16


De haute cuisine van gebakken spinnenpoten

We komen nu op wat misschien het dieptepunt is in de verhandeling van Ouweneel, en wat ik daarom tot een hoogtepunt in mijn betoog wil maken. In zeven bladzijden zet Ouweneel even neer dat de Bijbel het Woord van God is. Hij doet dit op een wijze die ik beslist een intelligent mens onwaardig zou noemen. De redenering gaat als volgt:

Ik acht het voor de hand te liggen dat, als er een God is die Zich aan de mens wil openbaren, Hij Zich niet alleen steeds weer opnieuw aan heel verschillende mensen op heel verschillende manieren openbaart, maar ook aan de hele mensheid op een wijze die aannemelijk en eenduidig is voor alle mensen die ervoor openstaan.

Kan een argumentering nog meer strompelen?

1. Indien we de Bijbel moeten geloven heeft God zich nooit geopenbaard aan ”de mensheid”. Van Noach tot aan Abraham liet Hij het gehele menselijke geslacht aan zijn lot over zonder van Zich te laten horen. Ten tijde van Abraham hield Hij zich bezig met één persoon, later één familie, terwijl Hij alweer de gehele rest van de wereld zonder openbaring liet. Weer wat later hield Hij zich bezig met één volk (hetgeen Hij overigens ook al weer 400 jaar aan zijn lot overliet zonder er ook maar enig belang in te stellen), en alweer liet Hij de rest van de wereld volkomen aan zijn eigen lot over. Ten tijde van het christendom liet Hij zich zien aan een handvol mensen; Hij werd bovendien opeens geïnteresseerd in het lot van de gehele mensheid, en zelfs dat was in het begin nog maar een twijfelachtige zaak waarover druk geredetwist werd, en alweer liet Hij het merendeel van de wereld eeuwenlang wachten op de openbaring, de Amerikanen zelfs 1500 jaar. Bepaalde volken hebben zelfs tot op de dag van vandaag nog steeds nooit iets van Hem vernomen! En dan heeft Ouweneel het lef te praten over ”zich openbaren aan de gehele mensheid”??


2. Tot overmaat van ramp zitten we via deze manier van openbaren (via de mond van mensen) met het onoplosbare probleem te moeten uitzoeken wat nu weer wel en wat nu weer niet een goddelijke openbaring is. De abrahamitische godsdienst puilt uit van de mensen die zogenaamd Godsopenbaringen kregen, en waar we dan ons gehele leven over kunnen redetwisten of ze nu wel of niet geïnspireerd zijn, zoals een Mohammed, een Jozef Rulof of Joseph Smith of een boek van Henoch, een evangelie van Thomas, een Apocalyps van Petrus.


3. Zelfs wanneer men het erover eens is wat tot de openbaring behoort, dus zelfs binnen één boekgodsdienst, hebben we weer een waaier van verschillende opvattingen over de juiste interpretatie van het heilige woord, en zit men elkaar eeuwenlang in de haren, kan men zelfs niet door één en dezelfde kerkdeur naar binnen gaan. Wie, terugkijkend op het christelijk geloof alleen al, kan wat anders doen dan somber zijn hoofd schudden dit door de boekgodsdienst gecreëerde primitieve menszijn en gekrakeel aan te zien?


4. Indien een lezer nóg niet door heeft dat de boot van Ouweneel volledig lek is, dan hier nog het volgende argument: wat tot ”openbaring” of ”het Woord van God” is uitgeroepen door de tak van geloof die hij representeert, staat vol met geschriften die niet eens de claim maken door God geïnspireerd te zijn, denk alleen maar eens aan Ruth, Hooglied, Spreuken, Psalmen, Klaagliederen, Prediker, Ezra, Nehemia, Ester, sommige brieven van Paulus en waarschijnlijk nog meer boeken die ik over het hoofd zie! Kan de boot nog lekker zijn?

Bovenstaande feiten overziend vraagt iedereen zich werkelijk af waar in vredesnaam Ouweneel het gezond verstand vandaan haalt om een boek en openbaringen aan bepaalde uitverkoren individuen ”voor de hand” te zien liggen als goddelijke manier van communiceren. Hij merkt natuurlijk meteen op dat de Koran gemakkelijk te ontmaskeren is als een verdraaiing van de Bijbel, wie weet zegt hij van Lou de Palingboer hetzelfde, maar van de orthodoxe en zeer geletterde Jood die van het christelijke Nieuwe Testament zegt dat het een verdraaiing is van het Oude Testament komt hij nooit af met redeneringen, hoe intelligent die redeneringen ook zouden zijn. Zoals Kuitert eens schreef in zijn boek over Jezus:

Als toevoeging aan de godkennis van het jodendom is Jezus voor geen enkele jood noodzakelijk of profijtelijk.

Boekgodsdienst is eenvoudig het beste recept voor één en al ellende en tweestrijd in de wereld. Hierover is zoveel geschreven, en de argumenten voor deze stelling zijn zó onvoorstelbaar zwaarwegend en talrijk, dat ik niet eens de moeite neem de stelling hier verder te verdedigen. Iemand die het niet ziet is ofwel geestelijk ingeslapen ofwel niet voor rede vatbaar.

Vervolgens gaat Ouweneel op de toer van het karikaturiseren van atheïsten:

Atheïsten hebben strikt genomen ook geen behoefte aan rationele argumenten voor of tegen het goddelijk karakter van de Bijbel. Zij geloven toch al niet in het bestaan van God, dus een vermeend goddelijk karakter van de Bijbel zegt hun bij voorbaat al helemaal niets. Goed, dat kan ik begrijpen. Maar wat ik niet kan begrijpen én niet kan aanvaarden, is dat atheïsten eens in de Bijbel geneusd hebben, er stukken in gelezen hebben, stukken die hun niets zeiden of die ze zelfs veroordeelden -zonder in staat te zijn die stukken in het geheel van de Godsopenbaring te evalueren- om vervolgens het vermeende goddelijke karakter van de Bijbel ronduit belachelijk te maken door te wijzen op allerlei ’tegenstrijdigheden’, ’immorele’ elementen, ’ridicule’ leringen, of ongegronde conclusies uit de Bijbel. Gewoonlijk zijn dit soort tegenwerpingen gebaseerd op de eigen onkunde. Ze horen ’valse noten’ zonder iets van muziek te begrijpen.

1. Het is denk ik in de discussie met geen enkele ongelovige lezer bevorderlijk hem/haar uit te maken voor iemand die uit onkunde praat en enkel uit is op ridiculisering. Indien Ouweneel hoopte dat hij een vruchtbaar gesprek zou kunnen aangaan met een atheïst, dan heeft hij het op dit moment wel onmogelijk gemaakt. Het staat ongetwijfeld buiten kijf dat er wel atheïsten zullen zijn die weinig of niets van de Bijbel weten, net zo goed als er mensen zoals Ouweneel zijn die er blijk van geven weinig of niets begrepen te hebben van atheïsme, en net zo goed als we kinderen om ons heen hebben die nog nooit van Sibelius hebben gehoord en lachen wanneer ze een operazanger voor tien seconden aanhoren. In een discussie moet men onkunde m.i. opmerken en rechtzetten op het punt waar men het tegenkomt, zoals ik ergens opmerkte dat Ouweneel weinig of geen kaas gegeten heeft van Feuerbach en Nietzsche, en in bovenstaande passage laat zien dat hij überhaupt van atheïsten weinig idee heeft. In een algemene uiteenzetting waarom men theïst of atheïst is moet men zich echter enkel meten met de meest deskundige tegenstanders. Ouweneels boek zou pas interessant geweest zijn wanneer hij zich de denkwereld van de Essentie van het Christelijk Geloof van Feuerbach en De Antichrist en Zarathoestra van Nietzsche volledig had eigen gemaakt, zoals een pianist zich de Hammerklaviersonate van Beethoven eindeloos heeft eigen gemaakt voor hij het ten gehore geeft aan publiek en dan na afloop van zo’n concert het publiek tóch kan zeggen en laten horen dat er wel betere muziekstukken bestaan. Als Ouweneel dat gedaan had, dán zou ik mijn pet voor hem hebben afgenomen met zeer diep respect.


