijd bedorven is het commentaar geven dat de spinazie toch heerlijk vers is. Deze gelovige zou eens het Oude Testament moeten opslaan, waar God zelf regels voor slavenhandel, jihad en mensenverbranding opstelt.) - Tja… Ik lees de bijbel als één geheel, en vind geen tegenstrijdigheden (alleen een oud verbond dat heeft afgedaan, en een nieuw verbond waarin alles minder zwart-wit is). Maar ik kom kennelijk tot andere conclusies dan christenen honderden jaren geleden. Het waarom daarvan kan ik niet verklaren.
(Deze persoon kan of wil de dingen niet diep doordenken, maar gooit vervelende dingen van zich af; zou ik misschien ook moeten leren. Maar aan de andere kant: heeft deze persoon ooit wel eens de bijbel gelezen, of hoe kleurenblind is hij?: ”Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.” Marc. 16:16, ”Door niemand anders kunnen wij worden gered, zijn naam is de enige die op aarde redding biedt.”, Hand 4:12) - Ik kan niet voor geloofsgenoten van 1000 jaar terug spreken. Het christelijk geloof is een persoonlijke zaak. Het is dan ook te makkelijk om alles maar op ’die christenen’ te schuiven. Wat uit naam van een kerk 500 jaar geleden is gebeurd, is niet relevant voor de inhoud van het geloof
(Het is ook te gemakkelijk om de handen van het christendom maar schoon te wassen! Ook een manier van omzeilen. Maar in dit boek Volwassen Geloof gaat het trouwens helemaal niet om ”alles maar op die christenen af te schuiven”. Ik ben zelf een christen geweest en begrijp gelovigen maar al te goed; ze bedoelen het goed. Ik klaag dan ook de bijbel aan, en de christelijke leer.) - Samenleving van Liefde hier op aarde bereiken? Dat is gelukkig nooit het doel van ware christenen geweest. Jezus navolgen in afwachting van Zijn terugkomst, dat is het doel van echte gelovigen!
(Dit is jammergenoeg de grote waarheid over het christendom, vroeger en nu. De christenmens zonder enig verantwoordelijkheidsgevoel voor het grote geheel van de mensheid en het bestaan)
Geen andere uitweg dan de radikale
Iets wat voor ieder nu levend mens duidelijk is, is het feit dat de moderne wereld in zogoed als alles verschilt van de vroegere tijdperken. Er leven in deze moderne eeuwen meer mensen dan er zo ongeveer voor het jaar 1600 in alle tijden uit onze opgetekende geschiedenis tesamen geleefd hebben! Als de God van de bijbelse traditie de ware God is, dan heeft Hij in deze wereld geen aanhangers meer. Zelfs zij die zeggen hun geloof op de bijbel te baseren leven in een volkomen andere denkwereld dan hetwelk hun bijbel ze onderwijst. De moderne mens kan zich niet meer behelpen met de oude godsvoorstellingen: ”Godsdienst is belangrijk” wordt onderschreven door slechts 16% van de Britten, 14% van de Fransmannen en 13% van de Duitsers. Kerkbezoek is in Europa dramatisch afgenomen in Europa de laatste decennia, in de Scandinavische landen zelfs gedaald tot slechts 1-3%. (Institute for Social Research, University of Michigan, World Values Survey, 1995-1997). In Nederland zei in 1971 23 procent van de Nederlanders geen geloof aan te hangen, in 2004 was dat 40%. Laatstgenoemd cijfer zou nog hoger uitgevallen zijn, ware het niet dat de bevolking toenam met 5,3 procent moslims (1971 0,4% van de bevolking, 2004 5,7%)(Elsevier, De nieuwe atlas van Nederland, 24 april 2004). Het aantal niet-godsdienstige Nederlanders verdubbelde dus in ruim dertig jaar.