2. Ik lees het vervolg van Ouweneels betoog en hoor dat hij verstand heeft van de grondtekst, elk vers kent, de zaken al 50 jaar bestudeerd heeft, over elk hoofdstuk gepreekt heeft, professor in de dogmatiek is, en zich dus de haute cuisine van het Bijbelse gerecht volledig eigen heeft gemaakt, plus nog Bruckner, Mahler, en Bourgogne, en begin nu de irritatie van Henk Hoksbergen beter te begrijpen. Moet ik nu ook in de zandbak gaan spelen en met m’n emmertje zand en schopje parmantig als een kefhond tegen hem zeggen dat ik theoloog ben en musicus, en het Johannesevangelie ooit uit m’n hoofd kon opzeggen, en zelfs weet in welk jaar Ravel zijn pianotrio in a-kleine terts en Sjostakowitsj zijn pianotrio in e-kleine terts geschreven heeft, Mika Waltari in de grondtekst lees en zelfs weet dat ’zandbak’ in het Fins ’hiekkalaatikko’ is, de Finse woorden valita, valittaa, välitä, välittää, väli en vaali, valitus en välitys perfect van elkaar kan onderscheiden, het geheim van Esa-Pekka Salonen ken en een liter Finse volle melk per dag drink? Ik vind het jammer tot zoiets gedwongen te worden en kan het daarom nu niet laten hem te zeggen dat ik over elk hoofdstuk in zijn boek diep teleurgesteld ben. Ieder hoofdstuk is een niemandalletje van een paar bladzijden over een zaak die hij tien maal zo lang had moeten behandelen om serieus genomen te kunnen worden. Zijn perikopen en grondteksten hebben hem geen jota geholpen in zijn boek: als er iets is wat opvalt in Ouweneels betoog is het wel dat hij in het hele boek bijbelteksten zoveel mogelijk gemeden heeft. Ook kom ik nergens antwoorden tegen op een meer dan tweehonderd jaar lange stroom van theologen van naam die zeer verontrustende zaken aan het licht hebben gebracht aangaande die bijbel. Kan een intelligente christen echt deze bibliotheek aan inzichten zonder blozen en blikken volkomen negeren? Blijkbaar wel als het hem enkel te doen is om voor eigen parochie te spreken en hij enkel in een schijngesprek met ongelovigen gewikkeld is. Handig. Dan kun je net doen alsof de tegenpartij helemaal nooit wat te melden heeft.


Als mijn muziekcarrière me iets heeft bijgebracht is het wel dit: voordat je publiek ook maar één muziekstukje ten gehore brengt, laat het iets zijn wat door jezelf onovertroffen is, waar je geest tot de laaste druppel in zit. En een componist doet het zoals Sibelius het deed: twintig jaar worstelde hij met zijn achtste symfonie. En toen het af was bekeek hij het nog eens, woog het en vergeleek het met zijn vorige prestaties. En op een sombere avond midden in de oorlog ging hij voor het haardvuur zitten, scheurde de partituur bladzijde voor bladzijde los en gooide het in het vuur. Pas wanneer iemand begrijpt dat je zo hard tegen jezelf moet zijn is hij een schepper en heeft hij iets begrepen van het goddelijke. De conservatoriumdiploma’s zijn enkel een bijkomstigheid en komen eenvoudig nooit ter sprake.


3. Het feit dat de bijbel tot zo’n haute cuisine behoort, een boek is uit een vervlogen cultuur die de moderne mens niet meer kan bereiken, geschreven in talen die inmiddels dood zijn, en een wereldbeeld ademt dat geen enkel raakvlak meer heeft met de tegenwoordige wereld, is een reden te meer in te zien dat de goddelijke zaken niet in een boek neergezet kunnen worden. Wat is nou een schaapherder voor Eskimo’s, wat weten Finse vrouwen over zwijgen en de man als hun hoofd, wat moet een werknemer bij Nokia die net gehoord heeft dat de CEO van Nokia vorig jaar 3,4 miljoen euro in eigen zak stak, nu met Paulus’ vermaningen over de slaven, wat moeten wij moderne mensen met bloedoffers, besnijdenissen, een ’eniggeboren zoon van God’ en een duivel van een moeilijke soort om uit te werpen? Wat moet een modern mens met ”Rijdend op een lichte wolk spoedt Jahweh zich naar Egypte, de goden van Egypte zullen voor Hem beven”? Wat in vredesnaam moet een modern mens met ”Profetie over Duma. Vanuit de Seïr roept men naar mij: ’Wachter, hoe lang nog duurt de nacht? Wachter, hoe lang nog duurt de nacht?’ En de wachter antwoordt: ’De morgen komt en ook de nacht. Wilt u iets vragen, kom dan nog eens terug en vraag het”?? Wat bezielt een gelovige iedere dag een boek te lezen waarin zulke dingen staan als: ”Jahweh verwoest de aarde en slaat haar kaal, Hij ontwricht haar en verstrooit haar bewoners. De aarde wordt geheel verwoest en volkomen leeggeplunderd, want Jahweh heeft aldus gesproken. Ze hebben de voorschriften overtreden, hebben haar eeuwig verbond verbroken. Daarom moeten haar bewoners boeten.” Aan welk een storing moet men lijden om zoiets als het volgende tot Gods Woord uit te roepen? ”Wee Ariël, Ariël, stad waar ooit David zich legerde. Rijg de jaren aaneen, vier de kringloop van feesten. Maar Ik zal Ariël in het nauw drijven. Je zult roepen diep onder de grond. Want Jahweh van de hemelse machten zal ingrijpen, met donder, aardschokken en oorverdovend lawaai, met wervelende stormen en een verterende vlammenzee. Als een angstdroom, een visioen in de nacht…” Hoe bizar hoofdstuk na hoofdsstuk in dit braaksel van de menselijke geest te willen zwemmen? ”Jahweh zelf komt van ver, in brandende toorn: uit Zijn neus stijgt dichte rook omhoog, vervloeking ligt op Zijn lippen, zijn tong is als een verterend vuur, zijn adem als een kolkende watervloed…in grimmige toorn, met wolkbreuken, stortbuien en hagelstenen. Zijn stem zal Assyrië verlammen…als een stroom van zwavel steekt de adem van Jahweh hem in brand.” ”Beef, jullie zorgelozen, sidder, jullie die vol vertrouwen zijn.” ”De volken zullen branden als in een kalkoven, in vlammen opgaan als weggekapte doornstruiken.” ”Jullie die ver weg wonen, hoor wat Ik gedaan heb, en jullie die dichtbij wonen, erken Mijn kracht. De zondaars in Sion sidderen, de goddelozen door angst bevangen: ”Wie van ons kan wonen in verterend vuur? Wie kan wonen in vuur dat eeuwig brandt?” ”Jahweh zal optrekken als een krijgsheld, als een aanvoerder wakkert Hij de strijdlust aan. Hij blaast alarm, Hij slaakt een strijdkreet. Heldhaftig verslaat Hij zijn vijanden.” Er is één zin die ik vind (alle teksten waren uit het heilige boek Jesaja) die ik de gelovigen inderdaad als een wijsheid aan kan bieden: ”Doven, luister! Blinden, open je ogen en zie! Is er ooit iemand zo blind bevonden als Mijn dienaar, zo doof als de bode die Ik gezonden heb?”