Ik blijf somber peinzen op welk punt in mijn leven ik nu terecht gekomen ben. Ik begrijp opeens de draagwijdte van het godsdienstige dilemma, de diepten van onze europese cultuur. Ik voel me op de meest afschuwelijke manier bedrogen door het orthodoxe christendom. Ik voel me ellendig. Als een mens geen antwoorden heeft kan hij zich wanhopig voelen. Maar veel erger is de toestand van iemand zoals ik die eens dacht de antwoorden te hebben, maar later inziet dat hij op een grove manier bedrogen was en met zijn ogen open blind door het leven ging. Lees hier het aangrijpende verhaal van een atheïstische theoloog, Ralf Bodelier, en denk je in wat een lange weg wij goedgelovigen hebben:
Soms kijk ik om in schaamte en verwondering. Was ik zo naïef? Heb ík dat allemaal gedaan en dat allemaal geloofd? De stap van gelovige naar atheïst, is alleen vergelijkbaar met ontwaken. Slaap je, dan weet je niet dat je slaapt. Ben je eenmaal ontwaakt, dan kun je je niet meer voorstellen hoe het was toen je sliep. Wel dat de slaap van de rede monsters baart.
Ralph Bodelier
Lees, nu we op dit punt van dit e-boek gekomen zijn, om het enigszins te kunnen begrijpen eens enkele woorden van een vurige prediker van het evangelie waar ik aandachtig naar luisterde toen ik jong was:
‘De Bijbel is het enige boek dat een uitweg uit de wanhoop van de moderne mens biedt, door hem een weg te wijzen hoe hij van zijn schuld bevrijd kan worden en hoe zijn relatie met God hersteld kan worden. Het is erg belangrijk in te zien dat de Bijbel in dit opzicht inderdaad volkomen uniek is. Geleerden hebben de klassieke werken van de antieke beschavingen en de heilige Oosterse boeken nagespeurd en zowel christenen als niet-christenen hebben erkend dat deze geschriften geestelijk dor zijn. De Koran van de Islamieten bestaat uit een grote hoeveelheid kaf, waarin enkele korrels tarwe verborgen zijn, ontleend aan de Bijbel. De Veda van de Hindoes, de Zendavesta van de Perzen, de Tipitaka van de Boeddhisten en de Confuciaanse klassieken van de Chinezen bevatten ‘onleesbare massa’s ballast, een vervelende en vermoeiende warboel, waarvoor onmogelijk belangstelling kan worden opgewekt’ (Harold St. John). Verscheidene van deze oude boeken vallen op door hun grove immoraliteit. Prof. Max. Muller durfde de boeken van de Hindoes niet letterlijk te vertalen om niet gearresteerd te worden wegens het publiceren van de meest obscene pornografie. Er is een niet te overbruggen morele kloof tussen de Bijbel en menselijke religieuze geschriften, welke alleen verklaard kan worden als we inzien dat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is.’
‘Maar denk er dan aan wat het grootste feit van dit alles is, het (volgens verschillende autoriteiten) best gedocumenteerde feit uit de hele geschiedenis. Dat is het feit dat Jezus Christus, de volmaakste Mens die ooit op aarde geleefd heeft, de Zoon van God, op de derde dag na zijn sterven is opgestaan uit het graf. Daar kun je niet om heen. Hij wil jouw leven binnenkomen, als jij de deur niet voor Hem gesloten houdt. Blaise Pascal zei eens: “Er is licht genoeg voor hen die willen zien”. Wil jij? Kijk niet naar wat de massa doet – de massa heeft nooit gelijk. Kijk naar wat je zelf bent.’ (Dr. W. Ouweneel in ‘Jeugd in een stervende eeuw’).
Nu ik wat langer rondloop op aarde is het voor mij onbegrijpelijk dat iemand die een stuk of drie keer gepromoveerd doktor is zulke ongelooflijk naieve dingen kan schrijven. De enige troost die ik uit dit feit krijg is dat ik het mezelf daardoor kan vergeven als jong mens ook zo naief te zijn geweest. Bovenstaande christelijke voorstelling is trouwens niet slechts naief, maar bovendien oneerlijk. De zin ”Het is het enige boek dat hem wijst hoe de mens zichzelf in overeenstemming met zijn persoonlijkheid vervullen kan”, slaat me nu ik boven de 40 ben in het gezicht. Hoe kan iemand het je volledig overgeven en laten inpakken door een boek dat duizend antieke leerstellingen opdringt in overeenstemming laten zijn met de vervulling van je eigen persoonlijkheid? Er is niets dat ik in mijn leven zo sterk gevoeld heb als dit: mijn persoonlijkheid is volkomen tegenovergesteld aan de godsdienst die mij opgedrongen is. Zoals Ouweneels schrijven laat zien begint het christelijk geloof met ’hoe iemand van zijn schuld bevrijd kan worden’. Er is niets dat zó indruist tegen mijn eigen persoonlijkheid als dit basisgegeven. Er vált namelijk niets te verzoenen tussen mij en God. Ik heb de God die deze wereld gemaakt heeft lief, en wil in deze wereld liefdevol handelen en denken. En als ik daarbij soms een steek laat vallen, dan doet dit helemaal niets af aan dit basisgegeven. Een mens houdt innig van zijn hond, terwijl hij best weet dat die hond af en toe kan bijten. En dan moeten we geloven dat God tot zo’n onvoorwaardelijke liefde niet in staat is? Dat wij bij God in schuld staan omdat wij als mens in de wereld zijn geboren? Deze gedachte dat liefde geen voorwaarden stelt draag ik in me vanaf mijn allervroegste jeugd; het is mijn diepste innerlijk. Het licht schijnt in mijn eigen innerlijk, en de bijbel heeft in mijn leven niets anders gedaan dan het proberen uit te doven en vies te maken. Het christelijk geloof maakt van zowel God als de mens een afzichtelijk gedrocht, en verdraait het menselijk leven tot het toppunt van onnatuurlijkheid.
Maar deze woorden nu na bijna 30 jaar opnieuw gelezen te hebben begrijp ik opeens de inleidende woorden tot Ouweneels boek die ik al eerder aanhaalde: ‘Miljoenen jonge mensen zijn gevangen in een afstervingsproces van deze eeuw dat zal eindigen in nihilisme en anarchisme. Dit proces is het gevolg van het moderne denken.’ Ik begrijp nu dat deze woorden niet slaan op de miljoenen mensen buiten het christendom, maar juist op de mensen die verstrikt zijn in het krampachtige, benauwde, conservatieve christendom! Het is een onderdrukt visioen in het brein van Ouweneel zelf. Hij is scherp genoeg om het instorten van zijn eigen denkwereld aan te voelen, is er zo bang voor dat hij zich met man en macht ertegen verzet met behulp van verkrampte opinies waaraan hij tegen beter weten in blijft vasthouden, om het instorten van zijn religieuze gedachtenwereld maar te voorkomen.
Wanneer zoals bij mij, na een half leven in zulke leugens geloofd te hebben, de ogen van zulke mensen eindelijk opengaan, is het gevaar wel zeer groot dat ze doorslaan naar een uiterste zoals nihilisme en anarchie en ongecontroleerde agressie. Hetzelfde is ook op te merken in de theologie van de Katholieken. Terwijl de Protestantse theologie al honderden jaren bezig was met het onderuit halen van de traditionele theologie en men er zich moeizaam, maar toch nog enigszins op kon aanpassen, bleven de Katholieken stevig op hun eiland van kerkelijke autoriteit, zekerheden en middeleeuwsheid, totdat in de zestiger jaren van de vorige eeuw opeens de dijk doorbrak. Vanaf die tijd heeft het er vaak op geleken dat vele Katholieke theologen er alles aan doen om zo buitenissig modern en revolutionair mogelijk te zijn. Het hele hebben en houwen van de kostbare interieurs van hele Katholieke kerken spoelt bij wijze van spreken de zee in. Alsof ze nog maar één waarde hebben: in het Guiness boek van records te komen. Zo is ook het moslimfundamentalisme en extremisme een uiting van wanhoop bij het aanzien van het instorten van de oude waarheden.