Ouweneel eet wat de haute cuisine betreft graag weer van twee walletjes, want even later merkt hij weer op dat de Bijbel juist ook zo toegankelijk is voor de onopgeleide mens. Nu luidt het opeens weer dat intellectuele bagage ook een barrière kan zijn. Het moest zeker even geschreven worden zodat de evangelische achterban zonder hoge opleiding aan de haute cuisine geen aanstoot zou nemen en ook een puntje meekrijgt.


4. Maar nu de crux: juist omdat de Bijbel voor mij de haute cuisine was, het hoogste van het hoogste, waarin ik me met al mijn kracht en al mijn intelligentie en al mijn liefde jarenlang op stortte, juist omdat de Bijbel het boek der boeken moest zijn, de onovertroffen hoogste traptrede van menselijk filosofisch en visionair denken, de goddelijke openbaring, dwz datgene wat ál het menselijk denken veruit overtreft, de beste menselijke moraal, dwz. waar niemand in alle eeuwen ooit meer iets aan zou kunnen verbeteren, de meest fantastische intellectuele zaak waarmee je in je leven bezig kan zijn, dwz. waar geen mens ooit nog iets van belang aan zou kunnen toevoegen, juist omdat ik dat alles volkomen geloofde en me er tientallen jaren trouw aan overgaf en in verdiepte, totdat iedere haak en oog en jota eruit mij bekend was, kortom, juist omdat ik een muziekexpert ben, dáárom is de bijbel zo daverend naar beneden gevallen en klaag ik de bijbel aan als de hoogste godslastering die men in onze tijd maar kan bedenken, klaag ik de christelijke godsdienst aan met zo’n dik dossier aan materiaal en zo’n intense aanklacht dat het me al zes jaar lang dag en nacht bezig houdt en niets anders te doen geeft, en ik een soortgelijke Hammerklaviersonate tot nog toe door geen enkele nederlandse atheïst heb zien voordragen. Ik ben het wél in Nietzsche tegengekomen. Juist omdat ik en hij in ons leven fijnproevers waren, en de hele denkwereld van het menselijk denken bij langs zijn gegaan op zoek naar goede gerechten en fantastische muziekstukken, ook het atheïsme waar u aan voorbij bent gegaan, en alle voorradige klanken en smaken geleerd hebben te verstaan en te leren eten, dáárom stijgen mensen zoals wij boven u uit en hebben we een veel wijdser uitzicht, en laten we u in het spinnenbos achter met uw heilige bijbel. U mag dan het idee hebben dat u met een haute cuisine van doen hebt, maar wij zien u opgesloten zitten in een heel klein keukentje met spruitjeslucht, waarin enkel zout en gebakken spinnenpoten als kruid dat de smaak wat moet vergroten, voorhanden is.

Als laatste punt van dit hoofdstuk gaat Ouweneel over op de stijl van de propagandist die op de kansel staat:

Als je alleen geestelijk brood wil om van te leven – lees de Bijbel. Als je jezelf wilt onthalen op het grootste geestelijk-culinaire festijn – lees de Bijbel. Het eerste kan zelfs het kleine kind in het geloof; voor het tweede is een behoorlijke training nodig. De pasbekeerde kan zó beginnen te ’eten’ – en de diepst ingewijde lezer zal altijd weer nieuwe gerechten ontdekken, die men soms moet leren eten, maar die dan ook de grootste voldoening opleveren.

Tsja, ik heb ook wel eens zo gelogen toen ik tegen Nederlanders over het ’prachtige’ Finland en haar ’heerlijke’ gerechten vertelde. De Goddelijke Komedie is zo groot als de behendige uitgedoste hansworst in Nietzsches Voorrede van Zarathoestra maar kan opvoeren. Er staat beneden altijd wel een meute zich te vergapen aan je acrobatiek.
Als voorbeelden van bijbels meesterschap noemt Ouweneel het boek Job en de brief aan de Romeinen. Wat het laatste betreft schrijft hij – lyrisch als de beste dominee – iets wat ik wel aardig vind:

Het was het bijbelboek dat die grote geest, Augustinus, van een heidense losbol tot de grootste van alle christelijke denkers uit de oudheid maakte. Het was het bijbelboek dat in de geleerde monnik Maarten Luther een geweldige ommekeer teweegbracht, die uiteindelijk leidde tot een religieuze én culturele revolutie in heel Noordwest-Europa, en van daaruit in de hele wereld…Wellicht zal er eens weer een nieuwe generatie opstaan die dankzij een geniale geest opnieuw op geheel frisse wijze door dit boek geïnspireerd zal worden.

Mooie uitdaging! Die ik in 2005, hetzelfde jaar dat Ouweneel zijn boek schreef, zonder er erg in te hebben opgepakt heb. Hier volgt de frisse aanpak van de Romeinenbrief waar Ouweneel zo naar uitkijkt. Uiteraard hoef je voor de moderne brief van Paulus die Paulus naar de Romeinen stuurt niet geniaal te zijn, net zo min als de oorspronkelijke schrijver geniaal was; het enige wat benodigd was, was iemand die de brief las door een atheïstische bril en hem daarom dieper kon verstaan dan ooit alle gelovigen verstonden:

1 Van Rereformed, dienaar van de mensheid, evenals ieder ander mens geroepen tot hoogwaardig menszijn, vervuld met het verlangen de mensheid hiertoe op te roepen: dat de stem van het geweten, zoals die alle eeuwen in ieder mensenhart geklonken heeft, maar waarvoor velen doof geworden zijn, door het onvoorwaardelijk uit te leveren aan openbaringsgodsdiensten, daadwerkelijk in de moderne wereld gehoord mag worden. Mijn mond is volwassen geworden opdat ik een stem mag geven aan de jongste van alle deugden op aarde: absolute intellectuele eerlijkheid. Ik verkondig u de weg naar de wereld van de toekomst, de weg van mondigheid, inzicht en vrede, die alle mensen van het aardrond afleggen zullen, tot eer van het leven. Levenslust en vrede zij met u allen.

Allereerst ben ik dankbaar voor alle nieuwe kennis die er in de wereld verworven is sinds mijn vorig schrijven. De God van het hoogste denken, die ik vol overgave dien, is mijn getuige dat ik ten alle tijde begaan ben met het lot van deze wereld. Altijd vraag ik mij af of ik de wereld van de toekomst nog smaken mag, want ik verlang ernaar daarin te wonen, om van die wereld te leren en daardoor in dit leven bemoedigd te worden. U moest eens weten hoezeer ik verlang naar de Bovenmens, maar duizenden jaren lang ben ik verhinderd hem in mijzelf te zien. Ik sta nog steeds ten dienste van alle volken, van beschaafde en niet beschaafde, van geletterde en ongeletterde. Maar nu mijn inzicht is toegenomen, is het bovenal mijn wens diegenen die in heilige boeken verstrikt zijn het denken van de toekomst te leren.

Voor mijn nieuwe boodschap schaam ik mij niet, want de godsdienstige boodschappen van het verleden hebben in onze wereld tientallen eeuwen verdeeldheid en onverdraagzaamheid gezaaid, onschuldig bloed vergoten, van boeken en mensen afgoden gemaakt en bijgeloof uitgeroepen tot hoogste deugd. Mijn nieuwe boodschap is een reddende kracht voor allen die in dezelfde geest aan de slag willen gaan, allereerst voor de Europeanen, die al honderden jaren met verlicht denken bezig zijn, maar ook voor alle andere volken. Vroeger dacht ik dat God zich slechts aan uitverkorenen openbaarde, maar nu weet ik dat licht in ieders mensenhart schijnt. Wat men vroeger vriendschap met God noemde is eenvoudig equivalent van liefde voor het leven, en vraagt om niets meer dan een oprecht hart. Al het andere, jaloersheid, boosheid en wraakzucht, onrecht en kwaad, onverschilligheid, gemakzucht, cynisme en fanatisme, gedachten aan een straffende en zich wrekende God, zogenaamde eisen, uitspraken en optreden van God in heilige boeken, tot dogma’s uitgeroepen bijgeloof in bovennatuurlijke wonderen, en partij- en heerszucht, al dit andere zal de mensheid altijd het opstijgen beletten. Mensen die zo de waarheid geweld aan doen en het bestaan besmeuren zullen een wereld oogsten die ze zelf zaaien, dezelfde treurige wereld die we in onze eeuwenlange christelijke geschiedenis achter de rug hebben.

De onzichtbare grootsheid van het bestaan is vanaf de schepping van de wereld zichtbaar. De natuur en God zijn één. De hoogste realisatie van de goddelijke essentie is het leven, de hoogste uiting in de natuur van goddelijke macht. En de hoogste uiting van het leven is de levensvorm die zich van het goddelijke bewust is. Er is daarom niets waar wij ons voor zouden moeten verontschuldigen, want het goddelijke heeft zich juist geopenbaard in onze menselijke geest, het verstand dat waarneemt en begrijpt. Ons inzicht in zowel onze innerlijke natuur als in de natuur om ons heen is met het verstrijken van vele eeuwen gaandeweg groter geworden. Terwijl wij mensen vaak in het duister tasten, zijn we toch veelal wijs en hebben we ondanks alle afschuwelijkheden die er in het leven plaatsvinden steeds het goddelijke weten te ontwaren. De weg van de mens gaat naar steeds hogere vormen van inzicht en kennis. De wet van het leven gebiedt van eeuw tot eeuw onze weg te gaan door onszelf opnieuw en opnieuw te overwinnen en te bevrijden. Wat wij ook scheppen en hoe innig wij het ook liefhebben, – alras moeten wij tegenstander hiervan en van onze liefde zijn: zo wenst het onze wil. Daardoor zijn talloze leugens de wereld uit verbannen en wordt steeds meer waarheid ontdekt. De geest in de mens doet ons altoos verlangen naar het heilige, dwz naar toenemend inzicht in het bestaan. Dit uit zich in steeds eerbarer doelstellingen en steeds hoger ontwikkelde vormen van macht. Wij moderne mensen hebben afgodsbeelden en afgodsboeken van ons afgeschud. We hebben met pijn en moeite geleerd elkaar in onze verscheidenheid te verdragen, en zien eindelijk in dat andere ziens- en handelswijzen slechts verschillende trappen van zich ontwikkelende rationaliteit zijn, in overeenstemming met de veelkleurige wijsheid die we overal in de levende natuur aantreffen. De wereld is vol rechtvaardige en goedaardige mensen. Velen zijn in het geheel niet meer moordzuchtig en afgunstig. Zij zijn de dweepzucht volledig verleerd, en hebben hun zinnen op hogere doelstellingen gericht.

Hoewel wij moderne mensen nu weten dat er geen straffende en zich wrekende God bestaat zijn er jammergenoeg nog steeds die net als de oermens van duizenden jaren geleden in vrees, beven en bijgeloof op een ingebeelde God zien. Sterker nog, deze mensen denken als enigen de hoogste menselijke waarden te kunnen vertellen en keuren alles af wat met hun uit de brons- en ijzertijd stammende godsdienstige zienswijzen niet overeenkomt.

2 Natuurlijk, u hebt geduld met deze mensen. U herinnert u zich maar al te goed hoe moeilijk het was om zelf op hoogwaardiger zienswijzen te komen. Daarom hoeden wij ons ervoor anderen te zeer te veroordelen; De dingen die wij niet graag zien, deden we eens zelf ook; weer andere zaken waar wij ons eens druk over maakten zijn volstrekt onbenullig. Maar weet ook dat onverschilligheid tegenover dwaasheid dwaasheid juist voedt. Vanwege die reden open ik mijn mond: Er is geen God die mensen beloont naar hun daden, maar ieder mens is de oorsprong van zegen of vloek voor zijn nageslacht. Wie zich overgeeft aan versten-liefde, aan absolute intellectuele eerlijkheid en wil tot de hoogste menselijke kennis zal een brug zijn voor de mens van de toekomst. Wie schept en het goede doet bereidt een betere wereld voor. Maar wie de waarheid niet eerbiedigt, zich niet laat leiden door de wetenschap, noch zichzelf zijn leven lang opvoedt, maar met allang achterhaalde denkbeelden uit het verre verleden blijft rondlopen, zal het nageslacht laten zitten in armetierig bijgeloof, boosheid jegens anderen en angsten voor het leven. Iedereen die zo blijft leven wacht innerlijke benauwdheid en zelfgecreëerde ellende, in de eerste plaats de Europeanen, die nu beter zouden moeten weten, maar ook alle andere volken. Iedereen die het hoogste nastreeft en zichzelf nooit spaart bereidt de aarde toe tot eer en glorie en vrede.

Allen die inzicht en wijsheid hebben opgedaan behoren daarnaar te leven. Niet wie deze dingen slechts aanhoort zal vrucht dragen, maar wie er daadwerkelijk conclusies en daden aan verbindt en zichzelf steeds overwint. Gelukkig zijn er weinigen die bovenstaande nog steeds niet begrijpen, omdat ieders modern denken deze dingen al helder genoeg uitlegt. Er zal dan ook een dag aanbreken waarop deze wereld een geheel ander aanzicht heeft dan nu.

En nu u die uzelf christen of moslim noemt, op uw heilige boeken vertrouwt en u op God laat voorstaan; u die zogenaamd Zijn wil kent en zo uitstekend weet waar het op aan komt, omdat u dagelijks wordt onderwezen door heilige teksten; u die ervan overtuigd is dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in uw heilig boek de belichaming van de kennis en de waarheid denkt te hebben – u die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel? U zegt lief te hebben, maar hebt nooit begrepen dat liefde niet verbonden kan worden aan loon en vergelding. U zegt dat men geen overspel mag plegen, maar vanwege het krampachtig verdringen van seksualiteit wordt uw innerlijk verteerd van sekszucht. U verafschuwt afgoden, maar hebt zelf van uw heilige boek de grootste afgod gemaakt die de wereld ooit gekend heeft. U laat u voorstaan op de Heilige Geest, maar hebt alle eeuwen door zelf niets anders gedaan dan Gods Geest tot een aanfluiting te maken. Er staat zelfs in uw eigen boek geschreven: ’Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’ En elders staat geschreven: ’Noem die namen Jezus en God niet; zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narreklederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden.’ U predikt eerlijkheid, maar vanwege de dogma’s waar u in moet geloven bent u als gelovige in uw eigen denken nog nooit echt eerlijk geweest. Dat u gedoopt bent heeft geen enkele positieve zin, omdat uw doop gelijk staat aan het uitzaaien van verdeeldheid in de wereld. Wanneer iemand niet gedoopt wil zijn en niet aan uw bijgeloof deel wil nemen, besmeurt u zijn optreden door te zeggen dat hij God niet kent, of zelfs door hem goddeloos te noemen. De ongedoopte zal het oordeel over u christenen uitspreken, al hebt u nog zo’n geweldige bijbel en nog zo’n geweldig geloof. Gelovige zijn heeft namelijk niets met leringen uit boeken en rituelen te maken, maar is eenvoudigweg de levenshouding van iemand die ter ere van het bestaan wil leven, dwz in alles het hoogste zoekt dat hij of zij als mens bereiken kan.