Een evengroot gevaar voor mij zal zijn dat ontmaskering van de waan, de naïviteit en het valse van traditionele theologische opvattingen de mens zo gemakkelijk vullen met een gemoed waarin minachting en arrogantie de boventoon voert. Het inzicht dat het in de godsdienst om theologische hersenspinsels gaat, die nu eindelijk achterhaald zijn door allerlei moderne feiten, geproduceerd door te werk gaan via een onwrikbare ’wetenschappelijke methode’, die ver uittorent boven het denken van vroeger, mondt dan gemakkelijk uit in een arrogantie die altijd denkt het beter te weten, maar die aan de diepere waarheden van het leven geheel voorbij gaat, en waaraan dieper inzicht volkomen ontbreekt.
Ik vond een paar woorden die Nietzsche ooit eens neerschreef en ik goed in mijn oren wil knopen:
Je vereert en veracht in je jonge jaren nog zonder de nuanceringskunst die de grootste winst van het leven is, en je moet er dan ook hard voor boeten mensen en dingen op die manier met je ja’s en nee’s te hebben overvallen…Later, als de jonge ziel, door louter teleurstellingen gemarteld, zich eindelijk argwanend tegen zichzelf keert, nog altijd vurig en wild, ook in haar argwaan en gewetenswroeging: hoe kwaad maakt zij zich dan, zij verscheurt zichzelf van ongeduld, zij neemt wraak voor haar lange zelfverblinding alsof deze vrijwillig was gekozen! In deze overgangsfase straf je jezelf door je gevoel te wantrouwen; je foltert je enthousiasme door twijfel, je voelt zelfs een goed geweten al als een gevaar, als weer een soort jezelf voor de gek houden; en vooral kies je partij, principieel partij tegen ’de jeugd’.
-Tien jaar later: en je begrijpt dat ook dit alles nog – jeugd was!
Voorbij goed en kwaad, §31
Ik zal me moeten wapenen tegen al deze gevaren. Het zal me niet gemakkelijk vallen in dit tweede deel van mijn boek en in dit tweede deel van mijn leven, zoveel is zeker.
Het zal zo’n persoon niet gemakkelijk vallen indien hij zijn persoonlijke worsteling niet voor zich houdt en opgedane inzichten begint uit te dragen. Iemand zoals professor Vermeersch krijgt (op het internet) voortdurend te horen dat hij haatdragend is, intolerant, zich traumatisch afzet tegen zijn verleden, op revanche belust is enz. Iemand noemt hem een ’beschamende mestkever’ (belgen zijn taalkunstenaars zullen we maar denken). Hopelijk vindt deze man ook de volgende beschrijving over zijn optreden:
”Er was eens een sergeant die ’s nachts over het kazerneterrein liep en trek had in een sigaret. Hij ontdekte echter dat hij geen vuur bij zich had. Toen zag hij iemand lopen, een van zijn soldaten die eigenlijk al op bed had moeten liggen, zo schatte hij in. Hij besloot de man eerst om een vuurtje te vragen en vervolgens op zijn donder te geven. Met irritatie in de stem riep hij de man: ”Hee jij! Hierkomen!”
De man loopt rustig op de sergeant toe. ”Heb je vuur?!” Rustig stak de aangesprokene een lucifer aan, en toen schrok de sergeant zich dood; het was niet een ondergeschikte die hij zo zat af te blaffen, maar de generaal. De sergeant stamelde wat verontschuldigingen, maar de generaal stelde hem gerust: ”Wees maar blij dat ik de luitenant niet ben!”