3 Wat hebben christenen en moslims dan nog voor op anderen? Heeft het enig zin zich op een boek te beroepen dat haat, onbegrip, verdeeldheid en bijgeloof in de wereld veroorzaakt? Natuurlijk niet! Het zijn dus juist de joden, christenen en moslims die als laatsten het woord van God zullen verstaan. Wanneer gelovigen er dus zó voorstaan, wat zullen wij dan zeggen? Maakt dit geen poppenkast van God? Wellicht. Maar zoals gezegd is God de afspiegeling van ons hoogste denken, en kunnen wij weinig anders dan er alle eeuwen naar luisteren. De grootsheid van de Schepping laat zien dat wij mensen van moderne tijden over God als entiteit volkomen dienen te zwijgen, en van nu af aan slechts naar ons verstand en geweten dienen te luisteren. Ons verstand onderwijst ons voortdurend met dieper inzicht in het goddelijke. We kunnen alle heilige boeken slechts aan de onkunde, goedgelovigheid en gebrek aan kennis van mensen toeschrijven. Moeten wij al deze bijgelovige mensen maar in hun armetierige gedachtenspinnenwebben laten zitten en geen pogingen doen om ze hogerop te trekken? Geenszins! Wij mensen hebben de volle vrijheid op te groeien tot verantwoordelijkheid en kennis, maar wij dienen elkaar aan te sporen en elkander te helpen met op te groeien. De wereld van het lijden en willen bestaat opdat de liefde en de eenwording ervaren kan worden. Sommige mensen beweren dat ik met het verkondigen van deze dingen het kwade voorsta. Ach, mensen die zo reageren hebben nog een lange weg te lopen. Ze worden vanzelf moe en beu van het in de goot schoppen van zichzelf, en hun aantijgingen zullen door de toekomst ontzenuwd worden. Ik heb u al gezegd dat ze slaven van boeken zijn en vastgekleefd zitten in een spinnenweb, waaraan ze zich maar niet kunnen ontworstelen. Maar zelfs in hun boek staat geschreven dat er rechtvaardigen waren die de dood zelfs niet hoefden te smaken, dat er velen verstandig waren. Nooit hebben allen zich aan domheid overgegeven, nooit is de gehele mensheid verdorven geweest. Er zijn gelukkig te allen tijde velen die het goede doen. Vele kelen brengen de schoonste klanken voort, de tong van velen spreekt met de allergrootste wijsheid, in het hart van menige ziel ontkiemen de allermooiste gezichten en utopieën, talloze boeken zijn geschreven bevattende de meest verheven gedachten, ontelbare handen strekken zich uit om te zegenen. Zo bouwen velen een betere wereld op, de weg van de vrede en de menselijke ontwikkeling is de passie geworden van ontelbare mensen. Angst voor God hebben deze mensen uit hun hart gebannen. Uiteindelijk zal inzicht en wijsheid ook aan alle soorten van bijgelovigen toebedeeld worden en zullen wij allen in verrukking tegenover de immense schepping staan.

Zo kom ik dan nu eindelijk op het onderwerp waarover ik u wilde schrijven. Lange tijd ben ook ik slachtoffer geweest van de primitieve boekgodsdienst. Opgegroeid aan de voeten van schriftgeleerden, werd ook ik van kinds af aan tot een slaaf van heilige boeken gemaakt. Mij werd een God opgedrongen geboetseerd volgens het denken en handelen van de mens uit de oudheid. Deze God was vooral streng en vertoornd op de mensheid. Fanatiek trachtte ik aan al Zijn eisen te voldoen. Geheel teneergeslagen kwam ik uiteindelijk tot de conclusie dat iedereen de nabijheid van God ontbeert vanwege ons ellendig menszijn. In deze ontredderde staat klampte ik me vast aan absurde ideeën dat God bloed wilde zien om zijn toorn tot bedaren te laten komen. Mijn waanideeën maakten van het droevige einde van Jezus Christus, die als onschuldige ter dood veroordeeld werd, een bloedoffer waar God mee in zijn schik was. En ik maakte de zaken nog bonter door te verkondigen dat een ieder die deze theorieën maar geloofde, door God vrijgesproken zou worden. Hij zou op die manier van een strenge en straffende Koning veranderen in een zorgzame Vader. Ik maakte dit alles nog bonter door te verkondigen dat het zelfs Gods plan was, dat Hij Jezus aangewezen had als middel tot verzoening. Tenslotte randde ik de menselijke rede aan door te redeneren dat dit alles Gods rechtvaardigheid, verdraagzaamheid en goedheid, – ja, zelfs liefde – bewees. Zo haalde ik God omlaag tot iets banaals en primitiefs, maakte ik van de God van het heelal alleen de God van een klein groepje christenen, en van de godsdienstige mens een verwarde kluwe waanideeën, absurditeiten en fanatisme.
Stel ik met mijn nieuwe verkondiging nu alle oude heilige schriften buiten werking? Uiteraard! Maar toch, ik heb via die schriften de primitieve menselijke natuur juist leren kennen en ben via die schriften ook tot de kern van de godsdienst doorgedrongen, ze helpen me zelfs om eenvoudig terug te gaan tot de gezonde basis.

4 Boekgelovigen, kijk naar jullie stamvader Abraham, waarmee het traditionele geloof begon. Er wordt van hem gezegd dat hij de stem van God in zijn binnenste hoorde, en vertrouwde op God. Dit werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend, nog wel vóór hij besneden was en allerlei andere dingen dacht te weten over God. Jullie eigen boek laat dus zien dat een mens generlei perfectheid en zondenloosheid nodig heeft om de vriend van God te zijn, maar dat hij dit eenvoudig als geschenk ontvangt. Zo is Abraham de vader van ieder oprecht mens die naar zijn innerlijk wil luisteren. En de belofte dat hij de gehele wereld in bezit zou krijgen, geldt ieder mens die het leven eert. We zien dus dat Abraham en zijn nageslacht niet gezegend werd door de wet, of door bloedoffers of geloof in heilige schriften of een verlosser, maar eenvoudig door vertrouwen op goedheid en zegening. Indien men op grond van geloof in heilige boeken door een God gezegend zou worden, zouden we van het leven de stunteligheid zelve maken en de grootsheid van het bestaan teniet doen. De bijbel en de koran impliceren dat er een God is die de wereld voor het merendeel aan zijn lot overlaat, zich slechts aan uitverkorenen openbaart, die uitverkorenen zegent met het vervullen van hun kinderachtige wensen, en dat Hij het merendeel van ons mensen zal straffen. De boekgodsdiensten scheppen zelfs bij hen die aan deze boeken gehoor schenken angst, want zij staan boordevol eisen en dreigementen. Maar het oerverhaal laat zien dat geloof heel eenvoudig vertrouwen op het leven is, het leven dat als godsgeschenk ervaren wordt. Abraham liet zien wat geloof betekent: hij vertrok uit zijn geboorteland en ging in vertrouwen op weg naar het volkomen onbekende; later, terwijl het onmogelijk toescheen dat hij nog een kind zou krijgen, bleef hij toch op God vertrouwen. Hij twijfelde eenvoudigweg nooit aan zijn geloof dat het leven hem zou zegenen. Getrouw aan de gewoonte van zijn tijd gehoorzaamde hij aan de wil van de voorouders, en ging hij op weg om zijn zoon aan God te offeren. Hij wilde het eigenlijk niet, maar kon niet anders, het moest nu eenmaal. Maar hebt u ooit begrepen, beste bijbellezers, dat Abraham tijdens die reis volwassen werd in zijn geloof? Op weg naar de offerplaats dacht hij voortdurend: ’Wat is dat voor een god die eist dat een man zijn enige zoon offert?; zo’n god kán niet bestaan, mág niet waar zijn, daar moet de vloer mee worden aangeveegd!’ En op het laatste moment wist hij het: ’De ware God woont in de stem van ons eigen hart. De stem van mijn hart is de stem van God. Weg met die oude overlevering van de voorouders!’
Dit alles is voor jullie, beste boekgelovigen, geschreven opdat jullie hieruit zouden leren eens óók zo het leven te leven. Ga in jullie godsdienst terug naar dit oerbegin – vertrouw op het leven, vertrouwen op de stem van jullie eigen hart -, en al het latere, dat slechts verduistert, werp get weg als overbodige ballast.

5 Wij zijn dus bij onze geboorte al aangenomen tot gezegend te worden door het leven en in vrede te leven met het bestaan. Ieder mens heeft vrij toegang tot innerlijke wijsheid. Zelfs in onze ellende mogen wij kracht putten uit vertrouwen op het leven, omdat we weten dat ellende opbouwt tot volharding, volharding opbouwt tot standvastigheid, en standvastigheid hoop geeft. Deze hoop de aarde op te bouwen, te begieten en voortdurend nieuws te planten blijft voortleven, omdat die voortdurend gevoed wordt door de passie voor het leven die als geboortegeschenk in ons hart is uitgegoten. De passie leeft in ons vanaf onze eerste ademtocht. Alle zaken die we liever niet willen zien en ervaren zijn slechts onderdelen in de wet van de harmonie van het al, onderdelen in onze menselijke natuur. De dood laat ons zien dat we deel uitmaken met de natuur om ons heen, dat we letterlijk één geheel zijn met al het andere om ons heen. Net zo zeker als de dood behoort ook dit gegeven tot die harmonie.

6 Betekent dit nu dat het niet uitmaakt hoe we leven? Natuurlijk niet! Hoe zouden wij die de grootsheid van het leven in ons hart ervaren, nog een armetierig leven leiden? Weet u niet dat u die met de menselijke rede bekleed bent met het licht en de warmte van de zon bent bekleed? Een ieder die de grootsheid van het leven in zijn hart ervaart is een sprankelend onderdeel van het universum en zal geen slaaf zijn van dom denken en handelen. Zelfs de dood heeft geen macht over ons, omdat we weten dat het wonder van het leven veel groter is dan de dood. Op ieder moment dat we leven, leven we ter meerdere glorie voor het bestaan. Zó moet u uzelf zien. Daarom spoor uzelf aan om immer hoger op te stijgen. Stel uzelf niet in dienst van lage praktijken, maar in dienst van de wereld van ons nageslacht. Laat domheid en slaafse onderhorigheid aan zogenaamde heilige teksten niet over u heersen, want u leeft onder de zon. Wanneer u de vorst dient zal de vorst u laten verkleumen en bevriezen, wanneer u onder de zon leeft, zult u licht en warmte ontvangen en zelf stralen. Ik druk me zo gewoon mogelijk uit opdat boekgelovigen het eindelijk zullen bevatten. U maakte zich ooit een slaaf van leringen, eisen, rituelen en angsten, maar bent nu volkomen vrijgemaakt en opgegroeid tot volwassen mens. Toen wij nog slaaf van de bijbel waren, waren wij op honderd en één manieren vastgebonden. Wat hebben wij daarmee geoogst? Dingen waarvoor ik en u ons nu schamen. Maar nu, bevrijd van dit juk, en als opgegroeide mensen, oogst u toewijding aan het leven en een vruchtbaar leven. Het loon van slaafse onderhorigheid is domheid en verzuchtingen, maar het geschenk van volwassen te worden in denken schenkt een waardevol leven in vrijheid en blijheid en gewijd aan de hoogste menselijke hoop.

7 Weet u dan niet, u medemensen die aanhangers van heilige boeken bent, dat heilige boeken slechts net zolang gezag over een mens hebben zolang hij zich eraan slaafs onderwerpt? Wanneer er aan uw deur een evangelist van Apollo zou verschijnen, zou u uw tijd met hem verspillen? Maakt ook maar één haar op uw hoofd zich druk om de Upanishads? Doet ook maar één christen de moeite de heilige Koran te lezen, en zal hij het boek na het lezen ervan een ereplaats geven? Acht ook maar één moslim de Bijbel hoog? Vindt ook maar één uitgever het de moeite waard de Avesta uit te geven? Zijn er werkelijk mensen die in staat zijn aandachtig de Veda’s door te worstelen? Kunt u uw lachen bedwingen wanneer u Het Boek van Mormon hoort aangeprezen worden? Indien op de rommelmarkt een boek met titel Tipitaka ligt, met als ondertitel dat het de openbaring van God is, om gratis mee te nemen, zou u het meenemen? Wanneer een mens volwassen wordt, wordt hij bevrijd van gehoorzaamheid aan dit soort autoriteiten. Zolang iemand zich onderwerpt aan een boekgodsdienst, wordt iedere afwijking die hij aan de dag legt gebrandmerkt als dwaling. Maar nu u volwassen bent geworden behoort u uzelf toe en stelt u uzelf doelen. Uw eigen menszijn moet vrucht dragen in het leven. Toen we ons nog lieten leiden door oude heilige teksten, werd ons bestaan beheerst door kuddegeest en angst, die het heilige boek in ons opriep en droeg het alleen vrucht in onderlinge verdeeldheid en dood voor schenners van de tekst. We waren aan een boek geketend, en hadden ons overgegeven aan heldenverering – ja, tot aan vergoddelijking van één mens toe. En deze afgodenverering scheidde ons af van de rest van de mensheid. Maar nu zijn we bevrijd; we zijn nu dood voor alle heilige boeken, zodat we niet meer de oude orde van boekgodsdiensten dienen, maar de nieuwe orde van de volwassen menselijke geest in ons hart, die ons aanspoort de gemeenschap van alle mensen waar ook ter wereld, te dienen.

Moeten we hieruit concluderen dat alles wat met de bijbel en de koran te maken heeft hetzelfde is als dwaling en domheid? Natuurlijk niet! Maar wel kunnen we deze gevolgtrekking maken: ik ben me pas vanwege de heilige boeken bewust geworden van dwaling en domheid en menselijke armetierigheid! Ik zou immers niet weten iets beters te moeten zoeken indien het heilige boek niet zei: ’Wanneer iemand – uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend – u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, goden van de naburige volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen.’ En ook: ’Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie het anders doen en laten als ik het zie?’ en ’Gelukkig hij die wraak zal nemen, en jou doet wat jij ons hebt aangedaan. Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert.’ En ook: ’Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, opdat zij zich niet bekeren en hun vergeven worde.’ En ook: ’U moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat.’ En ook: ’Het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet. Elia was een mens als wij, en nadat hij vurig gebeden had dat het niet zou regenen, is er drieëneenhalf jaar geen regen gevallen op het land.’

De bijbel heeft ons in al deze absurde en schandelijke kleuren, en nog veel bontere, laten zien hoe het niet moet, om ons tot hoger denken te doen laten komen. Eens leefde de mens zonder heilige boeken, maar door de komst van die heilige teksten, kwam de zielsverduisternis in de wereld, en daardoor stikte onze menselijke geest en verloren wij onszelf. De godsdienst die tot leven had moeten leiden, bleek juist tot ons nadeel te werken. De godsdienst heeft op schandelijke wijze gebruik gemaakt van heilige boeken: ze heeft God tot een onbenulligheid en versteend mechanisme gedegradeerd en de mensheid misleid en ons door deze slavernij aan dogma’s en leringen eeuwenlang verhinderd hoog te vliegen. Kortom, de godsdienst op zich is heilig en de mens is heilig, maar alles is eeuwenlang verdraaid. De boekgodsdienst is de zwaartekracht die ons eeuwig naar beneden trekt, ons eeuwig in de schoenen van de oermens wil laten lopen.