Deze mop gaat niet alleen over een generaal, maar een generaal heeft hem ook aan mij verteld. Het verband met Vermeersch is, dat een ware grootheid, hetzij militair of intellectueel, zich niet laat verstoren door kritische speldenprikken van mindere goden. Op onze website laten we ons vaak kritisch uit over skeptici, en soms zelfs met enige irritatie en bitterheid, moeten we toegeven. Vermeersch blijkt hier mijlenver boven te staan, en spreekt ons aan op de inhoud.
Dit is ware grootheid, en hierbij complimenteren en danken wij prof. Etienne Vermeersch voor zijn bijdragen.”
Scepsis watchers
Om te beginnen zal ik Ouweneel en alle andere leermeesters met groot charisma die ik heb gehad vergeven voor het verkondigen van zoveel zekerheden. Ze zijn allemaal mensen zoals ikzelf, en zijn op zoek naar houvast en goedheid in het leven. Ik merk via het internet op dat Ouweneel inmiddels ook bepaalde dingen op een andere manier bekijkt. Ach, wat heb ik te doen met zo iemand als Ouweneel die zich liever van de ene naar de andere kromme bocht van het geloof begeeft en zo ongeveer bij het uitspreken van de naam Jung al met furore door zijn geloofsgenoten aangevallen wordt, dan zich er volkomen uit bevrijdt en eindelijk als een vrij man de heerlijke frisse lucht van het leven mag inademen.
Als eerste waarheid van ’diep inzicht’ zal ik hiermee komen: Weg die malle zogenaamde zekerheden over het luchtledige! Weg met de tiran van het leven, de zwarte bijbel! Weg uit de enge kring van mensen die zich in alle ernst ’gemeenschap der heiligen’ noemen. Word weer mens, dwz. behoor slechts tot één gemeenschap: de wereldgemeenschap!
Psalm 1 van de 21ste eeuw
Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie wedergeboren denkt te zijn.
die de weg van de ware gelovigen niet betreedt,
die bij vrome antwoordapparaten niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in altoos voor nieuwe raadsels te staan
en altijd recht wil doen aan zijn oprechte eigen menszijn,
of nu de zon schijnt, of de maan.
Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Iedere dag draagt hij vrucht,
zijn bladeren zijn altijd vers.
Alles wat hij aanraakt, komt tot bloei,
overal waar hij ademt is frisse lucht.
Zo niet de verlosten!
Zij zijn als kaf,
dat hier op aarde zaad van verdeeldheid rondpreekt,
dat in een hiernamaals betaald wil worden voor liefde,
en nooit verzuimt een God te prediken van straf.
Vromen houden niet stand in het gezelschap van waarachtig menszijn,
Dogmatici niet waar eerlijkheid van denken heerst.
God zegent de weg van de mens die zijn God kastijdt,
de weg van de deugdzamen loopt dood,
en die van de zekerweters is het hardleerst.
Psalm 129 van de 21ste eeuw
Dikwijls werd ik gekweld, van mijn jeugd af aan,
– vrije mensen, blijf het herhalen –
dikwijls werd ik gekweld, van mijn jeugd af aan,
maar gebroken heeft het bijbelse geloof mij niet.
Men trok hun bijbelploeg diep over mijn onderdanige rug,
tallozen maakten lange voren, van Genesis tot Openbaring.
Maar God woonde niet in heilige boeken,
ik vond eerlijkheid van denken en sneed de riemen van de vrome drijvers door.
Beschaamd deinzen in deze eeuw terug
allen die de vrije geest haten,
ze zijn als gras op de daken,
gras dat verdort nog voor het bloeit:
de moderne maaier vult er zijn hand niet mee
noch de ontwikkelde schovenbinder zijn armen,
geen achteloze voorbijganger zal zeggen:
’moge God uw bijgeloof waar het bloed van af druipt zegenen’.
Ik ben rechtop gaan staan,
en zegen het mondig denken van de 21ste eeuw.