Is dus de godsdienst verantwoordelijk voor onze geestelijke dood? Natuurlijk niet! Het is de menselijke onvolwassenheid die zulk een buitensporig geloof aan absurditeiten schonk, die voor deze treurige situatie verantwoordelijk is. Om ons tot slaven te maken hebben sommigen de godsdienst van de primitieve mens die in die tijd niets beters wist te verzinnen van wat voor wijsheid moest doorgaan, misbruikt. Door boekgodsdiensten uit te vinden laat de mens zien hoe gehecht ze is aan het primitieve, hoezeer zij haar eigen scheppende geest minacht, het liefst op stukgelopen zolen loopt en hoezeer zij doortrokken wordt van angst en krachteloosheid en zich als gevolg daarvan overgeeft aan magie en bijgeloof. Wij weten allemaal dat wijsheid de werking is van de gezonde menselijke geest in ieders hart. Maar in plaats daarvan hebben we de antieke mensheid een paar boeken laten schrijven, laten we dat voor eeuwig staan, en maken we geen gebruikt van onze geest. Hoe wij mensen inelkaar zaten, doorzagen we in het geheel niet: eeuwenlang deed ik niet wat ik eigenlijk wilde – het boven mijzelf uit scheppen – maar was ik een slaaf van angsten en haat, opgedrongen leringen en armetierige denkbeelden over God. Maar wanneer mijn daden en denken zo in strijd zijn met mijn eigenlijke wil, dan erken ik dat er iets beters is dan die oude overleveringen. En ook dat ik het niet was die zo primitief handelde, maar de mij opgedrongen ideeën uit een primitief verleden. Immers, ik besefte dat in mij, in mijn eigen natuur, steeds de wil tot iets beters aanwezig was. Ik wílde op iets beters uitkomen, maar de godsdienst waar ik aan uitgeleverd was, belette het me zo te leven. Wat ik verlangde te doen en ervaren -vrede, harmonie, innerlijke rust, vrijheid van denken -, liet ik na. Wat ik wilde vermijden – angst, onenigheid, oorlog, partijzucht, gevangenschap van denken – daar zat ik tot over mijn oren in. Maar wanneer mijn daden en gevoelens zo in strijd zijn met wat ik eigenlijk wil, daar ben ik dan niet zelf de oorzaak van, maar de oorzaak was de gehoorzaamheid eisende en opjuttende godsdienst die in mij heerste. Men zal altijd de wetmatigheid ondervinden, dat het kwade zich juist aan ons opdringt, zodra het gehele bestaan in goed en kwaad wordt opgedeeld. Met ons allemaal ging het zo: innerlijk wilden we vol vreugde instemmen met het bestaan dat ons als geschenk geschonken is, maar in alles wat we deden en dachten legde de godsdienst een domper op ons leven. De godsdienst liet mij altoos strijd voeren met denkbeeldige tegenstanders, maakte mijzelf iedere dag vies en zondig, maakte mij een gevangene van onnoembaar vele zonden, die men overal en altijd zag. Wie zou mij, ongelukkig mens, kunnen redden uit dit lamlendige bestaan, dat beheerst werd door de tirannie van boekgodsdiensten?

Gelukkig hebben we nu een antwoord: de menselijke gezonde rede! Met mijn verstand onderwerp ik mij nu aan de echte wetten van de realiteit: de natuurwetten, mijn verstandelijk inzicht en dáárop gebaseerde eigen geweten. Slechts met mijn in alle bochten en kronkels verdraaide gekweekte en gedresseerde natuur onderwierp ik mij aan de godslasterende godsdienst.

8 Dus wie volwassen geworden zijn, worden niet meer veroordeeld. De wet van de volwassen menselijke geest die in u is, heeft u bevrijd van slavendienst aan boekgodsdiensten die tot de geestelijke dood leidt. Waartoe deze godsdiensten niet in staat waren, machteloos als zij waren de ware natuur van de mens in een dwangbuis te leggen, heeft de rede van de mens zelf tot stand gebracht. Het heeft ons moed en inzicht geschonken naar de innerlijke stem in onszelf te luisteren, opdat we de vruchten dragen die de tirannieke godsdiensten niet konden produceren. Ons leven en het nieuwe Europa wordt immers niet langer beheerst door deze opgedrongen denkbeelden, maar door onze eigen vrije geest. Wie zich door boekgodsdiensten laat knechten is gericht op wat autoriteiten willen, maar wie zich laat leiden door de geest is gericht op wat zijn geest wil. Want autoriteiten brengen onderhorigheid en angst, maar wat iemand geest wil brengt leven en vrede. Onze eigen wil staat nooit vijandig tegenover goede zaken, want zij onderwerpt zich altijd aan natuurwetten en luistert naar het geweten dat het leven eert; zij heeft zich daar zelfs bij uitstek op toegelegd. Maar u leefde lang niet zo. U liet u leiden door vreemde dogma’s en bijgeloof. Maar nu heeft de vrije en volwassen geest u leven geschonken.

Al mijn medemensen, we hoeven ons niet langer te laten leiden door boekgodsdiensten. Als u hier wel mee doorgaat, zult u als woestijnmens in het leven staan, geschreven als deze boeken zijn in die dorre en heetgebakerde cultuur. Als u echter opgroeit door te luisteren naar de gezonde geest die in u leeft, zult u vrucht dragen, zoals de vruchtbaarste grond van Europa de wetenschap heeft voortgebracht. U hebt juist de beschikking over uw eigen geest om te voorkomen dat u als slaven in angst en dorheid zou leven. U hebt uw geest in u om het leven te kunnen aanspreken met ’mijn Geliefde’ en het geschenk van het leven als van onschatbare waarde te beschouwen. Meer nog, de volwassen menselijke geest werkt in ons om ons te verzekeren zelf een deel van het goddelijke te zijn. Samen met ieder ander mens maken wij deel uit van alles wat goddelijk is. Ik ben ervan overtuigd dat alles wat we in dit leven ervaren in geen verhouding staat tot de luister die we ooit nog in de toekomst geopenbaard zullen zien. De schepping is een ongelooflijk groot wonder, geen enkel detail ervan is prooi aan zinloosheid. Een steeds grotere glorie van deze schepping zal aan ons mensheid geopenbaard worden. Dit wetende zuchten en kreunen wij niet meer onder het slavenjuk van godsonterende en het leven verachtende leringen, maar kijken wij reikhalzend uit naar de dingen waarmee de mensheid in de toekomst nog gezegenend zal worden. Juist dit hopen op nog meer inzicht geeft ons leven zo’n prachtige glans. Want wie straalt glans uit die alles al heeft? De volwassen menselijke geest zal ons steeds aansporen tot hogere regionen. Wij hebben er zelf nog geen idee van welke schatten er in het heelal verborgen zijn, maar onze volwassen geest zal ons ooit tot verre zonnestelsels leiden. In afwachting daarvan gaan wij in goede moed op weg. Onze menselijke rede helpt ons in onze zwakheid. Tevoren wisten wij immers altijd precies waarom wij moesten bedelen bij God om onze zin te krijgen, en hoe we onze vlijerij aan Hem moesten voorleggen, het werd ons zelfs zo geleerd met toverformules; maar nu is bidden geheel overbodig geworden, want de volwassen geworden menselijke geest zelf bewerkstelligt onvermoeid ons willen en het streven, het hopen en het aanvaarden. Want wij weten dat voor wie het leven liefheeft, alles zal bijdragen aan het goede, en hoeven een denkbeeldige God dus helemaal niet meer om gunsten te verzoeken.

Wat moeten we verder hier nog aan toevoegen? Als menselijke rationaliteit voor ons is, welke godsdienst kan ons dan van een hoogwaardig menselijk bestaan afscheiden? Welke godsdienst zal nog het lef hebben de grootste schat van de mensheid, de menselijke rede, aan te klagen? Omdat wij mensen het product van onze rede zijn zal de menselijke rede ons logischerwijs allemaal vrijspreken. Wat zal ons dan scheiden van de liefde voor het leven? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het vuurwapen? Er staat op elke bladzijde van onze geschiedenis geschreven: ’Om niet werden zij gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ Maar mensen, het wás niet om niet! Het was vanwege menselijke waanzin! Uiteindelijk zal de volwassen mens glansrijk zegevieren, omdat de menselijke rede ons daar onherroepelijk heen voert. Ik ben ervan overtuigd dat dood, noch leven, waanideeën noch barbaarsheden, ziek verleden noch angstwekkende toekomst, noch ruimtereizen naar de verste plekken in het heelal, noch onvoorziene uitvindingen ons kunnen scheiden van de liefde voor het leven, omdat die in iedere cel van ons menszijn uitgestort is.

9 Omdat ik geestelijk opgegroeid ben en door de volwassen menselijke geest geleid wordt, ben ik oprecht diep bedroefd en word ik voortdurend door mijn verdriet gekweld. Omwille van mijn vroegere geloofsgenoten, de christenen met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden maar vervloekt te worden en van een goed leven gescheiden te zijn. Omwille van hen die kinderen van God willen zijn, die God zoeken en in zijn nabijheid willen leven, maar in werkelijkheid onder een slavenjuk leven en gebukt gaan onder een gespleten denken. Ik vraag hen: ’Waarom laat jullie God in deze wereld alles zó in de soep lopen? Niemand kon toch ingaan tegen zijn wil?’ Ik heb hun God ook wel eens aangeklaagd: ’Waarom hebt u de wereld gemaakt zoals die er uitziet?’ Natuurlijk heeft een pottenbakker de vrijheid om de klomp klei te vormen zoals het hem belieft. Maar van een Goede Pottenbakker mag toch een goed resultaat verwacht worden. Maar elke keer wanneer ik dit uitsprak, gaf mijn verstand mij dit antwoord: ’Indien het je niet aanstaat, doe Jij wat Ik nalaat! Maak Jij af wat Ik begon.’ Wat kunnen we hieruit opmaken? Dat het van ons eigen denken en ons eigen handelen afhangt hoe we het leven zullen bezien. Zo zijn boekgelovigen gestruikeld over de steen die ze zelf neer hebben gelegd. Zij hebben nooit willen geloven zelf de goddelijke luister te moeten belichamen, maar hebben de zonde en het klagen, zuchten, steunen en het stille wachten aanbeden. In hun eigen boek staat: ’De god van Sion brengt een steen voort, waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’ Zie, ik vertel jullie een geheimenis: deze steen – die blauwe plekken oplevert – is de godsdienst van het heilige boek, en het rotsblok – waaronder alles verstikt – de christelijke en moslimgeschiedenis van de afgelopen 2000 jaar. Wie zich hieruit bevrijdt, komt niet bedrogen uit!

10 Medemensen, ik wens uit de grond van mijn hart dat boekgelovigen uit hun eigen denken zullen worden gered. Ik kan van hen getuigen dat ze de mensheid vol toewijding willen dienen, maar het ontbreekt hen aan moed en inzicht en zij lijden aan een overmaat van bijgeloof en hang naar magie. Omdat zij in het diepst van hun hart niet geloven, proberen ze het juiste geloof aan te hangen en een buitenaardse werking op te merken in tekenen van magie. Juist omdat ze geen vertrouwen hebben in het leven en in de mens, verlaten ze zich niet op de menselijke rede. De wet vond zijn doel in Christus, en Christus vond zijn doel in de Volwassen Mens, zodat nu iedereen inzicht zal krijgen en door de rede rechtvaardig zal worden verklaard. Zelfs Mozes had het al door: ’Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart.’ Hij doelde op de boodschap die ik hier u verkondigd heb. Als u met uw mond belijdt dat de menselijke rede voor ons het hoogste richtsnoer is, en in uw hart enkel op de menselijke rede vertrouwt, zal uw leven stralen als de zon. Zelfs de oude godsdienst zegt: ’Wie de hoogste menselijke waarden nastreeft, zal niet bedrogen uitkomen.’ en ’Ieder die de naam van de hoogste menselijke waarden aanroept zal worden gered.’ Er zijn dus geen voorwaarden en er is totaal geen onderscheid tussen groepen, rassen, seksen en volken. Allen hebben we dezelfde geest. Maar dan vraag ik weer: hebben de boekgelovigen deze boodschap nooit begrepen? Wel, in hun boek staat al geschreven: ’Ik zal jullie afgunstig maken op volk dat niet wil behoren tot één volk, Ik daag jullie uit met een volk van verstand!’ ’En bij Jesaja kan men zelfs lezen: ’Ik heb me laten vinden door de godmoordenaar, ik heb mij bekend gemaakt aan hem die filosofie met de hamer bedreef.’ Over Gods volk zegt Jesaja: ’De hele dag heb ik mijn handen vergeefs uitgestrekt naar mijn slaafs gehoorzame en onderhorige volk.’

11 Dan is mijn volgende vraag: heeft God boekgelovigen soms verstoten? Beslist niet! Ik ben immers zelf een christen geweest, een nakomeling van tientallen geslachten christendom. Geen mens is verstoten en hopeloos reddeloos. Hoe haalt men het waandenkbeeld in zijn hoofd te denken dat er altijd maar een paar uitverkorenen zijn en de rest van de mensheid maar kan stikken! De menselijke geest werkt op ieder moment overal en in ieder mens. Welke conclusie mogen we dan wel trekken? Wat de christenen hebben nagestreefd, hebben ze niet bereikt. Degenen die het nog steeds niet inzien zijn onbuigzaam geworden. Hun eigen schrift laat het God zijn die hun geest als straf heeft verdoofd, hun ogen als straf blind heeft gemaakt en hun oren doof, en David voegt er geheel in de trant van hun heilig boek nog een gebed aan toe: ’Laat hun kerken een valstrik worden, een strop, een valkuil en een straf. Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, krom hun rug voorgoed.’ Maar nu vraag ik weer: zien ze, geconfronteerd met zulke dwaze uitspraken gedaan in hun heilig boek, nog niet hoezeer ze zijn gestruikeld en verstrikt in de meest belabberde leringen? Misschien zullen sommigen het zelfs na dit schrijven nog steeds niet willen zien, maar door deze hardnekkigheid zal de wereld des te beter kunnen zien welke gezonde keuze men zal moeten maken. Hun gevangenschap is dus eigenlijk een gave voor de wereld, hun falen spoort ons des te meer aan het in de toekomst anders te doen. Op de Volwassen Mens zullen zij tenslotte afgunstig worden. Maar laten wij ons niet boven hen verheffen. Houd slechts voor ogen dat de menselijke rede goed is en niet in de eerste plaats streng. De menselijke rede is bij machte hen opnieuw te planten. Medemensen, er is een geheimenis dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u slechts uw eigen inzichten roemt: Geheel de mensheid zal worden gered. Dit is het Eeuwige Verbond van het menselijk bestaan met de mens. Het bestaan blijft iedereen liefhebben, hoezeer deze of gene ook moge zijn verdwaald. De genade waarover de menselijke geest beschikt, zal de mens nooit ontnomen worden. De menselijke geest roept ons allemaal op tot volwassenheid, en zal dat roepen net zolang doen totdat we haar stem horen. Want ieder mens wordt geboren met dezelfde menselijke geest.

Hoe onuitputtelijk is de rijkdom van ons verstand, hoe eenvoudig zijn verstandelijke wegen!